Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-12-06
ECLI:NL:RBROT:2017:10393
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/519730 / HA ZA 17-113 Vonnis van 6 december 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. D.N.N. Jansen te Amsterdam, tegen DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST , kantoorhoudende te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. N.M. Korstenbroek te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser] en de Ontvanger genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 10 januari 2017, met producties; het exploot van 16 januari 2017 aan de zijde van de Ontvanger met het verzoek de procedure vervroegd aan te brengen; de conclusie van antwoord van 15 maart 2017, met producties; de oproepingsbrief van de rechtbank van 26 april 2017; het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 5 juli 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast. 2.2. [eiser] exploiteert een bedrijf in de vorm van een eenmanszaak. 2.3. Ten laste van [eiser] zijn door de Ontvanger zestien dwangbevelen (hierna: de dwangbevelen) uitgevaardigd, strekkende tot invordering van de aan [eiser] opgelegde aanslagen inkomstenbelasting, inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet, motorrijtuigenbelasting en voor terugvorderingsbeschikkingen toeslagen over (tijdvakken in) de jaren 2011 tot en met 2016. 2.4. Op 23 november 2016 heeft de belastingdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op de inboedel van [eiser] en de auto in gebruik bij [eiser] (hierna: de auto). 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verklaring voor recht dat: ‘Eiser goed opposant is tegen de tenuitvoerlegging van de door gedaagde uitgevaardigde dwangbevelen ter zake van bovenvermelde belastingaanslagen en dat deze dwangbevelen dientengevolge buiten effect zijn gesteld’, alsmede veroordeling van de Ontvanger tot: ‘a. opheffing van alle op grond van deze dwangbevelen gelegde beslagen en nog te leggen beslagen; b. zich te onthouden van enige invorderingmaatregelen ter zake van die belastingaanslagen; c. [tot] vergoeding van alle door het handelen van gedaagde in dezen veroorzaakte, reeds belopen en nog te belopen, schade, zoals nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de hierover reeds belopen en nog te belopen wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 BW; d. tot vermindering van de in rekening gebrachte betekeningskosten tot nihil dan wel tot een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; e. vergoeding van de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen.’ 3.2. De Ontvanger voert verweer en verzoekt om ‘bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het verzet van [eiser] ongegrond te verklaren en zijn overige vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiser] , eveneens uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten’. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen. 4.2. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn verzet - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. 4.2.1. Hij beschikt niet over de middelen om de belastingschulden te voldoen; wegens persoonlijke problemen en het niet goed behartigen van de belangen van [eiser] door de boekhouder die de administratie van zijn onderneming deed, is [eiser] in financiële problemen geraakt. Inmiddels zijn de problemen onder controle, maar hij heeft niet de financiële middelen om al zijn schulden in een keer af te lossen. 4.2.2. De aangekondigde verkoop is onevenredig en buiten proportioneel; de verkoop van roerende zaken betekent het einde van de onderneming van [eiser] , terwijl de onderneming levensvatbaar is. 4.2.3. De Ontvanger heeft de auto al eens verkocht aan een derde, zod De rechtbank oordeelt dat hetgeen [eiser] heeft aangevoerd niet kan leiden tot gegrondverklaring van het verzet. Zij heeft daarbij het volgende overwogen. 4.4.1. Voor zover [eiser] zijn stelling dat hij niet over voldoende middelen beschikt om zijn belastingschulden te voldoen, heeft aangevoerd als (zelfstandige) grond, geldt dat het niet kunnen betalen geen grond is waarop de gevorderde staking van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan worden toegewezen. 4.4.2. Ter comparitie heeft [eiser] het punt dat de auto niet nogmaals verkocht kan worden laten varen. Dit onderdeel behoeft daarmee geen nadere bespreking. 4.4.3. Indien de executie van een dwangbevel een disproportionele maatregel is, vormt dit een grond waarop het verzet tegen de executie van het dwangbevel kan worden toegewezen. Als uitgangspunt bij de beoordeling van de proportionaliteit geldt dat de bij de wet aan de Ontvanger gegeven bevoegdheid om tot uitwinning over te gaan voor hem een onmisbaar instrument is tot invordering, ten behoeve van de schatkist en daarmee van het algemeen belang, van op andere wijze niet te innen belastinggelden (zie onder andere het ook door de Ontvanger aangehaalde arrest Hof ’s-Gravenhage 15 juli 1993, VN 1993, 2579). Slechts in bijzondere omstandigheden zal het belang van de belastingschuldige zwaarder moeten wegen dan het genoemde algemeen belang. Daarbij zal met name moeten worden gedacht aan omstandigheden waarin tegenover het nadeel voor de belastingplichtige geen enkel voordeel voor de Ontvanger staat of omstandigheden waarin er een zodanige onevenredigheid is tussen het voordeel voor de Ontvanger en het nadeel dat de belastingplichtige lijdt door de executie, dat de Ontvanger naar redelijkheid niet tot die uitoefening mag overgaan. 4.4.4. Niet in geschil is dat een executieverkoop van de beslagen goederen geld op zal brengen. Ter comparitie heeft [eiser] weliswaar gesteld dat de waarde van de auto, die in 2015 € 1.500 heeft opgebracht sindsdien in waarde is afgenomen, en dat de inboedel vaak niet meer dan € 2.000 opbrengt, maar dat de opbrengst nihil zou zijn, is niet gesteld noch aannemelijk. Er is dus sprake van een voordeel voor de Ontvanger. 4.4.5. Van omstandigheden waarin er een zodanige onevenredigheid is tussen het voordeel voor de Ontvanger en het nadeel dat de belastingplichtige lijdt door de executie, dat de Ontvanger naar redelijkheid niet tot die uitoefening mag overgaan, is evenmin gebleken. 4.4.6. De hiervoor onder 4.3.2 aangehaalde argumenten voor het standpunt van de Ontvanger dat [eiser] op basis van de Leidraad niet in aanmerking komt voor een betalingsregeling, zijn niet, of onvoldoende, betwist. Ter comparitie heeft [eiser] bovendien bevestigd dat er door de Ontvanger in 2016 een betalingsregeling is aangeboden, dat dat op niets is uitgelopen en dat hij nalatig is geweest. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [eiser] weliswaar heeft gesteld dat er een afspraak is gemaakt met zijn advocaat en boekhouder om de situatie aan te pakken en de schulden aan de Ontvanger te voldoen, maar dat de Ontvanger daar onweersproken tegenin heeft gebracht dat [eiser] al een half jaar een advocaat heeft en dat er zich sindsdien geen veranderingen hebben voorgedaan met betrekking tot betaling aan de Ontvanger. De (door [eiser] gestelde) winst van de onderneming van [eiser] over 2016 van € 55.000 is niet aangewend om de belastingschuld te verkleinen en onderbouwende bescheiden omtrent de te verwachten resultaten van die onderneming ontbreken. 4.4.7. De conclusie is dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de Ontvanger geen belang heeft om tot tenuitvoerlegging en executie over te gaan, en evenmin dat zijn belang zwaarder dient te wegen dan het belang van de Ontvanger. Het verzet moet dan ook ongegrond worden verklaard en de overige vorderingen afgewezen. 4.5. De Ontvanger heeft verzocht het onderhavige vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat het verzet van [eiser] evident kansloos is. 4.5.1. De rechtbank o