Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2015-11-09
ECLI:NL:RBROT:2015:8804
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,482 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie 2
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/486615 / FA RK 15-8320
Patiëntennummer: 1007053
Beschikking van 9 november 2015 betreffende een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 van de Wet BOPZ
in de zaak van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,
met betrekking tot:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] , [geboorteplaats] [land] ,
wonende en verblijvende in verpleeghuis [naam] , locatie [locatie] , [adres]
,
advocaat mr. A.M.M.J.T. de Haan te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier van justitie, ingekomen op 13 oktober 2015, met bijlagen.
1.2.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 november 2015.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met haar advocaat mr. A.M.M.J.T. de Haan.
[verpleegkundig specialist] , verpleegkundig specialist, verbonden aan verpleeghuis [naam] .
Beoordeling
2.1.
Blijkens de geneeskundige verklaring van 29 september 2015 is betrokkene onderzocht door en is deze ondertekend en afgegeven door - blijkens de daarop geplaatste stempel en voor zover hier relevant - :
[verpleeghuisarts]
verpleeghuisarts”.
In deze geneeskundige verklaring is bij vraag 3 onder c bij diagnose aangegeven dat betrokkene lijdt aan een dysfoor manisch psychotisch toestandsbeeld in het kader van een schizo-affectieve stoornis.
2.2.
De rechtbank stelt voorop dat in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden van 5 oktober 2000, LJN AS7846 (Varbanov/Bulgarije) het volgende is opgenomen:
“47. The court considers that no deprivation of liberty of a person considered as being of unsound mind may be deemed in confirmity with Article 5 par. 1 (e) of the Convention if it has been ordered without seeking the opinion of a medical expert.”
2.3.
In haar uitspraak van 27 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV2028) heeft de Hoge Raad - kort en zakelijk weergegeven - geoordeeld dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat alleen een psychiater bevoegd is om een geneeskundige verklaring, gebaseerd op eigen onderzoek, af te geven in de zin van de Wet bopz. Met het oog op de praktische problemen die zich voordoen in de inrichtingen bij strikte toepassing van de wet, is het niet aan de rechter maar aan de wetgever om te bepalen of en zo ja in welke gevallen ook andere artsen dan psychiaters voor de toepassing van de wet BOPZ kunnen gelden als ”medical expert”, aldus de Hoge Raad.
2.4.
Hierop volgde de wetswijziging die met ingang van 15 februari 2014 in werking is getreden waarmee aan artikel 1 wet bopz een zesde lid werd toegevoegd. In dit artikellid is het volgende opgenomen:
“Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt met een psychiater gelijk gesteld, een arts voor verstandelijk gehandicapten voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft, of een specialist ouderengeneeskunde, voor zover het de opname of het verblijf van een patiënt met een psychogeriatrische aandoening betreft.”
In de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel is het volgende opgenomen:
“Voor wat betreft de ggz – waarvoor de Wet bopz oorspronkelijk tot stand is gekomen – zijn psychiaters het meest ter zake kundig om te beoordelen of iemand is gestoord in zijn geestvermogens, en of deze persoon gevaar veroorzaakt dat opname rechtvaardigt. In de praktijk blijkt echter voor mensen met een verstandelijke handicap of een psychogeriatrische aandoening, een psychiater niet altijd de meest ter zake kundige te zijn. Dat voor deze groep een psychiater moet worden ingezet (zie het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2012 (nr. 11/05085, LJN BV2028), is niet in overeenstemming met de doelstelling van de wet om een zorgvuldige procedure bij opname te waarborgen. Juist waar het gaat om het grondrecht op fysieke vrijheid, is het van groot belang altijd een ter zake kundige de beoordeling van de desbetreffende patiënt uitvoert. Met de voorgestelde aanpassing wordt deze omissie gerepareerd.”
2.5.
Betrokkene is blijkens de geneeskundige verklaring onderzocht en gezien door een specialist ouderengeneeskunde. Blijkens de geneeskundige verklaring heeft betrokkene echter geen psychogeriatrische aandoening, maar lijdt zij aan een psychiatrische aandoening. Desgevraagd heeft de verpleegkundig specialist dit ter zitting uitdrukkelijk bevestigd. Op grond van het vorenoverwogene kan naar het oordeel van de rechtbank de opsteller van de geneeskundige verklaring, die ook het onderzoek heeft verricht, niet worden aangemerkt als een ”medical expert” nu het hier een patiënt met een psychiatrische aandoening betreft en niet een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene had onderzocht en gezien moeten worden door een psychiater, die daarvan blijk geeft middels de opstelling van de geneeskundige verklaring, en niet door een specialist ouderengeneeskunde.
2.6.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Dort, rechter, in bijzijn van de griffier M. Buur.