Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-10-09
ECLI:NL:RBROT:2017:8096
Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/120053-17 Datum uitspraak: 9 oktober 2017 Tegenspraak Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , gemachtigde drs. P.J. van Zuidam, kantoorhoudende te Lelystad. 1 Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2017. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2017 tot en met 30 maart 2017te Sassenheim, gemeente Teylingen, in elk geval in Nederlandals degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam minderjarige] ,geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010,niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingenvan de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere,die als leerling van een school, te weten Openbare Basisschool Het Bolwerk,stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht. ( art 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 ) 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. S. Verhoek heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een geldboete, groot € 375,--, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis; 4 Het standpunt van de verdachte De gemachtigde heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De verdachte is met zijn gezin in januari 2017 vanuit Sassenheim verhuisd naar Achthuizen. In Sassenheim bezocht de zoon van de verdachte, [naam minderjarige] , de openbare basisschool ‘Het Bolwerk’. Door de verhuizing was het ondoenlijk geworden om [naam minderjarige] dagelijks de school te laten bezoeken. De ouders hebben de basisschool ‘Het Bolwerk’ verzocht om [naam minderjarige] uit te schrijven als leerling. De school weigerde aan dit verzoek te voldoen. Voor het feit dat [naam minderjarige] na de verhuizing de school niet meer bezocht kunnen de ouders in gegeven omstandigheden van dagelijks benodigde reisafstand en reistijd van huis naar school niet verantwoordelijk worden gehouden. De reis van huis naar school bedraagt tenminste 90,6 kilometer. Zulk op en neer reizen zou schadelijk zijn geweest voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van [naam minderjarige] . De verdachte kan daarom niet verantwoordelijk worden geacht voor het niet naar school gaan van [naam minderjarige] . De verdachte dient om die reden vrijgesproken te worden. Subsidiair voert de gemachtigde aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte op grond van zijn levensovertuiging, de Islam, recht op vrijstelling heeft als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw). De verdachte heeft voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het verkrijgen van een vrijstelling: hij heeft een kennisgeving van het beroep op vrijstelling gedaan aan de gemeente Goeree- Overflakkee, welke kennisgeving tevens een verklaring inhield dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen een redelijke afstand van de woning gelegen scholen. De kennisgeving van het beroep op vrijstelling is direct na de verhuizing naar de nieuwe woongemeente binnengekomen. Daarmee is voldaan aan artikel 6 lid 2 Lpw. De kennisgeving bevatte de door artikel 8 lid 1 van de Lpw vereiste mededeling ‘dat tegen het onderwijs op alle binnen redelijke afstand gelegen scholen onderscheidenlijk instelling waarop [naam minderjarige] geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan’. In deze zaak bestempelt artikel 8 lid 2 Lpw het door de ouders ingediende beroep op artikel 5 onder b Lpw als ongeldig, omdat er op redelijke afstand van hun nieuwe woning een school voor [naam minderjarige] beschikbaar is, die zelfde richting voert als die van de school waarop [naam minderjarige] in het 7 De dossierstukken De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende dossierstukken: het proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 17 maart 2017 met bijlagen; het proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 30 maart 2017 met bijlagen; de brief, met bijlagen, van de gemachtigde van 22 augustus 2017; de brief, met bijlagen, van de gemachtigde van 20 september 2017. 8 De beoordeling Uit de stukken blijkt dat: - [naam minderjarige] sinds 23 mei 2014 als leerling ingeschreven stond bij de Openbare Basisschool ‘Het Bolwerk’ te Sassenheim; - de verdachte met zijn gezin, waaronder [naam minderjarige] , in januari 2017 naar Achthuizen is verhuisd; - [naam minderjarige] sinds 9 januari 2017 geen onderwijs meer gevolgd heeft op genoemde basisschool; - [naam minderjarige] in juli 2017 is uitgeschreven als leerling van deze basisschool; - [naam minderjarige] sindsdien niet meer is ingeschreven op een (andere) basisschool. Ter terechtzitting is naar voren gebracht dat de verdachte en zijn vrouw welbewust ervoor hebben gekozen om [naam minderjarige] thuisonderwijs te geven, omdat er niet in de nabijheid van hun woning een Islamitische school aanwezig is. Vanwege hun levensovertuiging, de Islam, willen de verdachte en zijn vrouw [naam minderjarige] niet meer naar een openbare basisschool laten gaan. Zij hebben daarvoor een kennisgeving van hun beroep op artikel 5 sub b Lpw gestuurd aan de gemeente Goeree-Overflakkee. Naar het oordeel van de kantonrechter staat echter het bepaalde in artikel 8 lid 2 Lpw het onderhavige beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw in de weg, gelet op het feit dat [naam minderjarige] tot voor kort ingeschreven heeft gestaan op de openbare basisschool ‘Het Bolwerk’. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat artikel 8 lid 2 Lpw in strijd is met artikel 8 EVRM. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In het arrest van de Hoge Raad (HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338) is overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school geregeld bezoekt en dat slechts in de in art. 5 in verbinding met art. 8 Lpw omschreven gevallen een beroep kan worden gedaan op vrijstelling van deze verplichting. Met deze regeling wordt beoogd het recht op onderwijs voor het kind te garanderen. Gelet op het belang dat een kind zich binnen een (scholen)gemeenschap, waaraan ook andere kinderen deelnemen, kan ontwikkelen en vormen, maakt in een geval als het onderhavige het tweede lid van art. 8 Lpw geen ongerechtvaardigde inbreuk op de door art. 8 en 14 EVRM gewaarborgde rechten. Voor de beoordeling relevante verschillen tussen voornoemde zaak en de onderhavige zaak, zijn door de verdachte niet gesteld en zijn de kantonrechter ook overigens niet gebleken. De kantonrechter is mitsdien, nu er in hetgeen is aangevoerd door de verdachte geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor een andere opvatting, van oordeel dat artikel 8 lid 2 Lpw ook in de onderhavige zaak geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op family life. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling van zijn verplichting om zijn zoon [naam minderjarige] in te schrijven bij een school of instelling, c.q. deze na inschrijving geregeld te doen bezoeken. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd. Namens de verdachte is nog een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 2, tweede lid Lpw. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de verdachte niet onderbouwd op welke gronden hij niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het niet inschrijven van c.q. geregeld doen bezoeken door [naam minderjarige] van een school. De enkele reisafstand tussen de voormalige basisschool en de nieuwe woonplaats is daartoe, wat daarvan overigens ook zij, immers