Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-13
ECLI:NL:RBROT:2017:9214
RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 6219709 VZ VERZ 17-20647 uitspraak: 13 november 2017 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de vennootschap onder firma [De Apotheek], gevestigd te [plaatsnaam], verzoekster, gemachtigde: mr. S.I. Witkamp, tegen [verweerder], wonende te [plaatsnaam], verweerder, gemachtigde: mr. F. Özer. Partijen worden hierna aangeduid als “de Apotheek” en “[verweerder]”. 1 Het verloop van de procedure 1.1 Van de volgende processtukken is kennisgenomen: het verzoekschrift van de Apotheek, met producties, ontvangen op 4 augustus 2017; het verweerschrift van [verweerder], met producties, ontvangen op 25 september 2017; de op 27 september 2017 ontvangen aanvullende producties van [verweerder]; de op 28 september 2017 ontvangen aanvullende producties van de Apotheek. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017. Namens de Apotheek is verschenen mr. Witkamp, vergezeld door [C.] en [G.] (apothekers). [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Özer. 1.3 De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden. 2 De feiten In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten: 2.1 Op grond van een met (de rechtsvoorganger van) de Apotheek gesloten arbeidsovereenkomst werkt [verweerder] sinds 16 juni 1994 bij de Apotheek in de functie van bezorger, vanaf mei 2017 voor 32,25 uur per week, tegen een maandsalaris van € 1.896,68 bruto inclusief werkgeversbijdrage levensloopregeling en € 1.859,49 bruto zonder die bijdrage. 2.2 De Apotheek is in 2004 van eigenaar veranderd. 2.3 In 2006 heeft [verweerder] 5 weken vakantieverlof in de zomer aangevraagd. Bij brief van 29 mei 2006 heeft de Apotheek - verkort weergegeven - als volgt gereageerd: “Vandaag heb jij je aanvraag voor je zomer vakantie ingediend. Je wilt van 10 juli t/m 11 augustus vakantie nemen (= 5 weken). Ik wil je hierbij nogmaals op wijzen dat je volgens de CAO apotheken Maximaal 3 weken aaneengesloten op vakantie mag gaan. Daarom kan ik de 5 weken die je aanvraagt niet goedkeuren. Graag wil ik dat je opnieuw je vakantieaanvraag bij mij indient, maximaal 3 weken dus. Zou je zo spoedig mogelijk willen doorgeven welke periode dit zal zijn?” Bij brief van 9 juni 2006 heeft de Apotheek - verkort weergegeven – het volgende geschreven aan [verweerder]: “Graag willen wij jou nog de regels voor het aanvragen van vakantie of vrije dag uitleggen. - Indien je een vrije dag of vakantie wil, dan moet je dit ruim van te voren aan ons vragen of dat mogelijk is. - Je mag maximaal 3 aaneengesloten weken op vakantie. Wil je langer op vakantie, dan moet je altijd aan ons toestemming vragen, voor je eventuele afspraken gaat maken. Alleen dit jaar geven wij jou toestemming voor een vakantie van 4 weken. Vrijdag 7 juli t/m 4 augustus (=151,5 uur) Maandag 7 augustus moet je weer beginnen.” Op 3 augustus 2006 heeft [verweerder], die op dat moment met vakantie in Turkije was, de Apotheek telefonisch meegedeeld dat hij buikklachten had en dat hij de volgende dag een afspraak met de dokter had. Op 4 augustus 2016 heeft [verweerder] aan de Apotheek laten weten niet naar Nederland te kunnen komen. Na terugkomst in Nederland heeft [verweerder] op 11 augustus 2006 zijn werk hervat. 2.4 In 2007 heeft de Apotheek bij brief van 11 april 2007 het volgende geschreven aan [verweerder]: “Vandaag heb ik nogmaals met je gesproken over de vakantieregeling voor de zomer. Er is door [Naam] al eerder aan je gevraagd om je vakantie voor de zomer voor 1 april 2007 bij haar in te dienen. Voor jouw vakantie moeten wij iemand tijdig kunnen regelen. Tot vandaag heb je nog niet aangegeven of je vakantiedagen in de zomer wil opnemen. Je begrijpt, dat als je geen dagen indient, je in de zomer ook geen vrij kan krijgen. Wij geven je nog t/m vrijdag 13 april 2007 de mogelijkheid om je dagen op te geven. Als [Naam] niets van jou hoort welke dagen je vrij wilt, dan gaan wij ervan uit dat je de hele zomer blijft werken en dat wij geen vervang Omdat hij onvoldoende verlofuren over had, is een verzoek van [verweerder] om een vrije ochtend op 27 juni 2012 om zijn dochters naar Schiphol te kunnen brengen afgewezen. In verband hiermee heeft één van de dochters van [verweerder] op 26 juni 2012 gebeld naar de Apotheek en aangegeven dat zij graag wilde dat haar vader meeging naar Schiphol omdat de hele familie daar aanwezig zou zijn. Daarbij heeft de dochter meegedeeld dat zij niet wilde dat het telefoongesprek met haar vader zou worden besproken. Haar is te verstaan gegeven dat dit soort zaken met haar vader worden besproken en dat zij niet degene is die dit moet regelen. 2.9 In 2013 heeft [verweerder] op 21 maart 2013 verzocht om van 22 juli 2013 tot en met 23 augustus 2013 met vakantie te mogen gaan. Dat verzoek is op 25 maart 2013 afgewezen. Op 28 maart 2013 heeft hij verzocht om van 2 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2013 met vakantie te mogen gaan. Dat verzoek is op 5 april 2013 afgewezen. Op 12 april 2013 heeft een gesprek met [verweerder] plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt. In dit verslag wordt – verkort weergegeven – vermeld: “(…) De afspraken met de auto zijn helder: door de weeks mag de auto mee naar huis, in het weekeinde staat de auto in Overschie. De auto is niet voor privé gebruik! (…) De regels voor vakantie is de apotheek zijn: in de zomer voor iedereen maximaal 3 weken achterelkaar. Op tijd aanvragen, voor 1 april en op papier. [verweerder] heeft een aanvraag gedaan voor meer dan 3 weken. Hij geeft aan dat hij aan 3 weken niets heeft, ivm de lange reis en alle afspraken die hij in de vakantie heeft. Wij geven aan dat deze discussie vaker is geweest. Hij wil altijd langer en dat blijft moeilijk. Iedereen in het team heeft familie, en iedereen wil graag op vakantie, en liefst ook langer dan 3 weken. Maar de apotheek blijft open, de baxters lopen door dus dat is altijd moeilijk. [verweerder] zegt dat hij de aanvraag al heeft verkort van 5 naar 4 weken. En dat hij een vervanger kan regelen. En dat hij volgend jaar niet op vakantie gaat. Wij hebben begrip voor zijn standpunt, maar kunnen er niet zo veel mee. We hebben het over dit jaar. Wij zijn verantwoordelijk voor wie we inhuren. We komen spoedig op de aanvraag terug.” [verweerder] is op 24 mei 2013 vakantie toegekend van maandag 12 augustus 2013 tot en met vrijdag 30 augustus 2013. De vrijdag voor zijn vertrek naar Turkije heeft [verweerder] desgevraagd een extra vrije dag gekregen. Op vrijdag 30 augustus 2013 kreeg de Apotheek telefonisch van de zus van [verweerder] te horen dat hij niet op tijd terug zou kunnen zijn van zijn vakantie omdat hij autopech had in Bulgarije. Op 2 september 2013 heeft [verweerder] zelf gebeld met de Apotheek om te zeggen dat hij die dag niet op het werk zou komen. Bij brief van 2 september 2013 heeft de Apotheek – verkort weergegeven – aan [verweerder] meegedeeld: “(…) Je hebt vakantie toegekend gekregen van 12 augustus t/m 1 september. Vlak voor de vakantie heb je nog een extra vrije dag gevraagd, wat alweer buiten de afspraak valt, maar die we toch, óók, hebben toegekend. Vrijdag 30 augustus laat jij je zus bellen dat jij in Bulgarije bent en niet op tijd terug kan zijn in de apotheek. Het is teleurstellend dat je niet het fatsoen hebt om hierover ZELF met de apotheek te bellen en ook niet conform de afspraken in de apotheek. Dan bel je maandagochtend 2 september op, met de mededeling dat je niet komt werken. Het is niet aan jou om te bepalen of je weg kan blijven. Bovendien ben je daarmee wederom NIET op tijd op je werk aan het einde van een vakantie periode. Mogelijk vind je je werk niet belangrijk genoeg, of je vakantie belangrijker dan je werk. Dat je meent ergens anders werk te kunnen vinden waar ze dit normaal vinden, is geen fatsoenlijke reactie. Middels dit schrijven willen we dan ook duidelijk aangeven dat we deze handelswijze afkeuren en we zullen dit document aan je personeelsdossier toevoegen.” 2.10 In 2014 heeft [verweerder] bij e-mailbericht v Het kan niet zo zijn dat afspraken die gemaakt zijn niet op jou van toepassing zijn. Nogmaals: de bezorgauto gebruiken voor privé ritten is nooit toegestaan. Er zijn géén uitzonderingen mogelijk. Als dit nogmaals gebeurt zal je de bezorgauto alleen voor de bezorging mogen gebruiken en zal je zelf je woon-werkverkeer moet regelen.” 2.13 In 2016 heeft de Apotheek bij brief van 4 januari 2016 een officiële waarschuwing gegeven aan [verweerder] waarin - verkort weergegeven - wordt vermeld: “17 december 2015 heb ik in een gesprek met je aangeven dat vanaf 1 januari 2016 de bezorgauto alleen gebruikt mag voor bezorging. Dit betekent dat de auto ook niet meer gebruikt mag worden voor woon-werkverkeer en in Overschie moet blijven. Vanaf 1 januari 2016 krijg je reiskosten vergoeding, zodat je hiermee je vervoer naar de apotheek kan regelen. (…) Ondanks het gesprek wat ik vanmorgen met je heb gehad, heb je de bezorgauto meegenomen tijdens je middag pauze! Je houdt je dus niet aan de afgesproken regels. Je bent hiermee in overtreding, als dit nogmaals gebeurt kan dit niet zonder consequenties blijven.” 2.14 Bij brief van 11 januari 2016 heeft de Apotheek een officiële waarschuwing gegeven aan [verweerder] waarin - verkort weergegeven - wordt vermeld: “Ondanks de gesprekken en een eerdere officiële waarschuwing, heb je het weer gepresteerd om de bezorgauto vrijdag 9 januari tijdens je lunch pauze mee te nemen voor privé gebruik. Je houdt je opnieuw niet aan de afgesproken regels en dit zal niet zonder consequenties blijven. Nogmaals: de bezorgauto mag alleen gebruikt worden voor bezorging van pakketten van de apotheek en mag NIET gebruikt worden voor woon-werkverkeer en ook niet voor privé gebruik.(…)” 2.15 Bij brief van 22 januari 2016 heeft de Apotheek [verweerder] aangesproken op het te laat afdragen van (administratie van) betalingen van patiënten. 2.16 Op 24 november 2016 heeft de Apotheek [verweerder] in een gesprek aangesproken op het voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen in verband met zijn rugklachten. 2.17 In 2017 heeft [verweerder] op 24 april 2017 verzocht om van 10 juli 2017 tot en met 4 augustus 2017 met vakantie te mogen gaan. Bij brief van 12 mei 2017 heeft de Apotheek hierop - verkort weergegeven - als volgt gereageerd: “(…) Wij hebben eerder de afspraak gemaakt dat je maximaal 3 weken aaneengesloten op vakantie mag en hebben je verzocht hier in het vervolg aan te houden. Toch dien je weer een verzoek in die buiten onze afspraken liggen. (…) Met je huidige contract (…)heb je nog ongeveer 16 dagen op te nemen. Dat is 3 weken vakantie en 1 dag. Hierna zijn je uren op en kan je niets meer opnemen. Realiseer dat je dan de rest het jaar geen vrij meer kan nemen. Ik verzoek je je vakantie zodanig aan te passen dat het klopt met je nog op te nemen vakantie. Zou je zo snel mogelijk je nieuwe verzoek dan willen indienen?” In overleg tussen partijen is het [verweerder] toegestaan om van 10 juli 2017 tot en met 31 juli 2017 met vakantie te gaan. Op 27 juli 2017 ontving de Apotheek een faxbericht bestaande uit drie bladzijden tekst, waarvan twee in de Turkse taal en één in de Nederlandse. De bladzijde in de Nederlandse taal met als kop “Attest” en onderwerp “Rust rapport” luidt - verkort weergegeven - als volgt: “Voormij verscheen op dd.22.07.2017 om 11:33:25 uur in staatsziekenhuis van Şarkişla bij afdeling Interne Geneeskunde Kliniek onder protocolnummer 8.362, zaaknummer 41.281.828 [verweerder]. Na grondig onderzoek bleek dat hij last heeft van (M54.4) Lumbago,lendenpijn om die redenen is voor hem 10 dagen rust voorgeschreven. Statusrapport ter kennisgeving afgegeven door: Specialist Dr. [naam specialist] Staat Ziekenhuis van Sarkta Interne Geneeskunde(…)” Per e-mailbericht van 28 juli 2017 heeft de Apotheek het volgende geschreven aan [verweerder]: “Hoe gaat het met je? Ik heb je vandaag geprobeerd telefonisch te bereiken, maar je telefoon is niet bereikbaar. Via de fax en email heb ik een bericht van een mij onbekende [X. Ik wacht verder het oordeel af van de bedrijfsarts of je daadwerkelijk ziek bent en of je ziek bent geweest.” Op 24 augustus 2017 is [verweerder] op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest, waarvan - verkort weergegeven - het volgende is teruggekoppeld aan de Apotheek: “(...) Eerste arbeidsongeschiktheidsdag 23/08/2017 (...) Dhr. [verweerder] is momenteel arbeidsongeschikt. Hij geeft overigens zelf aan zich op 27-7 te hebben ziek gemeld. Hij is beperkt in bukken, zwaar tillen, langdurig staan en lopen, autorijden. Ik verwacht dat dhr. [verweerder] vanaf 4-9 halve dagen kan hervatten in passend werk. Na twee weken (vanaf 18-9) kan hij volledig hervatten. (...)” Op 1 september 2017 heeft de Apotheek per WhatsApp-bericht - verkort weergegeven - het volgende meegedeeld aan [verweerder]: “(…) Je bent vrijgesteld van werkzaamheden in de Apotheek (…)” Op 19 september 2017 heeft de Apotheek per WhatsApp-bericht - verkort weergegeven - het volgende gevraagd aan [verweerder]: “(…) klopt het dat je beter bent en ik je hersteld kan melden? (…)” Per WhatsApp-bericht van diezelfde datum heeft [verweerder] hierop - verkort weergegeven - als volgt gereageerd: “(…) het gaat wel ik kan gewoon me bezorg werk doen zo als het hoord hier voor heb ik ook Arboarts email gestuurd paardagen geleden (…) Ik wil gewoon komen werken morgen (...)” In reactie hierop heeft de Apotheek per WhatsApp-bericht van 19 september 2017 het volgende geschreven aan [verweerder]: “(…) Ik heb je bij de arbodienst hersteld gemeld. Zoals eerder met je besproken is is ben je ontheven van je werkzaamheden in de [De Apotheek]. Je hoeft dus niet te komen.” 3 Het verzoek en de grondslag daarvan 3.1 De Apotheek verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de tussen de partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op grond van artikel 7:671 b juncto artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub e, subsidiair op grond van artikel 7:671 b juncto artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW); II. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindings-beschikking; III. bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]; IV. te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding; V. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten. 3.2 Daartoe stelt de Apotheek - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - dat: [verweerder] bekend is met haar regels over vakantieverlof en dat sinds 2006 strubbelingen met hem zijn in verband met verlof in de zomer, laatst in 2017. Dit betreft te laat aanvragen van verlof en/of aanvragen van verlof voor langer dan drie aaneengesloten weken en/of langduriger wegblijven van het werk dan het toegestane verlof; [verweerder] zich niet (adequaat) heeft ziek gemeld tijdens verlof, doordat ziekmeldingen niet, niet in eigen persoon en/of onvoldoende medisch onderbouwd zijn gedaan; [verweerder] in 2015 gewaarschuwd is voor het in strijd met de afspraken gebruik maken van de bedrijfsauto voor woon-werkverkeer, en vervolgens nog herhaaldelijk in strijd met die afspraken heeft gehandeld; [verweerder] in januari 2016 aangesproken is op het veel te laat afdragen van betalingen van patiënten; [verweerder] in november 2016 aangesproken is op gebrek aan activiteiten in het kader van zijn re-integratie na uitval in verband met rugklachten. 3.3 Het voorgaande levert primair ernstig verwijtbaar handelen én nalaten op en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding, hetgeen grond is om de arbeidsovereenkomst (dadelijk) te ontbinden. Herplaatsing kan in redelijkheid niet worden gevergd. [verweerder] heeft geen recht op een transitievergoeding. Voor zover geoordeeld wordt dat hij daarop wel aanspraak heeft, bedraagt 4.5 [verweerder] erkent dat hij in 2006, 2013, 2014, 2015 en 2017 niet tijdig is teruggekeerd op het werk na (vakantie met) verblijf in Turkije, maar voert aan dat hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. In 2006 had hij buikklachten, in 2013 en 2015 had hij autopech, in 2014 waren zijn ouders betrokken bij een auto-ongeluk in verband waarmee hij met spoed naar Turkije was vertrokken omdat de toestand van zijn moeder kritiek was en in 2017 heeft hij zich ziekgemeld in verband met rugklachten. Dit betreffen alle overmacht situaties. 4.6 In de zomervakantie van 2017 heeft [verweerder] in verband met zijn rugklachten verscheidene malen een arts bezocht in Turkije. Hem is rust en medicatie voorgeschreven. Op 27 juli 2017 is de Apotheek middels doktersverklaringen op de hoogte gebracht van zijn toestand. Volgens [verweerder] had de Apotheek deze doktersverklaringen moeten opvatten als een ziekmelding. 4.7 Ten onrechte is de Apotheek op 2 augustus 2017 overgegaan tot een loonstop (met terugwerkende kracht) per 1 augustus 2017. [verweerder] maakt daarom aanspraak op betaling van loon en wettelijke verhoging, vermeerderd met rente. 4.8 Er is sprake van strijd met een opzegverbod, want [verweerder] was ziek ten tijde van de indiening van het ontbindingsverzoek op 4 augustus 2017. De bedrijfsarts heeft hem arbeidsongeschikt verklaard tot 18 september 2017. [verweerder] heeft nog steeds rugklachten. In plaats van het advies van de bedrijfsarts op te volgen en hem te re-integreren heeft de Apotheek [verweerder] ontheven van zijn werkzaamheden. 4.9 Geconcludeerd wordt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek, mede gezien de persoonlijke omstandigheden van [verweerder], te weten zijn leeftijd, zijn gezinssituatie met een zieke echtgenote en vier inwonende kinderen, de omstandigheid dat hij de enige kostwinner is en de omstandigheid dat hij vanaf 1994 - dus ruim 23 jaar - naar behoren heeft gefunctioneerd, hij laag opgeleid is en een eenzijdig arbeidsverleden heeft. Zijn perspectief op de arbeidsmarkt is niet gunstig. 4.10 Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, voert [verweerder] aan dat de geldende opzegtermijn in acht dient te worden genomen en dat hij recht heeft op transitievergoeding van € 20.651,00 uitgaande van het bruto loon van € 1.896,68 per maand. Voorts maakt [verweerder] aanspraak op een billijke vergoeding van € 25.000,00 omdat hij zich op standpunt stelt dat de Apotheek gelet op het vorenstaande ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. 5 De beoordeling 5.1 Op grond van artikel 7:671b lid 1 BW gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 1 BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt en er geen opzegverboden gelden. 5.2 [verweerder] werkt al lange tijd bij de Apotheek. Al vanaf 1994. Niet is in geschil dat [verweerder] onder de vorige eigenaar van de Apotheek in de zomer langdurig verlof kon genieten, althans verlof gedurende een langere aaneengesloten periode dan drie weken. Dat verlof heeft [verweerder] veelal aangewend om met zijn gezin met de auto naar Turkije te reizen, daar te verblijven en tegen het eind van zijn vakantie terug te keren naar Nederland. 5.3 De Apotheek heeft deze praktijk rondom het zomervakantieverlof na de verandering van eigenaar in 2004 niet willen continueren, althans sinds 2006 hanteert de Apotheek als regel dat maximaal drie aaneengesloten weken verlof mag worden genoten. 5.4 Hoe de Apotheek haar bedrijfsvoering wil organiseren, ook ten aanzien van vakanties, staat de Apotheek, behoudens wet en regelgeving op dit punt, in beginsel vrij. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst zijn geen afspraken opgenomen die de Apotheek hierin beperken. In de CAO Apotheken 2006-2007 en daaropvolgende CAO’s is bepaald dat de werknemer het 5.7.2 In 2013 is de Apotheek op 30 augustus 2013 gebeld door de zus van [verweerder] met de mededeling dat [verweerder] op dat moment in Bulgarije was en niet op tijd op zijn werk zou zijn. Op 2 september 2013 belde [verweerder] zelf met de mededeling dat hij niet kwam werken. Uit de onder 2.9 vermelde brief van de Apotheek van 2 september 2013 blijkt niet dat autopech de reden was voor het niet op het werk verschijnen. Als dat wel de reden is geweest, dan is [verweerder] daarmee nog niet verontschuldigd, want dit ligt in zijn risicosfeer en het doet niet af aan het feit dat [verweerder] niet op tijd op zijn werk is verschenen. Dit is verwijtbaar. 5.7.3 In 2014 is [verweerder] halsoverkop naar Turkije vertrokken omdat zijn ouders betrokken waren geweest bij een auto-ongeluk. Onbestreden is dat [verweerder] hierdoor 10 dagen afwezig is geweest van zijn werk zonder daarvoor toestemming te hebben gehad van de Apotheek. Alhoewel begrijpelijk is dat [verweerder] de aandrang heeft gehad om zo spoedig mogelijk naar zijn ouders te gaan, neemt dit niet weg dat hij door zonder toestemming afwezig te zijn op het werk verwijtbaar heeft gehandeld tegenover de Apotheek. 5.7.4 In 2015 is [verweerder] akkoord gegaan met een vakantie voor de duur van vier weken, daar waar hij aanvankelijk om 5 weken had verzocht. Op 10 augustus 2015 had hij weer aan het werk gemoeten, maar (reeds) op 7 augustus 2015 belde [verweerder] naar de Apotheek met de mededeling dat hij de maandag daarop niet op het werk zou verschijnen in verband met autopech. Om dezelfde reden als onder 5.7.2 vermeld is dit verwijtbaar. 5.7.5 In 2017 heeft [verweerder] ingestemd met vakantie in de periode van 10 tot en met 31 juli 2017. Als vermeld onder 2.17 heeft de Apotheek op 27 juli 2017 een faxbericht van drie bladzijden ontvangen, waarvan één in het Nederlands, waarin kort gezegd te lezen valt dat [verweerder] in het ziekenhuis is geweest in verband met rugklachten en tien dagen rust moet houden. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit niet anders worden beschouwd dan als een ziekmelding, ondanks dat nergens uit blijkt dat [verweerder] de faxberichten zelf heeft verzonden en hij ook niet heeft gebeld naar de Apotheek of destijds op andere wijze met de Apotheek in contact is getreden. Het eerste (sms) bericht van [verweerder] hierover dateert van 1 augustus 2017 in de avond, waarin hij vermeldt dat hij last van zijn rug en pijn heeft. Tevens vermeldt hij dat hij zijn telefoon niet veel gebruikt. Dat laatste kan niet als excuus worden aanvaard. [verweerder] kan kwalijk worden genomen dat hij niet voldoende zorgvuldig is geweest met zijn ziekmelding, want op grond van kritiek van de Apotheek op de wijze waarop hij zich eerder ziek had gemeld wist hij wat er van hem verwacht werd als hij ziek werd tijdens vakantie in het buitenland: de ziekmelding onderbouwen en voor zover mogelijk persoonlijk hierover in contact treden met de Apotheek. Aan dat laatste heeft [verweerder] onvoldoende voldaan. Daarbij is van belang dat gesteld noch gebleken is dat het voor [verweerder] onmogelijk was om de Apotheek persoonlijk op de hoogte te stellen van zijn toestand op 27 juli 2017. Van het feit dat hij in Turkije weer rugklachten heeft gekregen, kan hem zonder nadere motivering die ontbreekt geen verwijt worden gemaakt. Weliswaar geeft denken dat [verweerder] ondanks zijn rugklachten ervoor gekozen heeft om met de auto drie dagen naar Turkije te reizen en er daar voor gekozen heeft om te helpen met het versjouwen van een wasmachine, maar dat kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat hij verwijtbaar heeft gehandeld jegens de Apotheek. Dat [verweerder] op 1 augustus 2017 als gevolg van rugklachten niet kon werken staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast gelet op de eerdere uitval wegens rugklachten, de medische onderbouwing die [verweerder] op 27 juli 2017 en daarna op 4, 7 en 14 augustus 2017 heeft gegeven, alsmede gezien de bevindingen van de bedrijfsarts van 24 aug Daarbij komt dat verwijtbaar is dat [verweerder] naar aanleiding van deze procedure steun is gaan zoeken bij patiënten door in de vorm van een soort petitie hun standpunt over het op handen zijnde ontslag te vragen. Aldus heeft hij die patiënten betrokken bij een procedure waar zij geheel buiten staan en onnodig de vuile was buiten gehangen. 5.12 Op de voet van artikel 7:671b, lid 8, aanhef en onder a, BW gelezen in samenhang met artikel 7:672 lid 1 en lid 2, aanhef en onder a, BW vindt de ontbinding plaats met ingang van 1 januari 2018. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met dien verstande dat een termijn van ten minste één maand resteert. 5.13 Op grond van artikel 7:673 lid 1 BW is de Apotheek een transitievergoeding verschuldigd aan [verweerder], nu de arbeidsovereenkomst meer dan 24 maanden heeft geduurd en op verzoek van de Apotheek wordt ontbonden. Omdat de gedragingen van [verweerder] niet als ernstig verwijtbaar gekwalificeerd worden, is er geen ruimte om op de voet van artikel 7:673 lid 7 onder c, BW vast te stellen dat geen transitievergoeding verschuldigd is. Partijen verschillen van mening welk loon gehanteerd dient te worden bij het bepalen van de transitievergoeding: het maandsalaris van € 1.896,68 bruto inclusief werkgeversbijdrage levensloopregeling of het maandsalaris van € 1.859,49 bruto zonder die bijdrage. Het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 juncto lid 10 BW, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding, geeft hierover geen uitsluitsel. Bij gebreke van andersluidende informatie gaat de kantonrechter ervan uit dat de Apotheek voldaan heeft aan de voorwaarden om een bijdrage te geven voor de levensloopregeling, in welk geval de bijdrage door de fiscus niet wordt aangemerkt als loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen. Daarom wordt voor het berekenen van de transitievergoeding uitgegaan van het loon zonder werkgeversbijdrage levensloopregeling, te weten het bedrag van € 1.859,49 bruto per maand. Hiervan uitgaande wordt de transitievergoeding waarop [verweerder] aanspraak heeft vastgesteld op € 20.249,85 bruto. De Apotheek zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [verweerder]. 5.14 Wat betreft de tegenverzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen. 5.15 Op de verzoeken als vermeld onder I en III is, met uitzondering van de verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding, hierboven al beslist. In verband met die rente wordt bepaald dat de Apotheek uiterlijk op 1 januari 2018 de transitievergoeding moet hebben betaald. Zo niet dan gaat vanaf die datum de rente lopen. 5.16 De onder II verzochte veroordeling van de Apotheek tot loondoorbetaling wordt toegewezen tot 1 januari 2018, want tot die datum is de Apotheek op grond van de arbeidsovereenkomst gehouden om het loon te betalen nu niet gebleken is van omstandigheden die grond kunnen geven om dat achterwege te laten. In dit verband wordt overwogen dat het feit dat [verweerder] thans geen arbeid verricht het gevolg is van de keuze van de Apotheek om hem te ontheffen van de verplichting tot het verrichten van arbeid. 5.17 Als verzocht onder V zal de Apotheek tevens worden veroordeeld tot verstrekking aan [verweerder] van deugdelijke bruto/netto specificaties van het nog te betalen loon als verzocht onder II alsmede van de te betalen transitievergoeding. Geen reden wordt gezien om hieraan een dwangsom te verbinden. 5.18 Het is niet mogelijk om [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, want dat kan alleen bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, waarvan geen sprake is, zodat het verzochte onder IV wordt afgewezen. 5.19 Onder VI is verzocht de Apotheek te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van achterstallig loon over de periode van 1 augustus 2017 tot 23 augustus 2017. De Apotheek heeft het loon over deze periode niet betaal