Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-12-22
ECLI:NL:RBROT:2017:10111
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 3 zaaknummer: ROT 16/3677 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te Goudswaard, gemeente Korendijk, eiseres, gemachtigde: mr. D. Timmerman, en de Minister van Infrastructuur en Milieu , thans de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder, gemachtigde: mr. D.L.N. Sugiharto-Ong. Procesverloop Bij besluit van 10 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn beslissing op schrift gesteld om met ingang van 19 september 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen bestaande uit het treffen van maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding en tot opruiming van de verontreiniging van het oppervlaktewater in de jachthaven van eiseres op de locatie [adres] Daarbij heeft verweerder beslist dat de kosten van de bestuursdwang, groot € 14.027,98, voor rekening van eiseres komen. Bij besluit van 21 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2017. Ter zitting heeft eiseres zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [belanghebbende] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, en door M.R. de Jongh en A. van der Wijk. Ter zitting is het onderzoek geschorst voor het inbrengen van nadere informatie door eiseres. Bij brief van 4 april 2017 heeft eiseres nadere informatie ingebracht. Bij brief van 2 mei 2017 heeft verweerder gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [belanghebbende] , [belanghebbende] en [belanghebbende] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door A. van der Wijk. Overwegingen 1. Op 19 september 2015 is er olieverontreiniging geweest in de jachthaven van eiseres. Rijkswaterstaat heeft de olie met toepassing van spoedeisende bestuursdwang laten verwijderen door het bedrijf HEBO Maritiemservice (HEBO). De olie bleek afkomstig te zijn uit een drijvende steiger (de steiger) in de jachthaven van eiseres. 2. In het primaire besluit heeft verweerder als overtreding benoemd dat eiseres door de olie in de jachthaven te laten terechtkomen, heeft gehandeld in strijd met de artikelen 6.2, eerste lid, en 6.8 van de Waterwet (Wtw). In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat niet zij maar de [partij] als overtreder moet worden aangemerkt omdat de steiger eigendom is van [partij] In reactie daarop heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiseres op 31 mei 2013 van de provincie Zuid-Holland (de provincie) het jachthavencomplex bestaande uit grond, water en toebehoren heeft gekocht en daarmee ook eigenaar is geworden van alles wat tot het havencomplex behoort, waaronder de steiger. Het beroep van eiseres op verkrijgende verjaring kan niet slagen, omdat alleen [partij] een dergelijk beroep kan doen. [partij] stelt zich juist op het standpunt geen eigenaar van de steiger te zijn. Aan eiseres is als eigenaar van de steiger toe te rekenen dat er in strijd met de artikelen 6.2 en 6.8 van de Wtw is gehandeld. 3. De rechtbank stelt vast dat de overtreding is gebaseerd op het bepaalde in artikel 6.2, eerste lid, van de Wtw, het verbod om zonder vergunning stoffen in een oppervlaktewaterlichaam te brengen, en de in artikel 6.8 van de Waterwet opgenomen verplichting om maatregelen te treffen ter voorkoming, beperking of ongedaanmaking van bodem- en oeververontreiniging of -aantasting. 4. In geschil is of verweerder eiseres terecht als overtreder heeft aangemerkt. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) wordt als overtreder in eerste instantie aangemerkt degene, die de verboden handeling fysiek heeft