Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-09
ECLI:NL:RBROT:2017:10228
RECHTBANK ROTTERDAM VONNIS Parketnummer: 10/994581-13 (Promis) Datum uitspraak: 9 november 2017 Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte rechtspersoon] , gevestigd op het adres [vestigingsadres verdachte rechtspersoon] , [vestigingsplaats verdachte rechtspersoon] , Duitsland. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 oktober 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.M.J. de Rijck en van wat de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, [naam] , de raadsvrouw mr. M.M.A.J. Goris en dr. mr. A. Oexle, advocaat te Keulen (Duitsland) naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 22 mei 2014 – ten laste gelegd dat zij in of omstreeks de periode van 11 januari 2013 tot en met 23 januari 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub e en/of sub f van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers, was/waren zij en/of (een of meer van) haar mededader(s) doende vijf, in ieder geval een of meer, container(s) (containernummer(s) [containernummer 1] en/of [containernummer 2] en/of [containernummer 3] en/of [containernummer 4] en/of [containernummer 5] ) waarvan de inhoud bestond uit gemengd metaalafval (mixed metal scrap), zijnde (een) afvalstof(fen) die is/zijn opgenomen code B1050 van Bijlage IX van het Verdrag van Bazel en/of van Bijlage III van voornoemde Verordening, over te brengen van Duitsland via Nederland naar China, in ieder geval van Nederland naar China, terwijl die overbrenging resulteerde in een nuttige toepassing die in strijd is met verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie, in elk geval met de communautaire regelgeving en/of terwijl China de invoer van die afvalstoffen had verboden, aangezien (de overbrenging van) die afvalstof(fen) (telkens) niet vergezeld ging(en) van een een CCIC-certificaat; en/of zij in of omstreeks de periode van 11 januari 2013 tot en met 23 januari 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 lid 35 onder g) sub iii) van de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers, was/waren zij en/of (een of meer van) haar mededader(s)) doende vijf, in ieder geval een of meer, container(s) (containernummer(s) [containernummer 1] en/of [containernummer 6] en/of [containernummer 3] en/of [containernummer 7] en/of [containernummer 5] ) waarvan de inhoud bestond uit gemengd metaalafval (mixed metal scrap), zijnde (een) afvalstof(fen) die is/zijn opgenomen onder code B1050 van bijlage IX van het Verdrag van Bazel en/of van Bijlage III van voornoemde Verordening, zijnde (telkens) (een) voor nuttige toepassing bestemde afvalstof(fen) van Bijlage III bij deze Verordening die valt/vallen onder de algemene informatieverplichtingen zoals vastgesteld in artikel 18 van deze Verordening, over te brengen van Duitsland via Nederland naar China, in ieder geval van Nederland naar China, terwijl die overbrenging(en) geschiedde(n) op een wijze die (telkens) niet feitelijk was gespecificeerd in het/de in Bijlage VII van deze Verordening document, immers, was (telkens) op dat/die Bijlage VII document(en) de inrichting voor nuttige toepassing (vak 7) niet (juist) ingevuld. 3 Voorvragen 3.1. Geldigheid van de dagvaarding De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van het gedeelte van ‘in elk geval met de communautai Verdachte heeft ook op Bijlage VII onjuist vermeld door wie het afval verwerkt zou worden en heeft daarmee artikel 2 onder 35 sub g onder iii van de EVOA overtreden. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van overtreding van artikel 2 onder 35 sub f van de EVOA, gezien het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:95). 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar hetzelfde arrest van de Hoge Raad vrijspraak bepleit van overtreding van artikel 2 onder 35 sub f van de EVOA. Overtreding van artikel 2 onder 35 sub e van de EVOA kan evenmin bewezen worden, nu deze bepaling ziet op de verwerking van afvalstoffen en Verordening 1418/2007 ziet op de overbrenging van afvalstoffen. Van een overbrenging was nog geen sprake. 4.4 Het oordeel van de rechtbank - Overtreding van artikel 2 onder 35 sub e en/of f EVOA Vast staat dat sprake is van uitvoer uit Nederland van een afvalstof in de zin van de EVOA naar een land (te weten: China), waarop het OESO-besluit niet van toepassing is (hierna: een niet-OESO land) met als doel een nuttige toepassing. Op deze uitvoer zijn de artikelen 36 en 37 van de EVOA van toepassing. Artikel 36, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat de uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing verboden is voor onder andere: “f) afvalstoffen waarvan het land van bestemming de invoer heeft verboden”. Artikel 37 betreft afvalstoffen genoemd in bijlage III of IIIA waarvan de uitvoer niet reeds is verboden krachtens artikel 36. In artikel 37 is geregeld dat de Commissie een schriftelijk verzoek - de Questionnaire - aan ieder niet-OESO land zendt, waarop ieder niet-OESO land schriftelijk kan bevestigen dat de afvalstoffen (met het oog op de nuttige toepassing in dat land) vanuit de Unie mogen worden uitgevoerd en voorts kenbaar maakt welke controleprocedure in dat land zal worden toegepast. Als reactie op de Questionnaire zijn er voor de niet-OESO landen drie mogelijkheden: een verbod, een voorafgaande kennisgeving met schriftelijke toestemming zoals beschreven in artikel 35 van de EG Verordening en geen controle in het land van bestemming. China heeft voor de afvalstof met code B1050 voor wat betreft mixed metal scrap bevestigd dat het afval voor nuttige toepassing mag worden uitgevoerd naar China en daarbij antwoord c) (geen controle) aangevinkt. China heeft dus niet gekozen voor een invoerverbod ex artikel 36 van de EVOA. China heeft aan haar antwoord op de Questionnaire toegevoegd dat voor sommige stoffen (waaronder B1050) een andere controleprocedure volgens het toepasselijke nationale recht zal worden gevolgd. Deze ‘andere procedure’ brengt met zich dat voor invoer drie documenten vereist zijn, waaronder het CCIC-certificaat. China heeft - bij het antwoord op de Questionnaire - geschreven dat het niet is toegestaan een lading afval die niet aan alle vereisten voldoet, te importeren. Het invoeren van afvalstoffen zonder te zijn vergezeld van een CCIC-certificaat is dus verboden. De Commissie heeft na ontvangst van de antwoorden van de niet-OESO landen de EG‑verordening 1418/2007 vastgesteld (op basis van artikel 37, tweede lid van de EVOA). In die verordening zijn de antwoorden op de Questionnaire opgenomen en heeft de Commissie - naast de kolommen a), b) en c) - in een kolom d) vermeld of er in het land van bestemming volgens het toepasselijke nationale recht andere controleprocedures worden gevolgd. In genoemde EG‑verordening 1418/2007 is uit B1050 het mixed metal scrap in kolom d) opgenomen en niet in de kolom met verboden stoffen (kolom a)). De opname in kolom d) en niet in kolom a), betekent dat er geen sprake is van een verbod als bedoeld in artikel 36 van de EVOA. Artikel 2 onder 35 sub f van de EVOA verbiedt handelen in strijd met de artikelen 34, 36, 39, 40, 41 en 43. Nu er geen sprake is van een handelen in strijd met artikel 36 (voor de uitvoer van deze stof naar China geldt immers geen uitvoerverbod) of één van de andere genoemde art Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens verontschuldigbare dwaling. Verdachte heeft steeds in de veronderstelling verkeerd dat geen CCIC-certificaat was vereist voor de uitvoer van onderhavige afvalstoffen naar China. Tot de uitspraak van de Hoge Raad in 2015 is er lange tijd onzekerheid over dit onderwerp geweest. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Nimmer heeft ter discussie gestaan dat een CCIC-verklaring vereist was voor de overbrenging van sommige afvalstoffen naar China, waaronder voor de afvalstoffen in de onderhavige zaak. De onzekerheid heeft zich beperkt tot de vraag welke bepaling uit de EVOA werd overtreden indien het vereiste CCIC-certificaat ontbrak. Dat een CCIC-certificaat voor deze afvalstoffen was vereist is steeds duidelijk geweest en verdachte behoorde dat als professionele marktpartij te weten. Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, als de rechtbank aan de vraag naar strafoplegging toe komt, aan verdachte geen straf moet worden opgelegd, gelet op het ruimschoots overschrijden van de redelijke termijn en de complexiteit van Europese regelgeving waar verdachte mee te maken heeft. 8.3. Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft gehandeld in strijd met de EVOA, door administratieve voorschriften die zijn verbonden aan het vervoeren van afvalstoffen naar China, niet na te leven. Verdachte heeft in vijf gevallen de vereiste Bijlage VII immers niet juist ingevuld en in vijf (niet geheel overlappende) gevallen afvalstoffen vervoerd terwijl de vereiste CCIC-certificaten ontbraken. In totaal gaat het om zeven containers waarbij in strijd met de EVOA is gehandeld. De geschonden bepalingen in de EVOA beogen internationale transporten van afvalstoffen te reguleren teneinde ongewenste gevolgen dan wel risico’s voor het milieu te vermijden. Het doel van de EVOA is namelijk dat voorkomen moet worden dat verontreinigde partijen afval ongecontroleerd de grens passeren, waardoor de bevoegde autoriteiten zich niet goed op de hoogte kunnen stellen en niet alle nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu en niet de mogelijkheid hebben op goede gronden bezwaar te maken tegen de overbrenging. Om zorgvuldige en snelle controle van internationaal transport van afvalstoffen mogelijk te maken, is onder meer voorgeschreven dat Bijlage VII volledig dient te worden ingevuld. Het nalaten daarvan is weliswaar een administratieve omissie, maar evengoed een belangrijke schakel in het gehele proces van verantwoord transporteren van afvalstoffen. Voor de veiligheid en regulering van overbrenging van afvalstoffen is het essentieel dat volledige en correcte informatie beschikbaar is over de zending. Verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het controlesysteem van de EVOA geschonden en de bij de milieuvoorschriften betrokken belangen van bescherming van het milieu ondermijnd. Bij het bepalen van een passende straf heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat zij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in aanzi