Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-17
ECLI:NL:RBROT:2017:9013
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/536799 / KG ZA 17-1129 Vonnis in kort geding van 17 november 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. O. Arslan te Den Haag, tegen de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. , gevestigd te Apeldoorn, gedaagde, advocaat mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle. Partijen zullen hierna [eiser] en Achmea genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 26 oktober 2017, met 4 producties; de 16 producties van Achmea; de mondelinge behandeling op 3 november 2017; de pleitnota van [eiser], met een productie; de pleitnota van Achmea. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] heeft voor zijn Mercedes-Benz met kenteken [nummer] een autoverzekering met WA- en cascodekking gesloten bij Achmea. 2.2. In de algemene polisvoorwaarden (AV-01-141) is, voor zover relevant, het volgende vermeld: “(…) 7. Wanneer is schade niet verzekerd? (…) U of een verzekerde pleegt fraude. Wij mogen alle verzekeringen binnen de Schadepolis stoppen. U moet uitkeringen en kosten terugbetalen. (…) Wij mogen de fraude registreren. - Alle verzekeraars in Nederland kunnen dit zien. Bij Begrippen ziet u wat wij onder fraude verstaan. (…) Begrippen (…) Fraude U of een verzekerde vertelt niet de waarheid of vertelt niet alles: Of om een vergoeding van ons te krijgen. Of om een verzekering af te sluiten of te houden. (…)” 2.3. Op 3 september 2016 heeft [eiser] bij Achmea melding gemaakt van een ongeval op 2 september 2016, waarbij zijn Mercedes in botsing was gekomen met een Daihatsu Cuore op de Oostzeedijk te Rotterdam. 2.4. In een expertiserapport van 13 september 2016 heeft Achmea de schadevergoeding volgens dagwaarde berekend op € 8.500,-. Vervolgens heeft Achmea een toedrachts-onderzoek laten uitvoeren door [persoon 1] (hierna: [persoon 1]). In dat kader heeft [persoon 1] Meer Onderzoek (hierna: [persoon 3]) ingeschakeld om technisch onderzoek te doen naar de aanrijding. [persoon 3] heeft haar bevindingen vastgelegd in een ‘rapport schadeonderzoek’. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld: “(…) 1 Inleiding Mij werd verzocht een onderzoek in te stellen naar de aanrijding van 2 september 2016 te Rotterdam. In deze kwestie was door ondergetekende op 10 oktober 2016 rapport uitgebracht onder kenmerk MO16-361.00. Uit dat onderzoek bleek dat op een van de expertisefoto’s een sporenbeeld zichtbaar is die duidt op meerdere contacten tussen de onderstaande voertuigen. (…) 2.4 Nadere overwegingen/analyse (…) Uit het microscopisch onderzoek blijkt dat er wel autolak op de ANWB-mast is aangetroffen die optisch overeenkomt met de lak van de Mercedes. Ook past de schade aan de voorkant van de Mercedes qua positie bij de afstand tussen de ANWB-mast en de vangrail. Zie hiervoor de foto’s hieronder. Hierdoor kan worden gesteld dat de Mercedes naar alle waarschijnlijkheid wel tegen de ANWB-mast is gereden. (…) Plaatsen we deze gegevens nu op een luchtfoto van de locatie, dan kan de aanrijding tussen de Mercedes en de Daihatsu niet hebben plaatsgevonden op de verklaarde wijze. Indien de Daihatsu bij het naar links afslaan de Mercedes zou hebben geraakt, dan is de Mercedes al geheel of gedeeltelijk de ANWB-mast gepasseerd. Zie de schets hieronder. Daarbij komt dat er sprake is van meerdere contactsporen op het voorportier van de Mercedes, wat ook niet te plaatsen is bij de geschetste situatie dat de Mercedes voor de Daihatsu langs reed en de Daihatsu op ongeveer het midden van de kruising tot stilstand kwam. (…)” 2.5. Aan de hand van het rapport van [persoon 3] en zijn eigen bevindingen, heeft [persoon 1] op 26 januari 2017 een expertiserapport opgesteld. In zijn expertiserapport is onder meer het volgende vermeld: “(…) In uw opdracht een onderzoek ingesteld naar de aanrijding tussen de Mercedes, [nummer], van uw verzekerde [eiser] en de Daihatsu, (…), van tegenpartij (…) met als bestuurder daarin [per Uit het sporen onderzoek blijkt verder dat er laksporen op zowel de lantaarnpaal/ANWB-mast als op de vangrail zitten die gelijk zijn aan de lak van de Mercedes. Ook past de schade aan de voorkant van de Mercedes qua positie bij de afstand tussen de ANWB-mast en vangrail.” Na mijn onderzoek kan ik concluderen: * dat de Mercedes is ingevoerd vanuit België, * dat verzekerde meerdere keren van mening is veranderd, * dat er op de linker flank van de Mercedes meerdere bots contacten zijn aangetroffen, * dat de bewijzen uit het technische onderzoek niet overeenkomen met hetgeen is verklaard door verzekerde [eiser]. (…)” 2.6. Bij brief van 26 januari 2017 heeft Achmea, onder toezending van de rapporten van [persoon 1] en [persoon 3], aan [eiser] onder meer medegedeeld dat zij dekking voor de schade aan de Mercedes weigert omdat [eiser] op meerdere punten onwaar heeft verklaard over de toedracht van de aanrijding, dat zijn verzekeringen bij Achmea zullen worden stopgezet, dat de door Achmea gemaakte onderzoekskosten voor zijn rekening komen en dat Achmea zijn persoonsgegevens voor 8 jaar zal opnemen in het Extern Verwijzingsregister (hierna: het EVR). 2.7. Bij e-mail van 10 september 2017 heeft de advocaat van [eiser] Achmea verzocht om de registratie in het EVR ongedaan te maken. Bij e-mail van 11 september 2017 heeft Achmea haar standpunt en de daaraan gekoppelde maatregelen gehandhaafd. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Achmea te veroordelen tot het (doen laten) verwijderen en verwijderd houden van de persoonsgegevens van [eiser] uit het EVR, tegen behoorlijk bewijs, binnen 5 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat Achmea dit gebod niet nakomt, zulks tot een maximum van € 50.000,-, met veroordeling van Achmea in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten. 3.2. Achmea voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Met zijn stelling dat hij thans geen verzekeringen meer kan afsluiten onder marktconforme voorwaarden en daardoor grote risico’s loopt alsook dat niet van hem kan worden verlangd dat hij een langdurige bodemprocedure afwacht om op te komen tegen de in zijn ogen foutieve en diffamerende registratie in het EVR, is het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering voldoende gegeven. 4.2. In geschil is de vraag of de registratie van de persoonsgegevens van [eiser] in het EVR door Achmea gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan wordt uitgegaan van het volgende (juridische) kader. Het EVR maakt deel uit van het incidentenwaarschuwingssysteem voor financiële instellingen dat is vormgegeven in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het Protocol). De Autoriteit Persoonsgegevens heeft, na onderzoek, vastgesteld dat de verwerking van persoonsgegeven zoals omschreven in het Protocol rechtmatig is. Vooropgesteld wordt dat opname in het EVR – dat te raadplegen is via de Stichting CIS – voor de betrokkene verstrekkende consequenties kan hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen door toetsing in het EVR vaststellen dat er sprake is van opname in het incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent opname kunnen vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren of alleen willen verlenen tegen (extra) hoge kosten. Om die reden dienen hoge eisen te worden gesteld aan de grond(en) voor opname in het EVR. In artikel 5.2.1 van het Protocol zijn de voorwaarden bepaald waaronder persoonsgegevens mogen worden opgenomen in het EVR. Dit artikel luidt als volgt: “5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na Voorts heeft [persoon 3] in haar rapport (summierlijk) vermeld dat er sprake is van meerdere contactsporen op het voorportier van de Mercedes. Deze bevinding is kennelijk gebaseerd op een eerder onderzoeksrapport van haar van 10 oktober 2016. Pas bij het tweede verhoor, op 22 december 2016, is [eiser] gevraagd een verklaring te geven voor de meerdere contactsporen. Dat hij toen geen goede verklaring heeft kunnen geven, kan hem onder de gegeven omstandigheden niet worden tegengeworpen. Gesteld noch gebleken is immers dat het rapport van 10 oktober 2016 aan [eiser] ter hand is gesteld, zodat Achmea het beginsel van hoor en wederhoor niet op juiste wijze heeft toegepast. Evenmin is het rapport in de onderhavige procedure ingebracht. [eiser] is daardoor geschaad in zijn belang om op adequate wijze verweer te voeren. 4.6. Dat [eiser] wisselend heeft verklaard, maakt zijn verhaal nog niet onbetrouwbaar. [eiser] heeft bij het eerste verhoor aangegeven dat hij de ANWB-mast en de vangrail had geraakt. Desgevraagd heeft hij daarna per e-mail vastgehouden aan die verklaring. Bij het tweede verhoor, waar hij werd geconfronteerd met foto’s van de schadelocatie, heeft hij verklaard dat hij niet tegen de ANWB-mast was gebotst maar tegen een lantaarnpaal die verderop stond. Uit de opgestelde verklaring van het tweede verhoor blijkt dat [eiser] tijdens dat verhoor door de foto’s aan het twijfelen werd gebracht. Hij verklaarde tegenover [persoon 1] dat hij niet meer zeker wist om welke paal het ging, dat het zo lang geleden was en dat hij dacht dat het de verste paal was. Aangezien het tweede verhoor bijna 4 maanden na het ongeval plaatsvond, is niet onbegrijpelijk dat [eiser] niet meer met zekerheid kon zeggen welke paal hij had geraakt en is zijn twijfel daardoor te verklaren. 4.7. Vaststaat dat, blijkens de laksporen die zijn aangetroffen op beide auto’s, de vangrail en de ANWB-mast, de Daihatsu en de Mercedes daadwerkelijk met elkaar in botsing zijn gekomen en dat de Mercedes eveneens in contact is geweest met de vangrail en de ANWB-mast die naast de vangrail staat. [persoon 3] heeft zelfs aangegeven dat de schade aan de voorkant van de Mercedes qua positie past bij de afstand tussen de ANWB-mast en de vangrail. De schade past ook bij de (eerste) verklaringen van [eiser]. Tegen die achtergrond is de omstandigheid, dat de oorzaak van de meerdere contactsporen op de Mercedes niet kan worden verklaard – voor zover dat dus al aan [eiser] zou kunnen worden tegengeworpen – op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de door [eiser] geschetste toedracht van de schade niet juist kan zijn. 4.8. Ten aanzien van de herkomst en het schadeverleden van de Mercedes, wordt het volgende overwogen. Uit het verslag van het eerste verhoor van [eiser] blijkt dat [persoon 1] heeft gevraagd van wie en waar [eiser] de Mercedes had gekocht. Daarop heeft [eiser] geantwoord dat hij de auto van een particulier in Duitsland had gekocht. Op de vraag of hij de auto met schade had gekocht, heeft [eiser] geantwoord dat hij de auto zelf had ingevoerd zonder schade. Tijdens het tweede verhoor zijn de herkomst en het schadeverleden van de auto niet aan de orde gekomen. Pas in een later stadium heeft [persoon 1] overwogen dat de auto is ingevoerd met schade vanuit België. Volgens de brief van Achmea van 26 januari 2017 heeft [persoon 1] die informatie gehaald uit het Landelijk Informatiepunt Voertuigcriminaliteit (hierna: LIV). In de onderhavige procedure heeft [eiser] aangevoerd dat de Mercedes schadevrij was gekocht van een particulier in Duitsland, maar dat hem later is gebleken dat de auto nog in België stond geregistreerd. Ter zitting heeft [eiser] een brief van de belastingdienst van 11 mei 2015 overgelegd, waarin de belastinginspecteur, in het kader van de aangifte bpm voor de Mercedes, aan [eiser] mededeelt dat het voertuig, mede gezien het bouwjaar en de kilometerstand, niet meer dan de normale gebruikssporen laat zien. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser]