Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2015-04-14
ECLI:NL:RBROT:2015:2542
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,752 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: ROT 14/6329
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: W. Oudijk,
en
[verweerder], verweerder,
gemachtigde: mr. K. Habets.
Procesverloop
Bij besluiten van 10 april 2014 en 13 juni 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder twee verzoeken van eiseres om een tegemoetkoming in geleden faunaschade afgewezen.
Bij besluit van 5 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2015. Namens eiseres zijn W. Oudijk en E. Oudijk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr.drs. W. van Dijk.
Overwegingen
1. Op 28 maart 2014 en 30 mei 2014 heeft eiseres verzoeken om tegemoetkoming ingediend voor schade ter grootte van ongeveer € 25.000,- die brandganzen, kolganzen en grauwe ganzen hebben aangericht aan de percelen blijvend grasland van eiseres.
2. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de schade van eiseres niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt op grond van het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder i, onder II, van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (de Beleidsregels), omdat de schade is aangericht op gronden waarvoor eiseres met een particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst heeft afgesloten en niet kan worden gesproken van een marktconforme pachtprijs.
3. Eiseres voert aan dat verweerder tot 2014 wel de schade vergoedde, terwijl er niets is veranderd. Dat de hoogte van de pachtprijs voor verweerder een reden is om geen tegemoetkoming uit te keren, acht eiseres onbegrijpelijk. Vóór de extreme groei van de ganzenpopulatie heeft eiseres altijd goede opbrengsten op de gepachte gronden behaald. Het gegeven dat de gronden zijn gelegen in een natuurgebied, heeft het agrarisch gebruik nooit in de weg gestaan. De positie van eiseres is slechter dan die van agrariërs die gras verbouwen op gronden buiten een natuurgebied en wel een tegemoetkoming voor geleden schade ontvangen. Voorts bestrijdt eiseres dat zij geen marktconforme pachtprijs betaalt. De pachtprijs is conform de reguliere systematiek bepaald en bedroeg in 2014 € 7.684,62. Daarin is een korting opgenomen van € 150,- per hectare, omdat in de periode van 1 april tot 15 juni geen veldwerkzaamheden zijn toegestaan. Dat de pachtprijs hiermee niet meer marktconform zou zijn bestrijdt eiseres.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat eiseres voorheen wel een tegemoetkoming ontving voor faunaschade, te verklaren valt uit het feit dat pas sinds de Beleidsregels op 12 juni 2013 de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (de Regeling) van maart 2002 hebben vervangen, wordt getoetst of eiseres een marktconforme pachtprijs betaalt en of er geen beperkingen gelden ten aanzien van het gebruik. Op grond van artikel 9, aanhef en onder i, aanhef en onder II, van de Regeling werd geen tegemoetkoming verleend indien schade was aangericht op gronden waarvoor met een natuurterreinbeherende instantie een pachtovereenkomst was gesloten en de pachtprijs lager was dan € 150,- per hectare per jaar. In het verweerschrift stelt verweerder dat de aanvragen van eiseres ook niet voor toewijzing in aanmerking komen vanwege de ligging van de gronden in een beschermd natuurmonument dan wel binnen een als Natura 2000 aangewezen gebied. Volgens verweerder was voorheen ten onrechte niet onderkend dat sprake is van als zodanig aangewezen gronden en dat eiseres om die reden niet in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming. Verweerder stelt niet gehouden te zijn om een dergelijke fout te herhalen.
5.1.
Op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (Ffw) is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.
Op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.
5.2.
Op grond van artikel 9, aanhef en onder i, aanhef en onder II en IV, van de Beleidsregels wordt geen tegemoetkoming verleend indien schade is aangericht op gronden:
II) waarvoor met een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten, tenzij de aanvrager een marktconforme vergoeding betaalt en aan de gronden geen beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden, of
IV) welke in het kader van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument.
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2531, op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw beoordelingsruimte toekomt. Ter invulling daarvan heeft verweerder in maart 2002 de Regeling vastgesteld. De Beleidsregels zijn op 12 juni 2013 in werking getreden en hebben de Regeling vervangen. Op 2 augustus 2014 is een nieuwe versie van de Beleidsregels in werking getreden.
7. Niet in geschil is dat verweerder in de Beleidsregels zijn beleid ten opzichte van de Regeling heeft aangescherpt door daarin neer te leggen dat aanvragen worden afgewezen als geen sprake is van een marktconforme vergoeding en als aan de gronden beperkingen in het landbouwkundige gebruik zijn gesteld. Evenmin is in geschil dat deze aanscherping van het beleid van verweerder ertoe heeft geleid dat de aanvragen van eiseres zijn afgewezen, terwijl zij op grond van de Regeling jarenlang wel in aanmerking kwam voor tegemoetkomingen. Eiseres heeft ter zitting gesteld deze beleidswijziging onredelijk te vinden nu voor haar de omstandigheden niet zijn gewijzigd, maar zij vanwege die wijziging wel wordt geconfronteerd met een aanzienlijke schadepost. De rechtbank acht het gewijzigde beleidsuitgangspunt van verweerder dat pachters van aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties worden geacht het risico op het ontstaan van schade te hebben aanvaard als zij geen marktconforme vergoeding betalen of hebben ingestemd met beperkingen aan het landbouwkundige gebruik van de gronden, in beginsel niet onredelijk.
Een voorzienbaar gevolg van de beleidswijziging was echter dat verzoeken zoals die van eiseres, bij voor het overige gelijkblijvende omstandigheden, niet meer voor toewijzing in aanmerking zouden komen en dat de betrokken belanghebbenden de soms aanzienlijke schade waarvoor jarenlang een tegemoetkoming is betaald, voortaan geheel zelf zouden moeten dragen. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van dat voorzienbare gevolg, in het kader van de beleidswijziging een redelijke overgangstermijn vereist is waarin belanghebbenden hun bedrijfsvoering, waar mogelijk, op het gewijzigde beleid af kunnen stemmen of andere voorzieningen kunnen treffen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat een overgangstermijn is geboden van 12 juni 2013 tot oktober 2013, maar dit blijkt niet uit de tekst van de Beleidsregels en is ook niet aan de hand van de gevoerde praktijk aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft verweerder niet toegelicht dat een overgangstermijn van vier maanden voldoende zou zijn. In het geval van eiseres is niet gebleken van toepassing van een overgangstermijn. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit onderdeel van de Beleidsregels niet aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.
8. Om te komen tot een zo definitief mogelijke beslechting van het geschil, zal de rechtbank vervolgens de door verweerder in het verweerschrift aangedragen alternatieve afwijzingsgrond beoordelen. Volgens verweerder komen de aanvragen van eiseres namelijk evenmin voor toewijzing in aanmerking vanwege de ligging van de door haar gepachte gronden in een beschermd natuurmonument.
8.1.
De door eiseres gepachte gronden waarop zij stelt schade te hebben geleden, liggen in het gebied ‘De Korendijksche Slikken’ dat bij besluit van de toenmalige staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 23 maart 1978 is aangewezen als beschermd natuurmonument.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 328,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, voorzitter, en mr. A.G. van Malenstein en mr. F.A. Mulder, leden, in aanwezigheid van mr. J. Houtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015.
de griffier is buiten staat
deze uitspraak te ondertekenen
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: ROT 14/6329
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: W. Oudijk,
en
[verweerder], verweerder,
gemachtigde: mr. K. Habets.
Procesverloop
Bij besluiten van 10 april 2014 en 13 juni 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder twee verzoeken van eiseres om een tegemoetkoming in geleden faunaschade afgewezen.
Bij besluit van 5 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2015. Namens eiseres zijn W. Oudijk en E. Oudijk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr.drs. W. van Dijk.
Overwegingen
1. Op 28 maart 2014 en 30 mei 2014 heeft eiseres verzoeken om tegemoetkoming ingediend voor schade ter grootte van ongeveer € 25.000,- die brandganzen, kolganzen en grauwe ganzen hebben aangericht aan de percelen blijvend grasland van eiseres.
2. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de schade van eiseres niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt op grond van het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder i, onder II, van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (de Beleidsregels), omdat de schade is aangericht op gronden waarvoor eiseres met een particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst heeft afgesloten en niet kan worden gesproken van een marktconforme pachtprijs.
3. Eiseres voert aan dat verweerder tot 2014 wel de schade vergoedde, terwijl er niets is veranderd. Dat de hoogte van de pachtprijs voor verweerder een reden is om geen tegemoetkoming uit te keren, acht eiseres onbegrijpelijk. Vóór de extreme groei van de ganzenpopulatie heeft eiseres altijd goede opbrengsten op de gepachte gronden behaald. Het gegeven dat de gronden zijn gelegen in een natuurgebied, heeft het agrarisch gebruik nooit in de weg gestaan. De positie van eiseres is slechter dan die van agrariërs die gras verbouwen op gronden buiten een natuurgebied en wel een tegemoetkoming voor geleden schade ontvangen. Voorts bestrijdt eiseres dat zij geen marktconforme pachtprijs betaalt. De pachtprijs is conform de reguliere systematiek bepaald en bedroeg in 2014 € 7.684,62. Daarin is een korting opgenomen van € 150,- per hectare, omdat in de periode van 1 april tot 15 juni geen veldwerkzaamheden zijn toegestaan. Dat de pachtprijs hiermee niet meer marktconform zou zijn bestrijdt eiseres.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat eiseres voorheen wel een tegemoetkoming ontving voor faunaschade, te verklaren valt uit het feit dat pas sinds de Beleidsregels op 12 juni 2013 de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (de Regeling) van maart 2002 hebben vervangen, wordt getoetst of eiseres een marktconforme pachtprijs betaalt en of er geen beperkingen gelden ten aanzien van het gebruik. Op grond van artikel 9, aanhef en onder i, aanhef en onder II, van de Regeling werd geen tegemoetkoming verleend indien schade was aangericht op gronden waarvoor met een natuurterreinbeherende instantie een pachtovereenkomst was gesloten en de pachtprijs lager was dan € 150,- per hectare per jaar. In het verweerschrift stelt verweerder dat de aanvragen van eiseres ook niet voor toewijzing in aanmerking komen vanwege de ligging van de gronden in een beschermd natuurmonument dan wel binnen een als Natura 2000 aangewezen gebied. Volgens verweerder was voorheen ten onrechte niet onderkend dat sprake is van als zodanig aangewezen gronden en dat eiseres om die reden niet in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming. Verweerder stelt niet gehouden te zijn om een dergelijke fout te herhalen.
5.1.
Op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (Ffw) is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.
Op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.
5.2.
Op grond van artikel 9, aanhef en onder i, aanhef en onder II en IV, van de Beleidsregels wordt geen tegemoetkoming verleend indien schade is aangericht op gronden:
II) waarvoor met een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten, tenzij de aanvrager een marktconforme vergoeding betaalt en aan de gronden geen beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden, of
IV) welke in het kader van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument.
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2531, op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw beoordelingsruimte toekomt. Ter invulling daarvan heeft verweerder in maart 2002 de Regeling vastgesteld. De Beleidsregels zijn op 12 juni 2013 in werking getreden en hebben de Regeling vervangen. Op 2 augustus 2014 is een nieuwe versie van de Beleidsregels in werking getreden.
7. Niet in geschil is dat verweerder in de Beleidsregels zijn beleid ten opzichte van de Regeling heeft aangescherpt door daarin neer te leggen dat aanvragen worden afgewezen als geen sprake is van een marktconforme vergoeding en als aan de gronden beperkingen in het landbouwkundige gebruik zijn gesteld. Evenmin is in geschil dat deze aanscherping van het beleid van verweerder ertoe heeft geleid dat de aanvragen van eiseres zijn afgewezen, terwijl zij op grond van de Regeling jarenlang wel in aanmerking kwam voor tegemoetkomingen. Eiseres heeft ter zitting gesteld deze beleidswijziging onredelijk te vinden nu voor haar de omstandigheden niet zijn gewijzigd, maar zij vanwege die wijziging wel wordt geconfronteerd met een aanzienlijke schadepost. De rechtbank acht het gewijzigde beleidsuitgangspunt van verweerder dat pachters van aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties worden geacht het risico op het ontstaan van schade te hebben aanvaard als zij geen marktconforme vergoeding betalen of hebben ingestemd met beperkingen aan het landbouwkundige gebruik van de gronden, in beginsel niet onredelijk.
Een voorzienbaar gevolg van de beleidswijziging was echter dat verzoeken zoals die van eiseres, bij voor het overige gelijkblijvende omstandigheden, niet meer voor toewijzing in aanmerking zouden komen en dat de betrokken belanghebbenden de soms aanzienlijke schade waarvoor jarenlang een tegemoetkoming is betaald, voortaan geheel zelf zouden moeten dragen. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van dat voorzienbare gevolg, in het kader van de beleidswijziging een redelijke overgangstermijn vereist is waarin belanghebbenden hun bedrijfsvoering, waar mogelijk, op het gewijzigde beleid af kunnen stemmen of andere voorzieningen kunnen treffen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat een overgangstermijn is geboden van 12 juni 2013 tot oktober 2013, maar dit blijkt niet uit de tekst van de Beleidsregels en is ook niet aan de hand van de gevoerde praktijk aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft verweerder niet toegelicht dat een overgangstermijn van vier maanden voldoende zou zijn. In het geval van eiseres is niet gebleken van toepassing van een overgangstermijn. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit onderdeel van de Beleidsregels niet aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.
8. Om te komen tot een zo definitief mogelijke beslechting van het geschil, zal de rechtbank vervolgens de door verweerder in het verweerschrift aangedragen alternatieve afwijzingsgrond beoordelen. Volgens verweerder komen de aanvragen van eiseres namelijk evenmin voor toewijzing in aanmerking vanwege de ligging van de door haar gepachte gronden in een beschermd natuurmonument.
8.1.
De door eiseres gepachte gronden waarop zij stelt schade te hebben geleden, liggen in het gebied ‘De Korendijksche Slikken’ dat bij besluit van de toenmalige staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 23 maart 1978 is aangewezen als beschermd natuurmonument.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 328,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, voorzitter, en mr. A.G. van Malenstein en mr. F.A. Mulder, leden, in aanwezigheid van mr. J. Houtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015.
de griffier is buiten staat
deze uitspraak te ondertekenen
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: ROT 14/6329
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: W. Oudijk,
en
[verweerder], verweerder,
gemachtigde: mr. K. Habets.
Procesverloop
Bij besluiten van 10 april 2014 en 13 juni 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder twee verzoeken van eiseres om een tegemoetkoming in geleden faunaschade afgewezen.
Bij besluit van 5 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2015. Namens eiseres zijn W. Oudijk en E. Oudijk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr.drs. W. van Dijk.
Overwegingen
1. Op 28 maart 2014 en 30 mei 2014 heeft eiseres verzoeken om tegemoetkoming ingediend voor schade ter grootte van ongeveer € 25.000,- die brandganzen, kolganzen en grauwe ganzen hebben aangericht aan de percelen blijvend grasland van eiseres.
2. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de schade van eiseres niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt op grond van het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder i, onder II, van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (de Beleidsregels), omdat de schade is aangericht op gronden waarvoor eiseres met een particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst heeft afgesloten en niet kan worden gesproken van een marktconforme pachtprijs.
3. Eiseres voert aan dat verweerder tot 2014 wel de schade vergoedde, terwijl er niets is veranderd. Dat de hoogte van de pachtprijs voor verweerder een reden is om geen tegemoetkoming uit te keren, acht eiseres onbegrijpelijk. Vóór de extreme groei van de ganzenpopulatie heeft eiseres altijd goede opbrengsten op de gepachte gronden behaald. Het gegeven dat de gronden zijn gelegen in een natuurgebied, heeft het agrarisch gebruik nooit in de weg gestaan. De positie van eiseres is slechter dan die van agrariërs die gras verbouwen op gronden buiten een natuurgebied en wel een tegemoetkoming voor geleden schade ontvangen. Voorts bestrijdt eiseres dat zij geen marktconforme pachtprijs betaalt. De pachtprijs is conform de reguliere systematiek bepaald en bedroeg in 2014 € 7.684,62. Daarin is een korting opgenomen van € 150,- per hectare, omdat in de periode van 1 april tot 15 juni geen veldwerkzaamheden zijn toegestaan. Dat de pachtprijs hiermee niet meer marktconform zou zijn bestrijdt eiseres.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat eiseres voorheen wel een tegemoetkoming ontving voor faunaschade, te verklaren valt uit het feit dat pas sinds de Beleidsregels op 12 juni 2013 de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (de Regeling) van maart 2002 hebben vervangen, wordt getoetst of eiseres een marktconforme pachtprijs betaalt en of er geen beperkingen gelden ten aanzien van het gebruik. Op grond van artikel 9, aanhef en onder i, aanhef en onder II, van de Regeling werd geen tegemoetkoming verleend indien schade was aangericht op gronden waarvoor met een natuurterreinbeherende instantie een pachtovereenkomst was gesloten en de pachtprijs lager was dan € 150,- per hectare per jaar. In het verweerschrift stelt verweerder dat de aanvragen van eiseres ook niet voor toewijzing in aanmerking komen vanwege de ligging van de gronden in een beschermd natuurmonument dan wel binnen een als Natura 2000 aangewezen gebied. Volgens verweerder was voorheen ten onrechte niet onderkend dat sprake is van als zodanig aangewezen gronden en dat eiseres om die reden niet in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming. Verweerder stelt niet gehouden te zijn om een dergelijke fout te herhalen.
5.1.
Op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (Ffw) is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.
Op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.
5.2.
Op grond van artikel 9, aanhef en onder i, aanhef en onder II en IV, van de Beleidsregels wordt geen tegemoetkoming verleend indien schade is aangericht op gronden:
II) waarvoor met een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten, tenzij de aanvrager een marktconforme vergoeding betaalt en aan de gronden geen beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden, of
IV) welke in het kader van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument.
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2531, op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw beoordelingsruimte toekomt. Ter invulling daarvan heeft verweerder in maart 2002 de Regeling vastgesteld. De Beleidsregels zijn op 12 juni 2013 in werking getreden en hebben de Regeling vervangen. Op 2 augustus 2014 is een nieuwe versie van de Beleidsregels in werking getreden.
7. Niet in geschil is dat verweerder in de Beleidsregels zijn beleid ten opzichte van de Regeling heeft aangescherpt door daarin neer te leggen dat aanvragen worden afgewezen als geen sprake is van een marktconforme vergoeding en als aan de gronden beperkingen in het landbouwkundige gebruik zijn gesteld. Evenmin is in geschil dat deze aanscherping van het beleid van verweerder ertoe heeft geleid dat de aanvragen van eiseres zijn afgewezen, terwijl zij op grond van de Regeling jarenlang wel in aanmerking kwam voor tegemoetkomingen. Eiseres heeft ter zitting gesteld deze beleidswijziging onredelijk te vinden nu voor haar de omstandigheden niet zijn gewijzigd, maar zij vanwege die wijziging wel wordt geconfronteerd met een aanzienlijke schadepost. De rechtbank acht het gewijzigde beleidsuitgangspunt van verweerder dat pachters van aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties worden geacht het risico op het ontstaan van schade te hebben aanvaard als zij geen marktconforme vergoeding betalen of hebben ingestemd met beperkingen aan het landbouwkundige gebruik van de gronden, in beginsel niet onredelijk.
Een voorzienbaar gevolg van de beleidswijziging was echter dat verzoeken zoals die van eiseres, bij voor het overige gelijkblijvende omstandigheden, niet meer voor toewijzing in aanmerking zouden komen en dat de betrokken belanghebbenden de soms aanzienlijke schade waarvoor jarenlang een tegemoetkoming is betaald, voortaan geheel zelf zouden moeten dragen. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van dat voorzienbare gevolg, in het kader van de beleidswijziging een redelijke overgangstermijn vereist is waarin belanghebbenden hun bedrijfsvoering, waar mogelijk, op het gewijzigde beleid af kunnen stemmen of andere voorzieningen kunnen treffen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat een overgangstermijn is geboden van 12 juni 2013 tot oktober 2013, maar dit blijkt niet uit de tekst van de Beleidsregels en is ook niet aan de hand van de gevoerde praktijk aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft verweerder niet toegelicht dat een overgangstermijn van vier maanden voldoende zou zijn. In het geval van eiseres is niet gebleken van toepassing van een overgangstermijn. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit onderdeel van de Beleidsregels niet aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.
8. Om te komen tot een zo definitief mogelijke beslechting van het geschil, zal de rechtbank vervolgens de door verweerder in het verweerschrift aangedragen alternatieve afwijzingsgrond beoordelen. Volgens verweerder komen de aanvragen van eiseres namelijk evenmin voor toewijzing in aanmerking vanwege de ligging van de door haar gepachte gronden in een beschermd natuurmonument.
8.1.
De door eiseres gepachte gronden waarop zij stelt schade te hebben geleden, liggen in het gebied ‘De Korendijksche Slikken’ dat bij besluit van de toenmalige staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 23 maart 1978 is aangewezen als beschermd natuurmonument.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 328,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, voorzitter, en mr. A.G. van Malenstein en mr. F.A. Mulder, leden, in aanwezigheid van mr. J. Houtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015.
de griffier is buiten staat
deze uitspraak te ondertekenen
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.