Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-30
ECLI:NL:RBROT:2017:9268
RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 6342913 HA VERZ 17-116 uitspraak: 30 november 2017 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IHC Merwede B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IHC Merwede Holding B.V., beide statutair gevestigd te Sliedrecht, verzoekers, gemachtigde: mr. E.S. de Bock en mr. J. Stolk, tegen de gemeenschappelijke ondernemingsraad van Royal IHC, gevestigd te Kinderdijk, verweerster, gemachtigde: mr. C. Clarijs. Partijen worden hierna aangeduid als “IHC” respectievelijk “de OR”. 1 Het verloop van de procedure: Van de volgende processtukken is kennisgenomen: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 september 2017; - het verweerschrift met bijlagen; - de faxberichten van de gemachtigde van de OR van 14 en 15 november 2017 met daarbij producties 20 tot en met 22; - het faxbericht van de gemachtigde van IHC van 15 november 2017 met daarbij producties 24 en 25; - de pleitaantekeningen van IHC en de OR. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. 2 De vaststaande feiten 2.1. IHC is een internationaal concern dat zich bezighoudt met de bouw van gespecialiseerde schepen voor natte mijnbouw- en baggeractiviteiten, complexe custom built offshoreschepen, engineering, equipment en services die in de schepen worden verwerkt en productondersteuning voor klanten. IHC heeft ongeveer 3.000 werknemers wereldwijd in dienst, waarvan er ongeveer 2.200 in Nederland werken. Daarnaast zijn er ongeveer 785 ingeleenden werkzaam voor IHC in Nederland. 2.2. De OR is een gemeenschappelijke ondernemingsraad ex artikel 3 WOR en is ingesteld voor nagenoeg alle Nederlandse groepsmaatschappijen van IHC. Volgens het OR-reglement behoort de OR uit zeventien leden te bestaan. Op dit moment bestaat de OR nog maar uit elf leden, wegens niet vervulde vacatures. De leden van de OR worden gekozen voor een periode van vier jaar. De zittingsperiode van de huidige OR-leden loopt af op 31 december 2017. De leden van de huidige OR zijn verkozen uit drie kiesgroepen, te weten de divisie Offshore, de divisie Dredging en Mining en de divisie Technology & Services. 2.3. Bij memo van 22 juni 2017 heeft de OR aan IHC bericht dat de OR met het oog op de verkiezingen eind december (onder meer) het OR-reglement heeft herzien. De OR heeft bericht dat de belangrijkste aanpassing van het OR-reglement is dat niet meer gekozen zal worden vanuit verschillende kiesgroepen maar vanuit één kiesgroep. Bij memo van 10 juli 2017 heeft de OR onder meer toegelicht waarom in het nieuwe reglement is gekozen voor het loslaten van het kiesgroepenstelsel, te weten om te voorkomen dat het aantal beschikbare zetels niet bezet kan worden en om tussentijdse vacatures in de OR gemakkelijker op te kunnen vullen met mensen van de reservelijst. Tevens heeft de OR IHC bericht dat een intensieve PR-campagne wordt voorbereid ten behoeve van de verkiezingen. 2.4. Bij brief van 21 augustus 2017 heeft IHC de OR bericht dat zij bezwaar maakt tegen het geheel afschaffen van de kiesgroepen. IHC heeft de OR voorgesteld een kiesgroep te maken voor werknemers die een “blue collar” functie hebben en werknemers met een “white collar” functie. Voorts heeft IHC de OR voorgesteld het aantal leden te verkleinen en de zittingsduur van de OR-leden te verkorten van vier naar twee of drie jaar. IHC heeft kenbaar gemaakt ervan uit te gaan dat de passage over de kiesgerechtigdheid en verkiesbaarheid van ingeleenden bewust is geschrapt en zij heeft bezwaar gemaakt tegen de volgordelijkheid en de termijnen voor het indienen van kandidatenlijsten namens de werknemersorganisaties respectievelijk de vrije kandidatenlijsten. 2.5. De OR heeft IHC bij memo van 31 augustus onder meer geantwoord het reglement op het punt van de kiesgroepen niet aan te passen. Ook heeft de OR de passage over de ingeleenden weer in het reglement, artikel 5, lid 3, opgenomen. Dit artikel luidt: “ P Het sluiten van een ondernemings-overeenkomst tussen IHC en de OR is niet vereist op grond van de WOR. Aangezien de zittingsperiode van de OR op 31 december 2017 afloopt, hebben de OR-leden na deze datum geen mandaat en derhalve geen beslissingsbevoegheid meer en kan de OR geen rechtsgeldige besluiten meer nemen. 3.4. Op de stellingen en standpunten van partijen zal – voor zover vereist – nader worden ingegaan. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Artikel 8 lid 1 van de WOR bepaalt dat de OR een reglement maakt waarin de onderwerpen worden geregeld die bij of krachtens de WOR aan de OR zijn opgedragen of overgelaten, waaronder de kandidaatstelling en de verkiezingen van de OR. Voorop staat dan ook dat het uitsluitend de OR zelf is die het reglement vaststelt, aanvult of wijzigt wanneer hij dat wenst. Het reglement mag evenwel geen bepalingen bevatten die in strijd zijn met de WOR of die een goede toepassing van de WOR in de weg staan. 4.2. Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, kan worden afgeleid dat de OR op een zorgvuldige wijze is overgegaan tot het wijzigen van het OR-reglement met betrekking tot de verkiezingen. De OR is eerst tot wijziging overgegaan na grondige voorlichting en na uitgebreid onderzoek welk kiessysteem bij IHC het beste past. De OR heeft IHC, zoals voorgeschreven in artikel 8 lid 1 WOR, in de gelegenheid gesteld haar standpunt over het gewijzigde reglement kenbaar te maken. Tussen partijen is echter in geschil of het door de OR op 29 augustus 2017 vastgestelde OR-reglement voldoet aan de eisen die de WOR daaraan stelt, dan wel die uit een goede toepassing van de WOR voortvloeien. De onderwerpen in het reglement waar partijen over twisten, zullen hierna afzonderlijk worden beoordeeld. Loslaten van de kiesgroepen 4.3. Partijen zijn het erover eens dat het kiesgroepenstelsel zoals dat bij de voorgaande verkiezingen is gehanteerd, op basis van drie verschillende divisies, geen geschikt stelsel (meer) is, gelet op de reorganisaties die binnen IHC hebben plaatsgevonden en de mogelijke ontwikkelingen die nog plaats zullen vinden. De OR heeft er thans voor gekozen in het geheel geen kiesgroepen meer in te stellen. Op basis van artikel 9 lid 3 WOR kán de OR in zijn reglement bepalen dat er kiesgroepen ten behoeve van de OR-verkiezingen worden ingesteld, een verplichting hiertoe bestaat er echter niet. Het is wel de verantwoordelijkheid en, op grond van artikel 9 lid 4 WOR, de verplichting van de OR om zodanige voorzieningen in zijn reglement te treffen, dat de verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk in de OR vertegenwoordigd kunnen zijn. 4.4. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht is af te leiden dat er binnen IHC globaal gezien twee typen werknemers werkzaam zijn, te weten werknemers met een metaalgerelateerde, uitvoerende functie, de zogenaamde “blue collars”, en werknemers die zich met name bezighouden met engineering en dergelijke, de zogenaamde “white collars”. Niet betwist is dat voor beide groepen werknemers andere arbeidsvoorwaarden gelden en dat zij voor een deel andere belangen hebben. Gelet op het bepaalde in artikel 9 lid 4 WOR is het vereist dat beide groepen werknemers deugdelijk vertegenwoordigd kunnen zijn in de OR. In beginsel is juist wat de OR stelt, te weten dat door het loslaten van het kiesgroepenstelsel alle werknemers op alle kandidaten kunnen stemmen, zodat blue collars- en white collars-kandidaten in theorie evenveel kans hebben om in de OR verkozen te worden. Dit leidt echter niet automatisch tot de conclusie dat OR-verkiezingen zonder kiesgroepenstelsel ook een OR opleveren die de binnen IHC werkzame werknemers zo goed mogelijk vertegenwoordigt. 4.5. IHC heeft onderbouwd gesteld dat een deel van de werknemers, in het bijzonder een groep white collars, zich thans niet vertegenwoordigd voelt door de huidige OR-leden, die voor het merendeel blue collars zijn én lid zijn van een vakbond. Uit de door de OR overgelegde kandidatenlijsten kan Onder deze omstandigheden doet een evenredige vertegenwoordiging op basis van 62,5% white collars en 37,5% blue collars onvoldoende recht aan de belangen van de blue collars in deze overgangsperiode. De verhouding tussen OR-leden uit de blue collar-groep en die uit de white collar-groep zal dan ook naar redelijkheid en billijkheid worden bepaald op 50-50. 4.8. De OR heeft nog aangevoerd dat het instellen van kiesgroepen het risico meebrengt dat het aantal beschikbare zetels niet bezet zal kunnen worden en dat tussentijdse vacatures moeilijk opgevuld zullen kunnen worden. Gelet op het feit dat slechts twee kiesgroepen zullen moeten worden ingesteld, gelet op de te hanteren 50-50-verhouding tussen blue en white collars en gelet op de kandidatenlijst die de OR heeft overgelegd, waaruit volgt dat evenveel white collars als blue collars zich thans kandidaat hebben gesteld, bestaat naar het oordeel van de kantonrechter niet de verwachting dat als gevolg van het kiessysteem zoals dat in het OR-reglement zal moeten worden opgenomen, onvoldoende medewerkers van IHC zich kandidaat zullen stellen als OR-lid. Aan dit bezwaar van de OR om kiesgroepen in te stellen zal dan ook worden voorbijgegaan. Er wordt voorts geen aanleiding gezien te bepalen dat de OR in het reglement het aantal OR-leden moet terugbrengen of de zittingstermijn dient te verkorten, zoals voorgesteld door IHC. 4.9. Ook het bezwaar van de OR dat IHC structureel wijzigingen ondergaat waardoor het kiesgroepenstelsel geen passend systeem zou zijn, wordt verworpen. Organisatorische wijzigingen zullen immers naar verwachting niet tot gevolg hebben dat white collars blue collar-werkzaamheden zullen gaan uitvoeren of andersom. Een kiesstelsel op basis van deze twee kiesgroepen staat daarmee voldoende los van toekomstige organisatorische wijzigingen. Volgordelijkheid en termijnen kieslijsten 4.10. De OR heeft bij het vaststellen van de volgorde van de indiening van de kandidatenlijsten door de vakbonden en de zogeheten vrije lijsten aansluiting gezocht bij de systematiek van de SER in het door deze organisatie opgestelde voorbeeldreglement. De reden waarom de OR ervoor heeft gekozen eerst de vakbonden in staat te stellen kandidatenlijsten in te dienen, te weten dat kandidaatstelling van niet-georganiseerden pas plaats kan vinden als bekend is welke vakverenigingen kandidaten hebben gesteld, is een legitieme reden. De tijdsduur zoals in het reglement opgenomen voor het indienen van vrije lijsten, twee weken, is in overeenstemming met de termijn in het voorbeeldreglement van de SER en is aan te merken als een redelijke termijn. Het feit dat de vakbonden dan langer de tijd hebben om kandidatenlijsten op te stellen is ook gerechtvaardigd, aangezien de vakbonden ruggespraak dienen te houden met hun achterban, waar nu eenmaal extra tijd mee is gemoeid. Voor kandidaten van vrije lijsten geldt dit niet. Ten aanzien van de geplande verkiezingen heeft de toepassing van de termijnstelling geleid tot een effectieve termijn van twaalf dagen in plaats van veertien dagen. Dit kwam doordat de laatste twee dagen in het weekend vielen. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter niet een zodanige inperking van de termijn waarop de niet-georganiseerden zich kandidaat konden stellen dat dit een belemmering vormt voor een zo goed mogelijke representativiteit van de OR. Los daarvan zullen er, gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 is bepaald, nieuwe verkiezingen moeten worden gehouden. De OR wordt nadrukkelijk in overweging gegeven deze verkiezingen zodanig in te richten dat de niet-georganiseerden de volledige termijn van veertien dagen kunnen benutten om zich kandidaat te stellen voor deze verkiezingen. 4.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van IHC om de OR op te dragen het reglement wat betreft de volgordelijkheid en de termijnstelling van het indienen van de kandidatenlijsten aan te passen, zal worden afgewezen. Ingeleenden 4.12. IHC heeft bezwaren geuit tegen het