Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-01
ECLI:NL:RBROT:2017:8912
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/497936 / HA ZA 16-302 Vonnis van 1 november 2017 in de zaak van de stichting STICHTING VBV (VERZEKERINGSBUREAU VOERTUIGCRIMINALITEIT) , gevestigd te Apeldoorn, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. R.R. Schuldink te Hardenberg, tegen 1 [gedaagde 1] wonende te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALTIJD RAAK PENDERS (DE) MONTAGE B.V. , gevestigd te Vlaardingen, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALTIJD RAAK PENDERS AUTO'S & PARTS B.V. , gevestigd te Vlaardingen, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALTIJD RAAK PENDERS BEHEER B.V. , gevestigd te Vlaardingen, 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PENDERS VASTGOED B.V. , gevestigd te Vlaardingen, gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel. Partijen zullen hierna VbV en Penders c.s. genoemd worden. Afzonderlijk zullen Penders c.s. worden genoemd: Penders, (De) Montage, Auto’s & Parts, Beheer en Vastgoed. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de overgelegde producties de akte overlegging producties tevens akte van correctie, van VbV de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, van Penders c.s. de brief van de griffier van 19 augustus 2016, houdende de opgave van hetgeen ter comparitie aan de orde gesteld zal worden de akte overlegging producties en van vermindering van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, van VbV de comparitie van partijen op 28 oktober 2016 de “spreekaantekeningen mr. Schepel tijdens comparitie van partijen” de “pleitnotities van mr. drs. van der Wende” de akte overlegging producties tevens akte vermeerdering van eis, van VbV de antwoordakte tevens akte vermeerdering eis van 5 april 2017, van Penders c.s. de akte uitlating tevens houdende verzet tegen vermeerdering van eis, van VbV. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald. 2 De feiten in conventie en reconventie 2.1. VbV is ingesteld door de vereniging Verbond voor Verzekeraars (VvV) ten behoeve van de bestrijding van voertuigcriminaliteit. 2.2. ( De) Montage heeft een groothandel in autosloopmaterialen. Ook handelt zij in, en repareert, personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder van deze vennootschap. Beheer is enig aandeelhouder van deze vennootschap. 2.3. Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van Beheer. 2.4. Auto’s & Parts handelt in, en repareert, personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Voorts legt zij zich toe op de groothandel en handelsbemiddeling in auto-onderdelen en auto-accessoires. Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap. 2.5. Vastgoed exploiteert onroerende zaken die worden gebruikt in ondernemingen van Penders. Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap. 2.6. Tijdens controles door de Belastingdienst, Brandweer, Douane, Rijksdienst voor het Wegverkeer, Arbeidsinspectie, Stedin en/of de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, zijn op bedrijfsterreinen van ondernemingen van Penders auto-onderdelen en/of auto’s aangetroffen die afkomstig zijn van verduistering of diefstal. 2.7. ( De)Montage heeft met de officier van justitie op 23 oktober 2014 een transactie ex artikel 74 Sr. gesloten. In deze transactie staat onder meer dat de Officier van Justitie aan (De)Montage het - door (De)Montage aanvaarde - aanbod doet: “dat hij niet vervolgd zal worden ter zake van de volgende misdrijven/overtredingen: - artikel 3.26a Activiteitenbesluit door de opslag van motorblokken en/of autowrakken met vloeistoffen die niet boven een vloeistofdichte vloer plaatsvond op 6 november 2013 en 1 mei 2014; - artikel 3.26a Activiteitenbesluit door het te hoog stapelen van autowrakken op 6 november 2013 en 1 mei 2014; - artikel 4.1 Activiteitenbesluit Gelet op de gedetailleerde betwisting door verweerders van allerlei relevante feiten zal vastgesteld moeten worden met betrekking tot welke zaken sprake is van heling respectievelijk onrechtmatig handelen en wat de daardoor ontstane schade is. Het door verzoekster gekozen uitgangspunt dat de (door een verzekeraar uitgekeerde) dagwaarde van een gestolen auto verhaalbare schade is, ook al is bij verweerders alleen het motorblok van die auto aangetroffen komt de voorzieningenrechter vooralsnog veel te ongenuanceerd voor. Ook zal de rol van ieder van verweerders duidelijk moeten worden. 2.4.5 Gebleken is dat door de op basis van het voorlopig gegeven verlof uitgevoerde beslaglegging en in bewaargeving het bedrijf van verweerders volkomen plat is gelegd. Waar toch vrij vergaande onduidelijkheid bestaat omtrent de (aard en mate van) aansprakelijkheid (van wie) van verweerders en de hoogte van de schade, maar anderzijds een bepaalde mate van aansprakelijkheid niet kan worden uitgesloten, is een beslag als verzocht (en voorlopig verleend) gezien de hierdoor voor verweerders ontstane en te verwachten gevolgen disproportioneel. Ter zitting is gebleken dat de onroerende zaken slechts in beperkte mate belast zijn en de WOZ-waarde hoger is dan de gepretendeerde vordering. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen voorzover verzocht is beslag te mogen leggen op de onroerende zaken en de aandelen van D.C.S Penders in de besloten vennootschap Altijd Raak Penders Beheer B.V. en de besloten vennootschap Altijd Raak Penders Auto's & Parts. 2.4.6 Omdat met betrekking tot de hoogte van de schade een groot aantal onduidelijkheden bestaat valt deze moeilijk te begroten. De voorzieningenrechter zal de vordering vooralsnog in redelijkheid begroten op € 500.000,-. 2.4.7 Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat met deze beschikking de op basis van het voorlopig verlof gelegde beslagen voor zover daarvoor thans geen definitief verlof wordt verleend, alsmede de gerechtelijke bewaring, van rechtswege zijn vervallen.” 2.11. Penders c.s. hebben bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt tegen VbV. In die procedure is vonnis gewezen op 10 februari 2016. In het vonnis staat onder meer: “3.3. Na en als gevolg van beschikking d.d. 2 februari 2016 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (zaaknummer/rekestnummer: C/10/493361/KG RK 16-92) staat vast dat VbV de door haar ingevolge het voorlopig verleende beslagverlof, dat bij de definitieve beslissing niet is gehandhaafd, reeds feitelijk in beslag genomen en in bewaring gestelde roerende zaken van Penders zonder recht of titel onder zich houdt. Op vragen van de voorzieningenrechter heeft VbV erkend dat dit in beginsel het geval is en verklaard bereid te zijn om de door haar in beslag genomen roerende zaken van Penders vrijdag 12 februari 2016 doch in elk geval binnen 5 dagen na betekening van het vonnis aan Penders terug te brengen. Zij is van mening dat dit beginsel zich niet uitstrekt tot de 11 auto's en 40 motoren waarvan de identificatienummers (VIN) zijn verwijderd of onleesbaar gemaakt. VbV heeft ter zitting aangegeven dat zij er principiële bezwaren tegen heeft om die 11 auto's en 40 motoren, waarvoor zeer sterke aanwijzingen bestaan dat deze van diefstal afkomstig zijn, weer terug in het handelsverkeer te brengen. De voorzieningenrechter acht geen van de redenen die VbV aanvoert als onderbouwing voor de gestelde uitzondering valide. De beslissing in meergenoemde beschikking brengt mee dat de oorspronkelijke grond voor de inbeslagname en daarmee het wegvoeren en in bewaring nemen van ook deze roerende zaken is komen te vervallen. Penders wordt vermoed eigenaar van deze zaken te zijn, doch zelfs als zij dat niet is heeft VbV geen recht om deze zaken onder zich (of haar bewaarder) te houden. Het zonder recht of titel onder zich houden van roerende zaken van Penders is een vorm van eigenrichting van VbV die binnen een rechtstaat ni hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van de hiervoor omschreven conservatoire beslagen daaronder begrepen, alsmede tot betaling van de nakosten tot een bedrag van € 131,-, zonder betekening, dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, tot een bedrag van € 199,-, waarbij betaling van € 131,- respectievelijk € 205,- en de overige proceskosten dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, bij gebreke waarvan Penders c.s. over deze nakosten de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente verschuldigd zullen worden. VbV stelt daartoe het volgende. 3.2. Penders c.s. verwerken gestolen voertuigen en gestolen auto-onderdelen, onder andere middels sloop, vernietiging, het ontdoen van identiteit, het (medewerking geven aan) omkatten en het gewoontehelen van gestolen voertuigen en onderdelen. Uit de processen-verbaal van de politie blijkt dat op terreinen van Penders c.s. veel voertuigen en/of voertuigonderdelen zijn aangetroffen die als gestolen geregistreerd staan. Onderdelen uit één en dezelfde gestolen auto zijn aangetroffen op verschillende bedrijfsterreinen van of in gebruik bij Penders c.s. De voertuigen worden door Penders c.s. gesloopt en de onderdelen weer gebruikt bij het omkatten van voertuigen of het in de handel brengen van deze "oneerlijke" onderdelen. Van veel voertuigen en/of voertuigonderdelen zijn het VIN (Voertuig Identificatienummer) of andere kenmerken verwijderd, zodat de voertuigen en/of -onderdelen zijn ontdaan van hun identiteit. Buiten het door de fabrikant aangebrachte VIN worden in of aan voertuigonderdelen nog andere voor identificatie geschikte kenmerken aangebracht. Dit betreft onder andere type-, fabrieks- of opbouwplaatjes, die door de fabrikant, elk op de voor hen eigen wijze en plaats, worden aangebracht. In diverse gevallen houden fabrikanten, importeurs en leveranciers van deze onderdelen gegevens daarover bij. Deze gegevens zijn niet voor de openbaarheid bestemd. De grote hoeveelheid aangetroffen van hun identiteit ontdane voertuigen en/of voertuigonderdelen geeft aan - ook vanwege het feit dat er geen sprake is van een afdoende DOR-registratie (verplicht ex art. 437 Sr.) door Penders c.s. - dat Penders c.s. dat zelf doen. Door deze handelwijze van Penders c.s. wordt mogelijk gemaakt dat voertuigen worden omgekat, waarbij de identiteit van een schadevoertuig, bijvoorbeeld het VIN en andere identiteitskenmerken worden omgezet in een gestolen voertuig. De grote hoeveelheid bij Penders c.s. aangetroffen voertuigen en -onderdelen welke als gestolen zijn geregistreerd, duidt op gewoonteheling. Verwijdering van identificatienummers kan maar één doel hebben: het verhullen van de criminele herkomst. Het bezit van voertuigen en motorblokken met kennelijk opzettelijk verwijderde identificatienummers levert op grond van vaste rechtspraak van de strafrechter heling en/of witwassen op. Daarenboven houden Penders c.s. geen, dan wel een zeer ondeugdelijke registratie van de voertuigen en de voertuigonderdelen bij, waardoor diefstal van voertuigen in de hand wordt gewerkt, immers bij deugdelijke registratie kan blijken dat een aangekocht of ingeruild voertuig als gestolen of verduisterd staat geregistreerd. Door deugdelijke registratie wordt de pakkans van de dief of degene die heeft verduisterd aanmerkelijk vergroot. Deze registratie is wettelijk verplicht. Artikel 437 Sr., het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, Sr, en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Vlaardingen eisen dat handelaren in gebruikte goederen en (sinds oktober 2012) metalen een register bijhouden. Artikel 2 onder c van dat Uitvoeringsbesluit eist dat de handelaar in het register vermeldt: “ een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is soort, merk en nummer van het goed .” Tot op heden blijven Penders c.s. in gebreke met het juist en v De schade blijkt uit twee rapporten van HBS Expertise B.V., de dato 26 april 2016 en 21 juni 2016. Vordering B 3.6. VbV heeft de dwangsommen verbeurd die haar bij kort gedingvonnis van 10 februari 2016 waren opgelegd. Dit vonnis is op 10 februari 2016 betekend. Uiterlijk op 11 februari 2016 had VbV derhalve uitvoering moeten geven aan het vonnis. Dat heeft zij niet gedaan. Tot op heden zijn de in beslag genomen zaken nog steeds niet allemaal geretourneerd. VbV erkent zelfs dat zij een deel van de spullen heeft weggegooid. Uit het proces-verbaal van 16 februari 2016 van de door Penders bij wijze van controle ingeschakelde deurwaarder, blijkt dat niet alle goederen die bij inbeslagname waren gelabeld, waren geretourneerd (productie 35). VbV heeft derhalve sinds 11 februari 2016 tot aan de datum van de conclusie van eis in reconventie 132 keer de dwangsom van € 25.000,- per dag verbeurd, tot het maximum van € 500.000,-. Vordering C 3.7. Penders c.s. hebben € 79.378,46 aan kosten gemaakt die VbV dient te vergoeden: € 51.378,59 kosten rechtsbijstand. Penders c.s. bepleiten hierbij een volledige proceskostenveroordeling van VbV wegens misbruik van procesrecht c.q. onrechtmatig handelen, wegens de schade die door het beslag is veroorzaakt en omdat het verhaalsbeslag als bewijsbeslag is gebruikt. € 17.109,87 kosten deurwaarder, noodzakelijk vanwege de onzorgvuldige registratie bij inbeslagname. € 10.890,00: begeleiding en registratie door HBS bij het terugnemen van de inbeslaggenomen goederen en het opstellen van de schaderapporten. Vordering D 3.8. Penders c.s. lijden schade aan de inventaris, aan de opstallen, aan de roerende zaken, bedrijfsschade als gevolg van stagnatie, omzetschade, herstelschade, reputatieschade, bewakingskosten en kosten van alarmopvolging. VbV dient deze te vergoeden, verminderd met het sub A gevorderde (de rechtbank begrijpt: mits toegewezen), nader te begroten en op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; Vordering E 3.9. De door VbV gelegde beslagen dienen opgeheven te worden. Er is nodeloos op diverse vermogensbestanddelen beslag gelegd. De beslagen onroerende zaken bieden al afdoende verhaal. VbV heeft de voorzieningenrechter ten behoeve van het voorlopige beslagverlof onjuist geïnformeerd en het voorlopige verleende verlof misbruikt als bewijsbeslag. Vordering F 3.10. VbV dient de (volledige) proceskosten van Penders c.s. te vergoeden. 3.11. VbV voert verweer in reconventie en concludeert tot afwijzing van het gevorderde. 3.12. De stellingen en weren zullen, voor zover nodig, in de beoordeling worden besproken. 4 De beoordeling in conventie en reconventie in conventie en reconventie 4.1. De processuele handelwijze van VbV is niet steeds geheel overeenkomstig de eisen van een goede procesorde. VbV wijzigt haar stellingname, vult deze aan, zij corrigeert zichzelf, verwijst naar de verkeerde productie, de vordering wordt eerst verminderd en vervolgens vermeerderd en een wezenlijk deel van de conclusie van antwoord in reconventie (vanaf randnummer 93) staat ook al in de dagvaarding (vanaf randnummers 3 en 66). Deze conclusie is bovendien mede een verkapte (niet vooraf door de rechtbank toegestane) conclusie van repliek in conventie. VbV poogt ook, zoals nog zal blijken, de hoedanigheid waarin zij procedeert te wijzigen en ook om met een statutenwijziging lopende de onderhavige procedure haar vorderingsgerechtigdheid te sauveren. VbV heeft aldus niet voldaan aan haar plicht om haar stellingname, ook ten aanzien van haar vorderingsgerechtigdheid, zo geconcentreerd en duidelijk mogelijk naar voren te brengen. Het voert echter te ver om aan deze handelwijze van VbV in deze procedure consequenties te verbinden (behoudens wellicht, te zijner tijd, in de sfeer van de proceskosten), nu nog wel voldoende duidelijk is wat het standpunt van VbV uiteindelijk is en Penders c.s. zich dus nog steeds adequaat kunnen verweren. verder in conventie 4.2. De rechtbank zal eerst de formele en bevrijdende weren beoorde Geen rechtsregel verplicht VbV of de volmachtgevers tot het kiezen voor “cessie ter incasso” (zijnde overigens geen wettelijk benoemde rechtsfiguur, zodat slechts door uitleg zou kunnen worden vastgesteld of het dan zou gaan om een echte cessie of om een last/volmacht ter incasso), in plaats van voor volmacht. 4.12. VbV heeft op dit punt haar stellingname gewijzigd. In haar conclusie van antwoord in reconventie heeft VbV gesteld dat sprake is van cessie in plaats van volmacht. Ter comparitie stelt VbV: “VbV heeft van meet af aan op eigen naam schadevergoeding gevorderd en is inmiddels via de aktes van cessie eigenaar geworden van de vorderingen. VbV was van meet af aan formele en materiële procespartij en is niet tussentijds van jasje veranderd. ” Deze stellingname is feitelijk onjuist, nu in de dagvaarding wordt gesteld dat sprake is van volmacht, en dus niet van cessie. Een procespartij mag lopende de procedure niet de hoedanigheid waarin zij in de procedure optreedt wijzigen. VbV kan niet eerst optreden voor een ander en dan later in de procedure voor zichzelf. Penders c.s. voeren aan dat beoordeling van het geschil moet (blijven) plaats vinden op de grondslag van volmacht en niet van cessie. De rechtbank onderschrijft dit verweer, zodat beoordeling zal blijven plaats vinden op de grondslag van volmacht. niet-ontvankelijkheid VbV art. 3:305a BW 4.13. Art. 3:305a BW is alleen relevant bij vordering III, nu dit artikel blijkens lid 3 daarvan niet toepasselijk is op geldvorderingen (zijnde de vorderingen I en II). Vordering III bestaat, samengevat, uit de navolgende drie deelvorderingen: 1) een verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld - jegens VbV en/of de belanghebbenden bij de betreffende goederen - door thans gestolen auto’s en onderdelen voorhanden te hebben die afkomstig zijn uit gestolen auto’s. 2) een verklaring voor recht dat in de toekomst onrechtmatig zal worden gehandeld - jegens VbV en/of de belanghebbenden bij de betreffende goederen - door nog meer gestolen auto’s en onderdelen uit gestolen auto’s te verwerven. 3) een vordering tot vernietiging van de onder 1 genoemde goederen. 4.14. Ten aanzien van vordering III sub 1 (de reeds aangetroffen auto’s en/ of auto-onderdelen) oordeelt de rechtbank als volgt. Als jegens de volmachtgevers onrechtmatig mocht blijken te zijn gehandeld dan volgt, vanzelfsprekend, reeds daaruit dat voor recht verklaard kan worden dat er onrechtmatig is gehandeld. Daar heeft VbV art. 3:305a BW niet voor nodig, zij heeft ook uit hoofde van de volmachten voldoende belang. Er valt echter niet in te zien waarom Penders c.s. alsdan ook jegens VbV zelf onrechtmatig hebben gehandeld. VbV lijdt zelf geen schade door heling van auto-onderdelen en ten aanzien van art. 3:305a BW dient het te gaan om een vordering ten behoeve van de door VbV vertegenwoordigde belanghebbenden en om een bundeling van gelijksoortige belangen. Voldaan moet zijn aan de eisen van artikel 3:305a lid 2 BW. VbV dient zich daaromtrent nader uit te laten, nu haar stellingen tot dusver dat punt onvoldoende behandelen. 4.15. Vordering III sub 2 (de toekomstige auto’s en/ of auto-onderdelen) zal worden afgewezen, ongeacht wat art. 3:305a BW bepaalt. De vordering is toch al niet toewijsbaar. Indien reeds op voorhand blijkt dat de handelingen waarvan in dit geding wordt gevorderd deze verboden te verklaren, op zodanige wijze zijn omschreven dat zij niet alle of niet onder alle omstandigheden onrechtmatig zijn, en de vraag of zij al dan niet onrechtmatig zijn, anders dan in geval van in het verleden verrichte handelingen, ook niet aan de hand van de omstandigheden van het geval kan worden onderzocht, is de verklaring voor recht onvoldoende concreet omschreven (HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693). Dit doet zich hier voor. Het is niet zonder meer altijd onrechtmatig om auto-onderdelen in bezit te hebben die afkomstig blijken te zijn van diefstal. De vraag of Penders c.s. te goeder trouw hebben gehandeld bij de verwerv Penders is ook niet veroordeeld voor heling, laat staan voor opzet/gewoonteheling. De twee overige vennootschappen (Beheer en Vastgoed) valt eventueel onrechtmatig handelen evenmin toe te rekenen, nu de activiteiten van deze twee vennootschappen niet, naar Penders c.s. onbetwist stellen, zien op inkoop van (al dan niet gestolen) goederen maar op beheer van de vennootschappen en van onroerend goed. 4.22. De verdere beoordeling (in conventie) zal derhalve plaatsvinden tegen alleen de (De) Montage en Auto’s & Parts. De andere gedaagden kunnen in ieder geval niet aansprakelijk worden gehouden. 4.23. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid van (De) Montage en Auto’s & Parts ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Daarvoor zou vereist zijn dat de werkmaatschappijen in groepsverband onrechtmatig hebben gehandeld, maar uit de stellingen van VbV valt niet (goed) af te leiden dat als groep is gehandeld respectievelijk waarom VbV meent dat dat het geval is. Een concernverband is niet voldoende voor hoofdelijke aansprakelijkheid. Het gaat om twee verschillende bedrijven die op andere adressen zijn gevestigd. Er blijkt niet - en ook is er onvoldoende onderbouwd gesteld - dat het personeel op beide locaties werkt en dus ook niet dat dezelfde personen op beide locaties (gesteld) gestolen waar inkochten. Dat bij beide bedrijven auto-onderdelen zijn aangetroffen die afkomstig zijn uit één en dezelfde gestolen auto is op zich zelf ook niet voldoende voor een ander oordeel. 4.24. Over het gestelde onrechtmatig handelen wordt als volgt geoordeeld. 4.25. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat het hier om roerende goederen, niet zijnde-registergoederen gaat (auto-onderdelen en/ of auto’s). De bezitter van een dergelijk goed wordt vermoed te goeder trouw te zijn. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Is een bezitter eenmaal te goede trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven. Volgens HR 4 april 1986, NJ 1986, 810 is voor goede trouw niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen, dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. 4.26. Als (De) Montage en Auto’s & Parts auto’s of auto-onderdelen in bezit hebben (gehad) waarvan zij bij de verwerving wisten of behoorden te weten dat deze goederen afkomstig zijn van diefstal, dan zijn zij niet te goeder trouw geweest en hebben zij ook toerekenbaar onrechtmatig gehandeld, door in strijd te handelen met de wet. 4.27. Bij de beoordeling of (De) Montage en Auto’s & Parts te goeder trouw waren maakt de rechtbank een onderscheid tussen: - complete auto’s - auto-onderdelen waarop autofabrikanten kenmerken hebben aangebracht waardoor deze fabrikanten in staat zijn te onderzoeken uit welke auto deze onderdelen afkomstig zijn, en waaruit dus ook kan blijken dat die auto gestolen of verduisterd is (“auto-onderdelen met een fabrikantenregistratie”) - auto-onderdelen waarop het VIN ontbreekt/ is verwijderd - auto-onderdelen waarop het VIN nog aanwezig is. complete auto’s 4.28. VbV stelt in haar dagvaarding (randnummer 15) dat op 1 december 2011 op het adres [adres] 9 voertuigen, en op een later moment nog 2 voertuigen zijn aangetroffen die als gestolen of verduisterd geregistreerd staan. VbV verwijst daarbij, zowel in haar dagvaarding als in haar productieoverzicht, naar haar productie 5. Productie 5 ziet echter op de statuten van VbV. (De) Montage en Auto’s & Parts erkennen wel dat er één gestolen auto is aangetroffen. Zij geven hiervoor als reden aan dat het stallen van die auto op verzoek van een andere garage is gedaan die geen ruimte had en ruzie zou hebben met een klant, en dat de garage nu “verdwenen” is. Dit is een merkwaardige verklaring (waarom is de auto, Het is in strijd met de rechtszekerheid om een strafrechtelijke bepaling ruimer uit te leggen dat deze is geformuleerd. Een administratieplicht voor handelaren in auto-onderdelen in de APV van de gemeente Vlaardingen (ex art. 437ter Sr.) is gebaseerd op art. 437 Sr. en mag dus geen verdergaande werking hebben dan art. 437 Sr. Voorts is dit besluit gewijzigd bij besluit van 6 oktober 2012, dat de temporele werking beperkt tot verwerking en voorhanden hebben na 1 januari 2013. Artikel 2 houdt een aantal verplichtingen in. Het geautomatiseerde systeem DOR is door een aantal gemeenten aangewezen als register in de zin van dat besluit, doch Vlaardingen heeft dat kennelijk (nog) niet gedaan. Deze kwestie is nog niet aan de orde geweest in de onderhavige procedure. Ter vermijding van een verrassingsbeslissing zal VbV in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of art. 437 Sr een wettelijke administratieplicht voor de professionele inkoper van auto-onderdelen inhoudt, en haar stellingen op dat punt een deugdelijk te onderbouwen. (De) Montage en Auto’s & Parts zullen hierop mogen reageren. auto-onderdelen waarop het VIN ontbreekt 4.32. Volgens VbV zijn er minstens 11 voertuigen en 40 motorblokken zonder Voertuig Identificatienummer (VIN) aangetroffen bij Penders c.s. 4.33. Een auto dient voorzien te zijn van een VIN, ook wel aangeduid als chassisnummer of framenummer. Deze code kan ingeslagen zijn dan wel op een op het chassis/frame gemonteerd plaatje zitten. Dit nummer geeft het voertuig een unieke identiteit. Dit nummer moet door de fabrikant worden aangebracht. Alleen in bijzondere gevallen mag de RDW onder strikte voorwaarden een nieuw VIN inslaan. Het aanbrengen, dan wel veranderen van identificatienummers door particulieren of bedrijven is niet toegestaan. Wanneer een nieuw VIN wordt ingeslagen, wordt het eerder aangebrachte VIN leesbaar doorgehaald. Op zichzelf is het toegestaan een motor op te bouwen met onderdelen van verschillende motoren, maar daarbij moet de herkomst van de onderdelen traceerbaar blijven en mogen er geen veranderingen in de identificatienummers worden aangebracht (vgl. Rechtbank Maastricht 20 januari 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3519). De Ministeriële Regeling Voertuigen en Bijlage I bij deze regeling (die zijn gebaseerd op Richtlijn 2007/46/EG en de Wegenverkeerswet) bepalen in dit verband onder meer: -artikel 2.1: “1 In het kader van een aanvraag tot inschrijving of tenaamstelling, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld. 2 Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen. 3 Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in bijlage I.” -artikel 5.2.1 lid 3: “3. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.” (deze regel heeft betrekking op personenauto’s. Voor een aantal andere voertuigen kent de Regeling voertuigen soortgelijke bepalingen). - Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid: […] In deze bijlage wordt verstaan onder: […] voertuigidentificatienummer: gestructureerde combinatie van tekens die de voertuigfabrikant oorspronkelijk aan een voertuig heeft toegekend en heeft ingeslagen, dan wel dat door de Dienst Wegverkeer is ingeslagen, met het doel om, zonder gebruikmaking van verdere informatie, het voertuig eenduidig te identificeren.” In een brief van de RDW aan VbV staat hierover: “Overigens, de enige reden in de optiek van de RDW waarom een identificatienummer (bijvoorbeeld chassisnummer of motorbloknummer) is weggeslepen, is om het onmogelijk te maken dat de wederrechtelijke herkomst van het hoofdonderdeel - van welk voertuig is het Omdat niet duidelijk was om welke VIN-onderdelen het hier gaat hebben (De) Montage en Auto’s & Parts nog geen goede mogelijkheid gehad om ten aanzien van ieder afzonderlijk VIN-onderdeel verweer te voeren ter zake van de goede trouw bij de verwerving van het desbetreffende onderdeel. (De) Montage en Auto’s & Parts zullen dit alsnog mogen doen. auto-onderdelen waarop het VIN nog aanwezig is 4.40. Als de rechtbank mocht komen te oordelen dat geen administratieplicht geldt voor de inkoper van auto-onderdelen, dan zal dat oordeel ook gelden ten aanzien van die auto-onderdelen waarop het VIN nog aanwezig is. Het is kennelijk mogelijk om aan de hand van het VIN te achterhalen om welke auto het gaat, maar als voor dat onderdeel geen administratieplicht geldt kan ook niet zonder meer worden uitgegaan van een onderzoeksplicht om het systeem te raadplegen waaruit blijkt tot welke auto het onderdeel behoorde. Zonder administratieplicht zal dit registratiesysteem overigens ook nog eens onvolledig (kunnen) zijn. Een auto-onderdeel met een VIN is geen registergoed en VbV stelt geen feiten of omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat (toch) van een professionele inkoper van auto-onderdelen gevergd mag worden dat hij een deugdelijk en niet te bezwaarlijk onderzoek verricht, en kán verrichten, naar de herkomst van een door hem in te kopen auto-onderdeel met daarop een VIN. Aangetekend zij nog dat het debat van partijen niet de kwestie omvat of de RDW, dan wel enige andere organisatie, hierin (wel) op betrouwbare en niet te bezwaarlijke wijze uitsluitsel zou kunnen geven. Dit debat zal in deze procedure ook niet meer worden toegestaan. Dit zou strijd opleveren met de goede procesorde, gelet op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen over de wijze van procederen door VbV. (De) Montage en Auto’s & Parts mogen niet geconfronteerd blijven worden met steeds weer nieuwe verwijten. Bovendien zou ook dit onredelijke vertraging van de procedure opleveren. omvang van de schade 4.41. Partijen houdt verdeeld of de schade dient te worden gesteld op de waarde van het desbetreffende auto-onderdeel (standpunt (De) Montage en Auto’s & Parts) dan wel op de waarde van de gehele auto waaruit het onderdeel afkomstig is (standpunt VbV). 4.42. De rechtbank is van oordeel dat hier geen conditio sine qua non verband aanwezig is tussen het stelen van een auto en het gestelde helen van auto-onderdelen door (De) Montage en Auto’s & Parts. VbV stelt niet dat (De) Montage en Auto’s & Parts opdracht gaven aan de dief om een bepaalde auto te stelen zodat de onderdelen daarvan ingekocht konden worden. En in onderhavig geval is, anders dan in het vonnis van de rechtbank Gelderland van 14 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:7041 waarnaar Vbv verwijst, geen sprake van een strafrechtelijke veroordeling wegens opzetgewoonteheling. De rechtbank acht het ook niet redelijk om (ex art. 6:98 BW) de schade die veroorzaakt is door diefstal van de gehele auto toe te rekenen aan (De) Montage en Auto’s & Parts, als gestelde helers van alleen het auto-onderdeel. 4.43. De schade zal, ingeval van aansprakelijkheid van Penders c.s., dus worden begroot aan de hand van de waarde van het onderdeel zelf. Schadevergoeding dient tot herstel in de oude toestand. Mogelijk kan ter bepaling van de schade worden aangeknoopt bij de uitkering die de verzekering zou doen als alleen het onderdeel vergoed had moeten worden, of anders wellicht bij de prijs van een gelijkwaardig onderdeel op de vrije markt. Partijen kunnen zich hier desgewenst nog over uitlaten. verder in reconventie 4.44. De rechtbank neemt het oordeel in conventie hier over. 4.45. De rechtbank acht de eisvermeerdering van Penders c.s. niet in strijd met de goede procesorde. VbV heeft op deze eisvermeerdering deugdelijk kunnen reageren. VbV heeft zelf ook meerdere eiswijzigingen ingediend terwijl voorts haar eigen procesvoering, zoals gezegd, niet steeds uitblinkt in duidelijkheid. Vordering A (schade door de beslagleging) 4.46