Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-17
ECLI:NL:RBROT:2017:9335
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 3 zaaknummer: ROT 17/645 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. E. Kafa, en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder, gemachtigde: mr. drs. W. Davidse. Procesverloop Bij besluit van 4 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een verklaring voor vakbekwaamheid voor het beroep van apotheker, afgewezen. Bij besluit van 20 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [de echtgenoot] van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde de gemachtigde van verweerder in de gelegenheid te stellen een hem betreffende schriftelijke machtiging aan de rechtbank te doen toekomen, alsmede - indien aanwezig - een verslag van de hoorzitting van 17 november 2016. Bij brief van 12 oktober 2017 heeft verweerder voormelde machtiging naar de rechtbank gezonden en daarnaast medegedeeld dat geen apart verslag van de hoorzitting van 17 november 2016 is opgemaakt. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft eiseres niet gereageerd op de brief van verweerder van 12 oktober 2017 en de daarbij gevoegde machtiging. Omdat geen van de partijen op verzoek van de rechtbank kenbaar heeft gemaakt dat zij naar aanleiding van de nadere stukken op een zitting wenste te worden gehoord, is nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven en heeft de rechtbank het onderzoek op 13 november 2017 gesloten. Overwegingen 1. Eiseres heeft op 28 december 2012 aan de Hamdard University in Karachi, Pakistan, een opleiding tot apotheker afgerond. Eiseres is naar Nederland verhuisd en heeft op 25 augustus 2014 een verklaring van vakbekwaamheid als apotheker aangevraagd. 2.1. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daaraan het advies van de Commissie Buitenlands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV) van 9 juni 2016 (hierna: het advies) ten grondslag gelegd. De CBGV stelt zich daarin op het standpunt dat eiseres niet heeft aangetoond te beschikken over vakbekwaamheid die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde niveau ligt als het eindniveau van de Nederlandse beroepsopleiding tot apotheker. Zij adviseert verweerder geen verklaring van vakbekwaamheid af te geven. De CBGV heeft voor haar advies een diplomawaardering laten uitvoeren door de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs (EP-Nuffic). In haar advies van 25 maart 2015 heeft EP-Nuffic geconcludeerd dat het curriculum van de door eiseres gevolgde opleiding in Nederlandse termen het algemene prestatieniveau van de graad van bachelor in het wetenschappelijk onderwijs vertegenwoordigt. 2.2. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd, waarbij verweerder tevens het nadere advies van de CBGV van 1 december 2016 (hierna: het nadere advies) heeft betrokken. 3.1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), worden registers ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als: arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige. Op grond van artikel 6, aanhef en onder a, wordt de inschrijving geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de in hoofdstuk III bedoelde opleidingseisen. Op grond van artikel 22 wordt, om in het desbetreffende register als apotheker te kunnen worden ingeschreven, vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt d Naar het oordeel van de rechtbank heeft de CBGV met deze toelichting voldoende duidelijkheid gegeven over de wijze waarop het advies tot stand is gekomen. De rechtbank meent bovendien dat op basis hiervan niet kan worden geconcludeerd dat het inhoudelijke oordeel van de CBGV onzorgvuldig tot stand is gekomen. 4.4. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te twijfelen aan de inhoudelijke beoordeling van de CBGV. Eiseres heeft voor haar stelling, dat geen sprake is van de vastgestelde tekortkomingen, slechts verwezen naar het curriculum van haar opleiding. Op basis van onder meer datzelfde curriculum heeft de CBGV echter juist geoordeeld, dat wel sprake is van tekortkomingen op de in bijlage 3 van het advies genoemde punten. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank vervolgens op de weg van eiseres als aanvrager om aannemelijk te maken dat dit kwalitatieve oordeel van de CBGV onjuist is, bijvoorbeeld aan de hand van een eigen deskundigenbericht. Eiseres is door verweerder op de hoorzitting in bezwaar ook gewezen op de mogelijkheid van het inbrengen van een deskundigenbericht. Dat geen deskundige beschikbaar is die een deskundigenoordeel kan uitbrengen, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, acht de rechtbank niet aannemelijk. 4.5. De enkele verwijzing door eiseres naar het curriculum volstaat naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld of de CBGV ten onrechte heeft gemeend dat de Pakistaanse opleiding op de genoemde punten niet van hetzelfde niveau is als de Nederlandse opleiding. Zoals ter zitting is toegelicht, volgt uit bijlage 3 van het advies ook niet dat de genoemde punten helemaal niet aan bod zijn gekomen in de opleiding van eiseres. De CBGV meent echter dat het opleidingsniveau van eiseres op die punten niet voldoet aan het niveau van de Nederlandse opleiding. Daarbij heeft de CBGV ook meegewogen dat de Pakistaanse opleiding anders van opzet is, omdat daarin, anders dan in de Nederlandse opleiding, niet de nadruk ligt op farmaceutische patiëntenzorg. Meer in het algemeen heeft de CBGV overwogen dat de Pakistaanse opleiding breed van aard is en dat de mastervakken ontbreken. Eiseres heeft deze conclusies niet betwist. 4.6. De CBGV heeft bovendien de conclusie van EP-Nuffic onderschreven, dat de gevolgde opleiding gewaardeerd dient te worden op het algemene prestatieniveau van de graad van bachelor in het wetenschappelijk onderwijs in Nederland. Eiseres stelt dat deze conclusie van EP-Nuffic niet is onderbouwd, maar de rechtbank kan eiseres daarin niet volgen. Uit het advies van EP-Nuffic volgt dat zij bij deze conclusie in overweging heeft genomen, dat voor de opleiding die eiseres heeft gevolgd als toelatingseis geldt dat een met de Nederlandse Havo vergelijkbaar middelbaar onderwijs moet zijn afgerond, dat de opleiding een duur heeft van vijf jaar en dat het schrijven van een scriptie geen onderdeel uitmaakte van het curriculum. Eiseres heeft deze overwegingen van EP-Nuffic niet betwist. Eiseres betwist slechts dat uit de overwegingen van EP-Nuffic voortvloeit dat zij de gehele masteropleiding nog zou moeten volgen om een aan de Nederlandse opleiding gelijkwaardig niveau te bereiken. Volgens eiseres zou het volgen van enkele vakken volstaan. Eiseres heeft daarbij echter niet aangegeven welke vakken dit zijn en derhalve ook niet waarom zij in dat geval een aan de Nederlandse opleiding gelijkwaardig niveau zou hebben bereikt. Reeds hierom gaat de rechtbank aan de stelling van eiseres voorbij. De CBGV mocht zijn advies derhalve mede baseren op voormelde conclusie van EP-Nuffic. 4.7. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd tegen het advies van de CBGV, onvoldoende gewicht in de schaal legt om te twijfelen aan het inhoudelijke oordeel van de CBGV. 4.8. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee niet komen vast te staan dat de inhoud of de wijze van totstandkoming van het advies en het