Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2016-12-23
ECLI:NL:RBROT:2016:9955
Bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 15/6489 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen [eiseres] en de minister van Defensie, verweerder, gemachtigde: mr. M. Kalvenhaar. Bij besluit van 29 mei 2015 (toekenningsbesluit) heeft verweerder eiseres een (aansluitende) bovenwettelijke werkloosheidsuitkering toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2016. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. M. Munsterman en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. 1. Eiseres was als burgerambtenaar werkzaam bij verweerder. Aan haar is ontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016. 2. Op grond van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd en de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van onder meer die wet en de Algemene Ouderdomswet in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Stb. 2015, 218) wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat eiseres niet vanaf 65-jarige leeftijd recht heeft op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor haar geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds 1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe. Omdat de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering niet doorloopt na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ontstaat er een zogenoemd AOW-gat. 3. Op grond van artikel 2, derde lid, onder a, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie (BWDEF), voor zover hier van belang, heeft de betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Op grond van artikel 1 van het BWDEF wordt onder pensioengerechtigde leeftijd voor zover hier van belang verstaan de leeftijd als bedoeld in artikel 122 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Op grond van artikel 122, eerste lid, van het Bard wordt aan ambtenaren, behoudens in zeer bijzondere gevallen, bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, het ontslag als bedoeld in artikel 121, eerste lid onder h, verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Op grond van artikel 18a van het BWDEF, voor zover hier van belang, kan de minister van Defensie van artikel 2 afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat deze regelgeving beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 2, derde lid, van het BWDEF bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, geen verboden onderscheid naar leeftijd oplevert. 5. Eiseres betwist dit en is van mening dat verweerder de duur van de aan haar toegekende bovenwettelijke uitkering dient aan te passen zodat deze aansluit op de leeftijd waarop zij het recht op een AOW-uitkering en ABP-pensioen verkrijgt. 6. In de onderhavige zaak is een vergelijkbare situatie, maar niet exact dezelfde regeling, aan de orde als in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2614). De rechtbank is van oordeel dat ook in de onderhavige zaak sprake is van een verboden onderscheid naar leeftijd. De rechtbank volgt hierbij de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2016:8076. 7. Verweerder heeft beslist de op grond van artikel 2, derde lid, van het BWDEF aan eiseres toegekende aansluitende uitkering te beëindigen als zij de leeftijd van 65 jaar bereikt. De beëindiging van de uitkering is daarmee direct gekoppeld aan de leeftijd van eiseres. Daarmee maakt verweerder jegens eiseres onderscheid op grond van leeftijd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de oordelen van het College voor de rechten van de mens (CRM) van 24 december 2013 (oordeel 2013-178) en de uitspraak van het Europees Hof van Justitie (HvJ) van 26 september 2013 (C-546/11; Dansk Jurist og Økonomforbund tegen Indenrigs og Sundhedsministeriet). Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in de onderhavige zaak een vergelijkbaar geval voor. 8. Niet ieder leeftijdsonderscheid is verboden. In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla) zijn situaties neergelegd waarin leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is te achten en het verbod niet geldt. Of sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in die zin dat het voldoende zwaarwegend is dan wel dat het doel voorziet in een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het beoogde doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Als aan deze voorwaarden is voldaan, levert het onderscheid op grond van leeftijd geen strijd op met de Wgbla. 9. Verweerder heeft betoogd dat met de in artikel 2, derde lid van het BWDEF in verbinding met artikel 122 van het Bard genoemde pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar niet is bedoeld aan te sluiten bij de AOW-gerechtigde leeftijd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. 10. De toelichting bij (artikel 6 van) het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel (Stb. 1996, 337), waarnaar wordt verwezen in de toelichting bij artikel 2 van het BWDEF zoals deze volgt uit het Besluit van 8 juni 1999, houdende vaststelling van de regeling inzake de aanvullende voorzieningen bij werkloosheid van defensie personeel (Stb. 1999, 282), vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “Met de introductie van de verlenging van de loongerelateerde WW-conforme uitkering wordt de verantwoordelijkheid van de minister van Defensie jegens diegene die langere tijd bij het ministerie werkzaam zijn geweest, en voor wie de kansen op de arbeidsmarkt gezien hun leeftijd minder zijn, ingevuld.” De toelichting bij artikel 2 van het BWDEF, zoals deze volgt uit het Besluit van 2 november 2012 tot vaststelling van regels betreffende tegemoetkomingen ter zake van verhuizing en woon-werkverkeer voor defensiepersoneel en tot wijziging van enige besluiten, in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 maart 2012 tot en met 28 februari 2013 (Stb. 2012, 596), vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “Artikel 2, tweede lid, onder b is een voorziening voor de betrokkene die door zijn langdurig en eenzijdig arbeidsverleden naar verwachting minder snel kans maakt op een betrekking buiten Defensie. De verlenging van de duur van de aansluitende uitkering geldt alleen voor overtolligheidsontslag gegeven onder toepassing van het Sociaal Beleidskader 2012. De duur van de aansluitend uitkering wordt afgeleid van de WW duur zoals deze op 1 januari 2012 luidde. Artikel 2, derde lid is de garantie-uitkering. Daarmee is rekening gehouden met het feit dat de pensioengerechtigde leeftijd per persoon verschilt. Artikel 2, vijfde lid geeft weer dat de pensioengerechtigde leeftijd per persoon verschilt. De einddatum van de bovenwettelijke uitkering is in overeenstemming gebracht met de einddatum van de WW-uitkering, verwoord in artikel 19, eerste lid onder h [de rechtbank begrijpt: i] WW.” 11. De rechtbank maakt uit het bovenstaande op dat met de in artikel 2, derde lid, van het BWDEF neergelegde maatregel is bedoeld om bescherming te bieden tegen een inkomensterugval voor personen die wegens hun leeftijd en hun langdurig en eenzijdig arbeidsverleden bij Defensie minder kans maken op de arbeidsmarkt, tot het moment dat voor de betreffende ambtenaar een recht ontstaat op AOW- en ABP-pensioen.