Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2017-04-19
ECLI:NL:RBROT:2017:2822
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,413 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 16/174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2017 in de zaak tussen
[eiseres] ,
te [plaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. O. Arslan,
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,
gemachtigde: mr. K. Janssens.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres drie bestuurlijke boetes opgelegd van in totaal € 2.100,- wegens twee overtredingen van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen (het Warenwetbesluit) in verbinding met Verordening (EG) 852/2004 en een overtreding van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen.
Bij besluit van 1 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op 19 mei 2015 omstreeks 10.55 uur is de vestiging van de onderneming van eiseres aan de [adres] bezocht door een controleambtenaar van de NVWA.
2. Uit het rapport van bevindingen van 22 juni 2015 over deze inspectie blijkt het volgende.
2.1.
Onverpakte bederfelijke eetwaar werd niet op zodanige wijze gekoeld vervoerd of in voorraad gehouden dat de temperatuur van de waar ten hoogste 7 ºC bedroeg
(beboetbaar feit 1). De controleambtenaar heeft daartoe de volgende feiten geconstateerd.
Van deze etenswaren die in de verkoopkoelvitrine lagen is met een gekalibreerde kernthermometer vastgesteld dat de temperatuur 7 ºC of hoger bedroeg:
8 broodjes belegd met tonijnsalade 13,7 ºC ;
6 broodjes belegd met lamsshoarma 17,0 ºC en
7 broodjes gezond belegd met o.a. feta kaas 20,0 ºC.
2.2.
Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking kwamen, waren niet afdoende schoongemaakt (beboetbaar feit 2). Daartoe is het volgende geconstateerd.
In de keuken stond een koelcel. De metalen rekken in de koelcel waren bezet dan wel verontreinigd met zwarte schimmel en stof.
2.3.
De bedrijfsruimten voor levensmiddelen waren niet schoon en niet goed onderhouden (beboetbaar feit 3). Daartoe is het volgende geconstateerd. De keuken was niet schoon. In de keuken:
waren de wanden van de koelcel in de naden bezet dan wel verontreinigd met zwarte schimmel;
was de vloer van de keuken en achter de counter in de hoeken en langs de randen op diverse plaatsen bezet dan wel verontreinigd met aangekoekt vuil.
3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres in haar hoedanigheid van exploitant van een levensmiddelenbedrijf in de bedrijfsuitoefening hygiënevoorschriften, zoals neergelegd in het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, in verbinding met Verordening (EG) 852/2004, heeft overtreden (beboetbare feiten 2 en 3) en dat sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, in samenhang met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van het Warenwetbesluit (beboetbaar feit 1). Voor beboetbaar feit 1 is een boete opgelegd van € 525,-, voor beboetbaar feit 2 een boete van € 525,- en voor beboetbaar feit 3 een boete van € 1.050,-. In totaal bedraagt het boetebedrag € 2.100,-. Verweerder heeft geen aanleiding gezien voor matiging.
4. Eiseres bestrijdt de overtredingen 2 en 3. Ten aanzien van overtreding 3 (de bedrijfsruimten voor levensmiddelen waren niet schoon) heeft eiseres aangevoerd dat zij het gebruikelijk acht dat de keukenvloer en de toonbank tijdens de inspectie, die tijdens openingstijden plaatsvond, bezet dan wel verontreinigd zijn. Zij heeft erop gewezen dat zij volgens een vast schoonmaakrooster werkt dat dagelijks door de filiaalmanager wordt gecontroleerd. Verder heeft zij erop gewezen dat de schoonmakers pas aan het einde van de dag komen. Ook stelt eiseres dat de hoogte van de opgelegde boete voor overtreding 3 niet evenredig is aan de ernst van de geconstateerde feiten. Volgens eiseres had verweerder op grond van zijn beleid moeten volstaan met het geven van een waarschuwing. Met betrekking tot overtreding 2 (artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen werden niet afdoende schoongemaakt en zonodig ontsmet) heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Zij heeft erop gewezen dat de controleambtenaar in het rapport van bevindingen in slechts twee regels heeft weergegeven wat hij ter zake heeft geconstateerd. Volgens eiseres is er daarbij geen rekening gehouden met de feitelijke situatie, doordat de controleambtenaar bijvoorbeeld niet naar de functie van de vriescel, in het rapport van bevindingen volgens eiseres ten onrechte aangeduid als koelcel, heeft geïnformeerd. Ook bij deze overtreding had verweerder volgens haar op grond van zijn beleid moeten volstaan met een waarschuwing.
5.1.
Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat eiseres geen gronden van bezwaar tegen de beboetbare feiten 2 en 3 zou hebben aangevoerd. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Uit het aanvullend bezwaarschrift (pagina 2, vijfde alinea, vijfde regel en verder “Overigens staat er onder het kopje reiniging en desinfectie”) volgt dat eiseres ook in bezwaar tegen deze twee beboetbare feiten gronden heeft gericht. Eiseres is (volledig) ontvankelijk in haar beroep.
5.2.
Eiseres heeft niet betwist dat zij beboetbaar feit 1 heeft gepleegd, zodat verweerder bevoegd was haar ter zake daarvan een boete van € 525,- op te leggen.
5.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van hetgeen de controleambtenaar van de NVWA met betrekking tot de hygiënische staat van de bedrijfsruimten voor levensmiddelen en de artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen heeft opgenomen in het rapport van bevindingen van
22 juni 2015. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de in het rapport van bevindingen geconstateerde feiten betreffende de bedrijfsruimten volgt dat het aangetroffen vuil - anders dan eiseres heeft betoogd - niet als normaal dag- of werkvuil kan worden aangemerkt maar dat de tijdens de inspectie geconstateerde vervuiling het gevolg is van structureel niet of onvoldoende schoonhouden van de bedrijfsruimten. De omstandigheid dat eiseres volgens een vast schoonmaakrooster werkt dat dagelijks door de filiaalmanager wordt gecontroleerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat overtreding 2 (artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen werden niet afdoende schoongemaakt en zonodig ontsmet) in het rapport van bevindingen voldoende feitelijk is onderbouwd. Tijdens de inspectie is geconstateerd dat de metalen rekken van de vriescel verontreinigd waren met zwarte schimmel en stof. Nu in een vries- of koelcel levensmiddelen worden bewaard, is het voor de hygiëne noodzakelijk dat deze schoon is. Dat was niet het geval tijdens de inspectie.
5.4.
Het betoog van eiseres dat verweerder bij de overtredingen 2 en 3 op grond van zijn beleid had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing, slaagt niet. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht waarom bij de overtredingen 2 en 3 telkens sprake is van een ernstige overtreding waarbij zonder voorafgaande waarschuwing direct een boete wordt opgelegd. Deze toelichting houdt in dat als bij een inspectie van een bedrijfsruimte of uitrustingsstukken is geconstateerd dat niet is voldaan aan één van de basisvoorwaarden, zoals hygiëne of inrichting, en dit leidt of zal leiden tot een onveilig product, sprake is van een ernstige overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige overtreding.
5.5.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder bevoegd was aan eiseres boetes op te leggen ter zake van de geconstateerde overtredingen 1, 2 en 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.
5.6.
Eiseres heeft aangevoerd dat de opgelegde boetes onevenredig hoog zijn.
5.7.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.