Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2015-02-06
ECLI:NL:RBROT:2015:483
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,513 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 14/4078
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2015 in de zaak tussen
[a], te Oud-Beijerland, eiseres,
gemachtigde: [vader van a],
en
het dagelijks bestuur van de RSD Hoeksche Waard, verweerder,
gemachtigde: J.Z. Schoemaker.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2014 heeft verweerder aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) verleend met ingang van 2 januari 2014 naar de norm van een alleenstaande. Verweerder heeft daarnaast de uitkering tot 1 april 2014 verlaagd. Tevens heeft verweerder aan eiseres een maatregel opgelegd van 100% gedurende twee maanden ingaande op 2 januari 2014 tot 2 maart 2014.
Bij besluit van 9 mei 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel gewijzigd in een maatregel van 100% gedurende één maand.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Met ingang van 1 januari 2015, voor zover hier van belang, is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot de Participatiewet. Op grond van het in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet opgenomen overgangsrecht is in onderhavige zaak de Wwb het toetsingskader voor de rechtbank, omdat het beroepschrift voor 1 januari 2015 is ingediend tegen een door het college op grond van de Wwb genomen besluit.
2. Eiseres heeft op 31 oktober 2013 haar academische studie met succes afgerond. Gedurende haar laatste studie of gedurende een lang gedeelte van haar laatste studie had eiseres recht op studiefinanciering in de vorm van een geldlening. Door aanspraak te maken op studiefinanciering is eiseres derhalve een lening aangegaan. De studiefinanciering heeft eiseres niet aangewend voor de kosten van haar levensonderhoud, maar heeft zij op een spaarrekening gezet teneinde daarover rente te ontvangen, welke rente hoger is dan de rente die over de ontstane schuld (studieschuld) verschuldigd is. Op 22 november 2013 heeft eiseres een gift ter hoogte van € 5.000,- van haar ouders ontvangen welke zij direct heeft aangewend voor de aflossing van de studieschuld. Op 23 november 2013 is een bedrag van € 15.000,- via de privérekening van eiseres afgelost op de studieschuld. Op 2 januari 2014 heeft eiseres bij verweerder een Wwb-uitkering aangevraagd en was het saldo van haar vermogen € 3.815,97.
3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de uitkering van eiseres tot 1 april 2014 terecht is verlaagd naar de schoolverlatersnorm, omdat eiseres gedurende haar laatste studie of gedurende een lang gedeelte van haar laatste studie alleen nog recht had op studiefinanciering. Er is geen sprake van dat daarmee in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld, omdat de wetgever zelf ervoor heeft gekozen de verlaging te beperken tot studies waarvoor de studerende aanspraak kon maken op studiefinanciering of een tegemoetkoming ingevolgde de Wtos.
Daarnaast is er grond voor toepassing van een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, omdat eiseres ervoor heeft gekozen om haar vermogen (dat bestond uit opgespaarde studiefinanciering) te gebruiken om haar studieschuld af te lossen, terwijl daaraan nog geen aflossingsverplichting was verbonden. Eiseres heeft door met haar vermogen een niet opeisbare schuld af te lossen, zich in een situatie gemanoeuvreerd dat zij een beroep kan of moet doen op de bijstandskas. Indien eiseres haar vermogen had aangewend voor haar kosten van levenshoud, zou het zeer waarschijnlijk ruim een jaar duren alvorens zij haar vermogen zou hebben ingeteerd tot onder het vrij te laten vermogen, aldus verweerder.
4. De beroepsgrond dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de uitkering van eiseres te verlagen tot 1 april 2014, faalt.
4.1.
Op grond van artikel 28 van de Wwb kan het college voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de toeslag, bedoeld in artikel 25, gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wwb stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de Wwb. Artikel 30, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Op grond van het vierde lid vindt verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de Wwb.
Ter uitvoering van de artikelen 8 en 30 van de Wwb is de Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de categorieën van belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend (Toeslagenverordening) vastgesteld. Op grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening bedraagt de verlaging als bedoeld in artikel 28 van de Wwb 20 procent van de gehuwdennorm.
Op grond van artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld en is discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, niet toegestaan.
Op grond van artikel 120 van de Grondwet treedt de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.
4.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres de situatie van eiseres, die een studie heeft gevolgd waarvoor zij aanspraak kon maken op studiefinanciering, vergeleken met de situatie van de zus van eiseres, die een studie heeft gevolgd die particulier gefinancierd diende te worden omdat daarvoor geen aanspraak op studiefinanciering bestond. Omdat het niet gaat om gelijke gevallen, gaat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet op.
Anders dan eiseres stelt, handelt verweerder niet in strijd met het in artikel 1 van de Grondwet opgenomen verbod tot discriminatie door tot 1 april 2014 de bijstand van eiseres te verlagen, terwijl die verlaging achterwege blijft indien een persoon die aanspraak maakt op bijstand een studie heeft beëindigd waarvoor geen aanspraak bestond op studiefinanciering of een tegemoetkoming ingevolge de Wtos. De mogelijkheid van deze verschillende behandelingen vloeit voort uit de in artikel 28 van de Wwb door de wetgever geschapen bevoegdheid. De door de wetgever gemaakte afweging die aan voornoemd wetsartikel ten grondslag ligt, komt op grond van het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet niet voor rechterlijke toetsing in aanmerking.
5. De beroepsgrond dat artikel 6 van de Toeslagenverordening onverbindend verklaard dient te worden, omdat geen enkele verantwoording wordt gegeven ten aanzien van de hoogte van de in dat artikel genoemde korting, faalt.
5.1.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het toepassen van een korting van 20% van de gehuwdennorm is overgenomen uit de standaardverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Met toepassing van die korting op de bijstandsnorm voor een alleenstaande wordt uitgekomen op ongeveer hetzelfde bedrag als waarvan mensen leven die studiefinanciering ontvangen. Gelet op de door verweerder gegeven toelichting, welke door eiseres niet inhoudelijk is bestreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om artikel 6 van de Toeslagenverordening onverbindend te verklaren.
6. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte een maatregel van 100% voor de duur van één maand heeft opgelegd, omdat geen sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door de studieschuld direct na haar studie af te betalen aangezien er in haar vermogenspositie geen wijziging is opgetreden en elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, faalt.
6.1.
Artikel 18, tweede lid, van de Wwb bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Op grond van artikel 4 van de Afstemmingsverordening Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard (Afstemmingsverordening) wordt de bijstand van de belanghebbende verlaagd (met een verlaging van categorie 5) indien hij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan toont (artikel 18, lid 2, Wwb).
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M.A.J. Bollen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.