Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-16
ECLI:NL:RBROT:2017:8987
RECHTBANK ROTTERDAM VONNIS Parketnummers: 10/994634-15 (A) en 10/994635-15 (B) (Promis) Datum uitspraak: 16 november 2017 Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte rechtspersoon] , gevestigd te [vestigingsadres verdachte rechtspersoon] , [vestigingsplaats verdachte rechtspersoon] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2017. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I.M. Koopmans, en van wat de vertegenwoordiger en de raadsman van [naam verdachte rechtspersoon] , mr. G.J.K. Elsen, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging 2.1 Aan [naam verdachte rechtspersoon] is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij Zaak A 1. op 30 januari 2015 in strijd met de verleende omgevingsvergunning heeft gehandeld door een emissie naar de lucht en/of bodem van 30% zoutzuuroplossing en het demonteren van een blindplaat aan een zoutzuurleidingsysteem in strijd met de werkwijze daarvoor, door deze werkzaamheid uit te voeren terwijl het systeem niet druk- en/of productvrij was en geen hoog-risico-werkvergunning met taak-risico-analyse was afgegeven; 2. op 30 januari 2015 opzettelijk niet alle maatregelen heeft genomen om zware ongevallen te voorkomen door werkzaamheden aan een leidingsysteem met zoutzuur te verrichten, terwijl voor die werkzaamheden geen hoog-risico-werkvergunning met taak-risico-analyse was afgegeven, het systeem niet druk- en/of productvrij was en operator [naam operator] geen zuurbril droeg; Zaak B 1. op 16 april 2013 tijdens werken met chloor opzettelijk niet alle maatregelen heeft genomen teneinde gevaren zoveel mogelijk te voorkomen of beperken, immers werden onvoldoende de procedures en instructies voor de beheersing van de veiligheid nageleefd, door te werken zonder hoog-risico-werkvergunning en persoonlijke beschermingsmiddelen; 2. op 16 april 2013 opzettelijk niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan, dat de omgevingsvergunning heeft verleend, heeft gemeld dat een voorval als bedoeld in art. 17.1 Wet Milieubeheer zich heeft voorgedaan, te weten het vrijkomen van chloorgas bij het demonteren van een klep/afsluiter van een chloorleiding, waarbij [naam monteur 1] en/of [naam monteur 2] dat hebben ingeademd. 2.2. De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 2.3. Daarnaast heeft de officier van justitie de navolgende feiten met parketnummer [nummer] ad informandum gevoegd, inhoudende de verdenking dat verdachte: 1. zich in de periode van 14 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 te Rotterdam opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift van de aan haar verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren door telkens het effluent van de afvalwaterzuiverings-installatie (AWZI) in de Chemiehaven te lozen, te weten: Op 14 mei: concentratie van koper (0,59 mg/l) Op 15 mei: het chemisch zuurstofverbruik (550 mg/l) Op 4 juni: concentratie van koper (0,58 mg/l) Op 5 juni: het chemisch zuurstofverbruik (1.120 mg/l) 2. zich in de periode van 15 juni 2015 tot en met 22 juli 2015 te Rotterdam opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschrift van de aan haar verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren door afvalwater, dat mogelijk was verontreinigd met asbest, via een riool te lozen in de chemiehaven, zijnde een ongewoon voorval waarbij nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstonden of dreigden te ontstaan, en verdachte in strijd met voorschrift 15 van die vergunning niet, althans niet zo spoedig mogelijk, de waterbeheerder van dat ongewoon voorval in kennis heeft gesteld. 3 Voorvragen De dagvaardingen Ter zitting is aan de hand van een foto van het betrokken onderdeel van de installatie aangevoerd dat het een domme fout van de operator is geweest om de blindflens te openen, omdat dit voor de werkzaamheden die hij moest verrichten niet nodig was en bovendien het volgens eigen zeggen beoogde doel (ontluchten) niet bereikt kon worden, omdat de kraan tussen de blindflens en de flowmeter dicht stond. De officier van justitie heeft in repliek toegelicht dat naar haar mening de tenlastelegging zo moet worden gelezen dat sprake is van een tweetrapsraket: het eerste verwijt betreft het niet uitschrijven van een hoog-risico-werkvergunning voor het spoelen van de flowmeter, waardoor het voor de operator niet duidelijk was wat er moest gebeuren. Vervolgens is een fout gemaakt door de blindplaat niet te demonteren volgens de werkinstructie "werkwijzen en voorschriften blindflenzen de- en monteren". Beide onderdelen van de tenlastelegging kunnen daarom worden bewezen, aldus de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding zo dient te worden begrepen dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde verwijt ziet op het openen van de blindplaat en niet tevens op het spoelen van de flowmeter. Een andere uitleg verhoudt zich niet met de tekst van de tenlastelegging, in het bijzonder niet met de verfeitelijking van de verweten gedragingen. Ook als de operator (ten onrechte) had aangenomen dat hij de blindflens moest openen, had hij dat moeten doen volgens de werkinstructie "werkwijzen en voorschriften blindflenzen de- en monteren" die hierop van toepassing is. Deze werkinstructie is blijkbaar niet gevolgd, omdat het leidingdeel, waarvan de blindflens is geopend, niet ingeblokt was. Een hoog-risico-werkvergunning was voor het openen van een blindplaat naar het oordeel van de rechtbank niet nodig, van welk onderdeel verdachte onder het 1 en 2 ten laste gelegde dan ook partieel wordt vrijgesproken. De vraag of voor de werkzaamheden met betrekking tot de flowmeter een hoog risico-vergunning nodig was, is niet aan de orde, omdat de verweten gedraging specifiek de blindflens betreft. De rechtbank acht een hoog-risico-werkvergunning voor het openen van de blindflens niet nodig, omdat een voldoende specifieke werkinstructie op die activiteit van toepassing was. Als deze zou zijn gevolgd, zou het ongeval niet hebben plaatsgevonden. Opzet De raadsman heeft betoogd dat geen bewijs voorhanden is voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde opzet en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft betoogd dat het spoelen van de flowmeter een welbewuste handeling is, zowel van de werknemer als van [naam verdachte rechtspersoon] . Indien procedures niet worden gevolgd, is niet ineens geen sprake meer van opzet. Juist daarvoor is het opzet ‘kleurloos’. De officier van justitie is dan ook van mening dat opzet voor beide feiten bewezen kan worden verklaard. De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor is overwogen, dat de tenlastelegging niet ziet op het spoelen van de flowmeter. Beoordeeld moet daarom worden of sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het openen van de blindplaat op een niet-ingeblokt leidingdeel. Als de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon (ECLI:NL:HR:2016:733). Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van opzet van [naam verdachte rechtspersoon] op de bewezenverklaarde handeling. [naam ve [naam monteur 1] en [naam monteur 2] hadden hiervoor niet kunnen tekenen, waardoor zij de werkzaamheden niet hadden kunnen uitvoeren. Deze maatregelen ten aanzien van de persoonlijke beschermingsmiddelen kwalificeren als maatregelen ter voorkoming en beperking van gevaren voor de gezondheid van de mens, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank deelt overigens niet de lezing van de raadsman met betrekking tot de beperkte reikwijdte van artikel 9.2.1.2 van de Wet Milieubeheer en meent dat ook maatregelen met betrekking tot de mens in de arbeidssituatie buiten etiketteringsvoorschriften, productkennisgeving en veiligheidsinformatie onder het bereik van deze bepaling kunnen vallen. Opzet feit 1 De raadsman heeft bepleit dat op basis van de stukken van het dossier het onder 1 ten laste gelegde opzet niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Wachtchef [naam wachtchef] heeft welbewust de keuze gemaakt om niet een hoog-risico-werkvergunning af te geven, maar een eerdere afgegeven, niet passende normaal-risico-werkvergunning te gebruiken voor deze werkzaamheden. Door dit te doen heeft hij, de werknemer die op dat moment de eindverantwoordelijkheid ter plaatse droeg, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet alle maatregelen zouden worden genomen die redelijkerwijs van [naam verdachte rechtspersoon] konden worden gevergd om gevaren voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en te beperken. Er is dan ook sprake van opzet in voorwaardelijke vorm bij deze werknemer van [naam verdachte rechtspersoon] . Hetzelfde geldt voor de directe toezichthouder bij de werkzaamheden, de eerste operator [naam eerste operator] . Hij was de eerst aangewezen persoon om het karwei stil te leggen als het niet op een veilige manier kon worden uitgevoerd. Ondanks het feit dat de monteurs aangaven dat zij chloorlucht roken, zei de toezichthouder dat dit geen kwaad kon en heeft hij de monteurs zonder perslucht laten doorwerken. Ook hij heeft daarmee welbewust de keuze gemaakt om de werknemers zonder noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen aan de klus te laten (door)werken, waarmee ook hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gevaren voor de gezondheid van de mens en voor het milieu zich konden verwezenlijken. Dit terwijl de toezichthouder net als de wachtchef anders had moeten handelen. Nu het beiden leidinggevenden van deze locatie van [naam verdachte rechtspersoon] betreffen, wordt het opzet van deze medewerkers toegerekend aan [naam verdachte rechtspersoon] . Om die reden wordt het verweer van de raadsman verworpen. Ongewoon voorval De raadsman heeft bepleit dat het ontsnappen van de geringe hoeveelheid chloorgas die in dit geval is vrijgekomen niet is aan te merken als een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.2 van de Wet milieubeheer, waardoor geen melding van het incident gemaakt hoefde te worden. Om die reden dient verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het vrijkomen van chloorgas, hoe weinig ook, kan worden beschouwd als een afwijking of verstoring van de normaal gangbare bedrijfsprocessen, waardoor het aan te merken is als een ongewoon voorval. De rechtbank overweegt dat uit het enkele feit, dat zoveel chloorgas is ontsnapt dat daardoor twee monteurs ter behandeling naar het ziekenhuis moeten gaan, al blijkt dat het een ongewoon ongeval van een zodanige omvang betreft, dat dit aan het bevoegd gezag, te weten de provincie Zuid-Holland, gemeld had moeten worden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman. Opzet feit 2 De raadsman heeft bepleit dat opzet op het niet-melden van een ongewoon voorval niet kan worden bewezen. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de heer [naam manager] , manager Quality, Health, Safety and Environment bij [naam verdachte rechtspersoon] , heeft v op 16 april 2013 te Rotterdam, op de [adres delict] opzettelijk, als degene die op het perceel de [adres delict] aldaar een inrichting voor onder andere het produceren van chemische producten, zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, dreef, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer had voorgedaan, te weten het vrijkomen van chloorgas tijdens het demonteren van een afsluiter van een chloorleiding, waarbij [naam monteur 1] en [naam monteur 2] dat chloor(gas) hadden ingeademd, dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen heeft gemeld, te weten de provincie Zuid-Holland. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Rechtsdwaling De raadsman heeft aangevoerd dat bij verdachte ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde sprake was van afwezigheid van alle schuld, omdat men er kort gezegd van uitging dat door het voorval geen nadelige gevolgen voor het milieu dreigden te ontstaan, waardoor geen melding hoefde te worden gemaakt van het incident. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam verdachte rechtspersoon] wordt, net als ieder ander, geacht de wet te kennen. Dit geldt in het bijzonder voor wet- en regelgeving die betrekking heeft op haar specifieke bedrijfsvoering. Dit betekent dat [naam verdachte rechtspersoon] melding had moeten maken van het incident. Er is niet gesteld of gebleken dat [naam verdachte rechtspersoon] door het bevoegde gezag in dit geval anders is geïnstrueerd. Er is evenmin een andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straf 8.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1 en 2, de in zaak B onder 1 en 2 bewezen geachte feiten en alle ad informandum gevoegde feiten onder parketnummer [nummer] zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 450.000,-. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de gevorderde geldboete aanzienlijk te matigen en de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Deze vordering is niet eenvoudig van aard en op basis daarvan dient geen bedrag te worden toegekend. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Bij [naam verdachte rechtspersoon] is in april 2013 chloorgas ontsnapt bij werkzaamheden, waarbij twee monteurs dit gas hebben ingeademd. Zij zijn vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd. Deze monteurs hadden nooit zonder adembescherming mogen werken. Dat dit toch gebeurd is, is mede te wijten aan het moedwillig afgeven van de verkeerde werkvergunning door de verantwoordelijke wachtchef. Ook de toezichthouder, die de bevoegdheid had om het werk stil te leggen als het niet veilig was, heeft de monteurs laten doorwerken ondanks hun klacht over een waargenomen chloorlucht. Deze gang van zaken acht de rechtbank zeer ernstig en een professioneel bedrijf onwaardig. Dit geldt des temeer nu [naam verdachte rechtspersoon] er ook nog voor heeft gekozen dit incident voor zich te houden en niet te melden aan de bevoegde autoriteit. Dit incident weegt in de straftoemeting voor de rechtbank dan ook het zwaarst. In januari 2015 heeft opnieuw een incident plaats Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, acht de rechtbank het opleggen van een geldboete van € 100.000,- passend en geboden. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou deze geldboete € 125.000,- zijn geweest. De geldboete is minder hoog dan door de officier van justitie geëist, aangezien de rechtbank minder bewezen acht, zij artikel 23 lid 7 Sr niet toepast en komt tot een andere weging van de feiten en de ernst van de verwijtbaarheid. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [naam benadeelde] vordert € 677,34 aan materiële schadevergoeding (zo meent de rechtbank te begrijpen uit de bij het schadevergoedingsformulier aangeleverde rekeningen). Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is betwist, omdat niet duidelijk is welk bedrag de benadeelde partij vordert en of dit (of een deel daarvan) door de verzekering is vergoed. De behandeling van de vordering levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Om die reden zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank merkt hierbij op dat ter zitting door [naam verdachte rechtspersoon] is verklaard dat zij in beginsel bereidheid is schade die [naam benadeelde] geleden mocht hebben door het ten laste gelegde incident en die nog onvergoed is, alsnog te betalen. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op: - de artikelen 23, 51, 55, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, - de artikelen 2.1 en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, - de artikelen 5 en 25 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, - artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet, - de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Zaak A ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon; Zaak B eendaadse samenloop van: ten aanzien van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon; en ten aanzien van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 17.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [naam verdachte rechtspersoon] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 100.000 ,- (honderdduizend euro). Verklaart [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter, mrs. F.W. Pieters en M.R.J. van Wel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Bucx, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2017. Bijlage Tenlastelegging [naam verdachte rechtspersoon] Aan [naam verdachte rechtspersoon] is ten l