Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-03
ECLI:NL:RBROT:2017:8423
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 17/319 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. S. Duinhouwer. Procesverloop Bij besluit van 26 augustus 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiseres op haar aanvraag van 12 april 2016 een individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2016 toegekend van € 100,-. Bij afzonderlijk besluit van 26 augustus 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 14 april 2016 om een individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2016 afgewezen. Bij besluit van 21 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 en 27 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van mr. A.K. Ramdas. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. L.A. Bouter en mr. J.C. Avedissian. De zaken ROT 16/8330 tot en met ROT 16/8342, ROT 16/8369 tot en met ROT 16/8371, ROT 16/8373 tot en met ROT 16/8376, ROT 16/8378 tot en met ROT 16/8382, ROT 16/8385, ROT 16/8386, ROT 16/8388, ROT 16/8390, ROT 16/8454, ROT 16/8465, ROT 16/8470, ROT 16/8471, ROT 16/8477, ROT 16/8479, ROT 16/8481 tot en met ROT 16/8484, ROT 17/7, ROT 17/8, ROT 17/13, ROT 17/14, ROT 17/41, ROT 17/44, ROT 17/45, ROT 17/47 tot en met ROT 17/51, ROT 17/53, ROT 17/60, ROT 17/84 tot en met ROT 17/87, ROT 17/104, ROT 17/158, ROT 17/161, ROT 17/164, ROT 17/165, ROT 17/170, ROT 17/171, ROT 17/217, ROT 17/318, ROT 17/319, ROT 17/343 tot en met ROT 17/349, ROT 17/408, ROT 17/454, ROT 17/487, ROT 17/492, ROT 17/495, ROT 17/502, ROT 17/521 tot en met ROT 17/523, ROT 17/525, ROT 17/529, ROT 17/530, ROT 17/534, ROT 17/537 tot en met ROT 17/541, ROT 17/548, ROT 17/550, ROT 17/553, ROT 17/554, ROT 17/590, ROT 17/599, ROT 17/601 tot en met ROT 17/604, ROT 17/624, ROT 17/629, ROT 17/631, ROT 17/634 tot en met ROT 17/637, ROT 17/641 tot en met ROT 17/643, ROT 17/646, ROT 17/648, ROT 17/650, ROT 17/667, ROT 17/829, ROT 17/830, ROT 17/832, ROT 17/837, ROT 17/840 tot en met ROT 17/842, ROT 17/844, ROT 17/864, ROT 17/866, ROT 17/869, ROT 17/871, ROT 17/874, ROT 17/876 tot en met ROT 17/878, ROT 17/880, ROT 17/882 tot en met ROT 17/886, ROT 17/910, ROT 17/913, ROT 17/914, ROT 17/916 tot en met ROT 17/931, ROT 17/952, ROT 17/953, ROT 17/997, ROT 17/1049, ROT 17/1061, ROT 17/1217, ROT 17/1218, ROT 17/1220 tot en met ROT 17/1222, ROT 17/1224 tot en met ROT 17/1227, ROT 17/1230, ROT 17/1232 tot en met ROT 17/1235, ROT 17/1244, ROT 17/1312, ROT 17/1715, ROT 17/1997, ROT 17/2314 tot en met ROT 17/2330, ROT 17/2334 tot en met ROT 17/2337, ROT 17/2355, ROT 17/2760, ROT 17/2764, ROT 17/3122, ROT 17/3177, ROT 17/3249, ROT 17/3278, ROT 17/3314, ROT 17/3694 en ROT 17/3919 zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld. Overwegingen 1. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden. 2. Eiseres stelt dat de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016 (ViiP Rotterdam 2016) onverbindend moet worden verklaard. Zij stelt zich op het standpunt dat verweerder op onredelijke en onjuiste wijze invulling geeft aan de hem toebedeelde beoordelingsvrijheid. Daartoe voert zij het volgende aan. 2.1. Misleiding Standpunt eiseres Door de individuele inkomenstoeslag op grond van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2015 (ViiP Rotterdam 2015) enkel toe te kennen aan personen binnen de leeftijdsgroep van 18 tot en met 27 jaar heeft verweerder bijstandsgerechtigden en personen met een minimumloon misleid. Zij konden daardoor in het jaar 2015 geen aanvraag om individuel Standpunt verweerder Omdat in artikel 36 van de Pw geen nadere voorschriften zijn opgenomen over de hoogte van de individuele inkomenstoeslag, beschikt verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de individuele inkomenstoeslag over een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Daarnaast betwist verweerder dat hij bij de vaststelling van de hoogte aansluiting heeft moeten zoeken bij het lokale armoede- en participatiebeleid. De Memorie van Toelichting bevat geen eis om aansluiting te zoeken bij het lokale beleid. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat hij de motieven voor vaststelling van de hoogte, de vormgeving van het lokale armoede- en participatiebeleid en in hoeverre de gemeenteraad al dan niet aansluiting heeft gezocht bij dit lokale beleid niet hoeft te motiveren. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1483, rechtsoverweging 4.4. Oordeel rechtbank Artikel 36, eerste lid, van de Pw bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen zicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen. Tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, worden op grond van het tweede lid ieder geval gerekend de krachten en bekwaamheden van de persoon en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Artikel 8 van de Pw bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Pw. Zoals in de uitspraak van deze rechtbank van 27 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1483, is overwogen, heeft het volgende te gelden. De gemeenteraad heeft op 7 juli 2016 de ViiP Rotterdam 2016 vastgesteld. De ViiP Rotterdam 2016 is gelet op het bepaalde in artikel 10 in werking getreden op 22 juli 2016. De hoogte van de toegekende individuele inkomenstoeslag volgt rechtstreeks uit artikel 5 van de ViiP Rotterdam 2016. Op grond van deze bepaling bedraagt de individuele inkomenstoeslag € 50,- per toeslagjaar. Deze bepaling biedt geen mogelijkheid tot differentiatie al naar gelang de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen. Uit artikel 36 van de Pw vloeit voort dat acht moet worden geslagen op de omstandigheden van een persoon bij de beantwoording van de vraag of deze persoon in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag, wat de gemeenteraad bij het vaststellen van de nieuwe verordening onmiskenbaar heeft gedaan. Artikel 36 van de Pw vergt niet dat deze omstandigheden opnieuw in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de hoogte van de toeslag. Ook uit de Memorie van Toelichting op de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 22), waarnaar eiseres in haar beroepschrift verwijst, volgt dit niet. De Memorie van Toelichting vermeldt het volgende: " In het regeerakkoord is afgesproken dat de langdurigheidstoeslag in de bijstand wordt vervangen door een individuele toeslag voor personen die langdurig van een laag inkomen rond moeten komen zonder dat zij zicht hebben op verbetering van dat inkomen. De regering hecht eraan te benadrukken dat deze individuele toeslag evenals de individuele bijzondere bijstand is bedoeld voor personen die deze - gelet op hun individuele omstandigheden - echt nodig hebben. (…) De regering is van mening dat de beoordeling of er al dan niet sprake is van "zicht op inkomensverbetering" door het college aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval moet plaatsvinden. De huidige mogelijkheid tot het categoriaal benaderen van de doelgroep van de langdurigheidstoeslag en daarmee het risico dat de inkomensondersteuning tot een ongerichte verstrekkin De rechtbank leest hier niet in dat bij het toekennen van de individuele inkomenstoeslag onderscheid moet worden gemaakt tussen gehuwden, alleenstaanden en gezinnen en dat de individuele inkomenstoeslag dus geïndividualiseerd moet worden. Zoals verweerder terecht opmerkt maakt de Pw niet in alle gevallen onderscheid naar leefvorm, zoals bijvoorbeeld niet bij de toekenning van bijzondere bijstand. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel is dus geen sprake. Dit betoog faalt. 2.4. Gelijkheidsbeginsel Standpunt eiseres De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wijkt in grote mate af van naburige gemeenten (Schiedam, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen). Daarmee is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Standpunt verweerder Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit artikel 8, eerste lid, onder b, in samenhang met het tweede lid van dat artikel en artikel 36 van de Pw niet volgt dat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag geïndividualiseerd moet worden. De wetgever heeft op grond van die genoemde artikelen de regeling van de individuele inkomenstoeslag gedecentraliseerd. Iedere gemeenteraad heeft de bevoegdheid gekregen om naar eigen inzicht binnen dit wettelijk kader de individuele inkomenstoeslag vorm te geven. Dat de regeling over de individuele inkomenstoeslag afwijkt van omliggende gemeenten, maakt niet dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, aldus verweerder. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 26 oktober 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AD1274, en de uitspraak van deze rechtbank van 27 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1483, rechtsoverwegingen 4.3. en 4.5. Oordeel rechtbank Zoals in voornoemde uitspraak van 27 februari 2017 is overwogen, heeft het volgende te gelden. De omstandigheid dat de gemeentes Schiedam, Capelle aan den IJssel en Vlaardingen hogere individuele inkomenstoeslagen verstrekken dan de gemeente Rotterdam maakt niet dat de gemeenteraad van Rotterdam dit ook moet doen. De mogelijkheid van het bestaan van verschillen tussen gemeentes is inherent aan de uit artikel 36 van de Pw aan de gemeentes toekomende bevoegdheid en meer in het algemeen aan de decentrale uitvoering van de Pw. Op basis van dit artikel kan iedere gemeenteraad binnen de grenzen van zijn verordenende bevoegdheid autonoom een verordening vaststellen zonder daarbij de verordeningen van andere gemeenteraden te betrekken. Dit betoog faalt. 2.5. Gelet op het voorgaande faalt de beroepsgrond dat de ViiP Rotterdam 2016 onverbindend verklaard moet worden omdat verweerder op een onredelijke en onjuiste wijze invulling geeft aan de hem toebedeelde beoordelingsvrijheid. 3. De rechtbank begreep dat eiseres als beroepsgrond stelt dat verweerder het bezwaar tegen de ViiP Rotterdam 2016 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er bezwaar en beroep kan worden ingediend tegen een verordening. Ter zitting heeft mr. Rahman desgevraagd verklaard dat hij deze beroepsgrond niet heeft bedoeld te stellen, zodat de rechtbank hierover geen oordeel hoeft te geven. 4. Eiseres stelt dat het besluit op bezwaar is genomen in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe voert zij het volgende aan. 4.1. Er is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat verweerder in het besluit op bezwaar een nieuw standpunt inneemt en eiseres hier niet over is gehoord. Mr. Rahman heeft deze beroepsgrond ter zitting ingetrokken. 4.2. Er is sprake van strijd met het motiveringsbeginsel, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de individuele inkomenstoeslag voldoende is als financiële ondersteuning en de individuele inkomenstoeslag voldoet aan de doelstelling van armoedebestrijding. Mr. Rahman heeft deze beroepsgrond ter zitting ingetrokken. 4.3. Er is sprake van strijd met het motiveringsbeginsel, omdat verweerder het artikel 44 van de Pw niet ten grondslag heeft gelegd aan het besluit op bezwaar. Ter zitting heeft m