Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2013-12-12
ECLI:NL:RBROT:2013:10241
Bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummers: ROT 13/2157, ROT 13/3989, ROT 13/4152, ROT 13/4319, ROT 13/4374, ROT 13/5429 en ROT 13/5827 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2013 in de zaken tussen [eiser], te Rotterdam, eiser, gemachtigde: mr. H.P. Olthof, en de minister van Veiligheid en Justitie, Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, verweerder, gemachtigden: mr. drs. J.C. Menken en mr. P. Luschen. Bij beschikking met CJIB-nummer [nummer] is aan eiser, geboren [geboortedatum], een sanctie van € 29,- opgelegd vanwege een verkeersovertreding op 29 augustus 2012. Eiser heeft bij brief van 18 oktober 2012 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van diverse documenten die zien op de sanctie (Wob-verzoek). Bij besluit van 5 december 2012 (het primaire besluit), kenmerk Y34002, heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist. Op 9 december 2012 heeft eiser met verwijzing naar verweerders kenmerk bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft eiser op 9 januari 2013 bericht dat de beslissing op het bezwaar met zes weken wordt verdaagd. Bij brief van 23 mei 2013 heeft eiser verweerder gevraagd naar de voortgang van de afdoening van zijn brief van 9 december 2012. Eiser noemt in deze brief niet het kenmerk van verweerders primaire besluit noch het CJIB-nummer. Op 26 juni 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op het bezwaar van 9 december 2012. Bij besluit van 19 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar van 9 december 2012 kennelijk niet ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de niet doorzending van eisers Wob-verzoek en heeft met verwijzing naar artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangegeven geen dwangsom verschuldigd te zijn. Bij beschikking met CJIB-nummer[nummer] is aan eiser een sanctie van € 46,- opgelegd vanwege een verkeersovertreding op 16 september 2012. Eiser heeft bij brief van 1 november 2012 op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van diverse documenten die zien op de sanctie (Wob-verzoek I). Verweerder heeft eiser op 28 november 2012 bericht dat de behandeling van Wob-verzoek I met ten hoogste vier weken wordt verdaagd. Bij besluit van 8 januari 2013 (het primaire besluit I), kenmerk Y58551, heeft verweerder op het Wob-verzoek I beslist. Eiser heeft bij brief van 18 januari 2013 op grond van de Wob wederom verzocht om openbaarmaking van het zaakoverzicht (Wob-verzoek II). Op 18 februari 2013 heeft eiser met verwijzing naar verweerders kenmerk bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I. Verweerder heeft eiser op 6 maart 2013 bericht dat de beslissing op het bezwaar met zes weken wordt verdaagd. Bij besluit van 6 maart 2013 (het primaire besluit II), kenmerk Y58551, heeft verweerder beslist op het Wob-verzoek II. Op 16 april 2013 heeft eiser, zonder verwijzing naar verweerders kenmerk, bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 6 maart 2013. Eiser vermeldt bij uw kenmerk het CJIB-nummer. Bij brief van 30 mei 2013 heeft eiser verweerder gevraagd naar de voortgang van de afdoening van zijn brief van 16 april 2013. Eiser noemt in deze brief niet het kenmerk van verweerders primaire besluit maar het CJIB-nummer. Op 24 juni 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op het bezwaar van 16 maart (de rechtbank leest: april) 2013. Bij besluit van 20 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar van 16 april 2013 kennelijk ongegrond verklaard en met verwijzing naar artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb aangegeven geen dwangsom verschuldigd te zijn. Bij beschikking met CJIB-nummer [nummer] is aan eiser een sanctie van € 29,- opgelegd vanwege een verkeersovertreding op 17 september 2012. Eiser heeft bij brief van 1 november 2012 op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van diverse documenten die zien op de sanctie (Wob-verzoek). Verweerder heeft eiser op 28 november 2012 bericht dat de behandeling van het Wob-verzoek met ten hoogste vier weken wordt verdaagd. Bij besluit van 9 januari 2013 (het primaire besluit), kenmerk Y58552, heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist. Op 19 februari 2013 heeft eiser met verwijzing naar verweerders kenmerk bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 16 mei 2013 heeft eiser verweerder gevraagd naar de voortgang van de afdoening van zijn brief van 19 februari 2013. Eiser noemt in deze brief het kenmerk van verweerders primaire besluit. Op 19 juni 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op het bezwaar van 19 februari 2013. Bij besluit van 15 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar van 19 februari 2013 kennelijk ongegrond verklaard. Bij beschikking met CJIB-nummer[nummer] is aan eiser een sanctie van € 92,- opgelegd vanwege een verkeersovertreding op 27 oktober 2012. Eiser heeft bij brief van 13 december 2012 op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van diverse documenten die zien op de sanctie (Wob-verzoek). Bij besluit van 29 januari 2013 (het primaire besluit), kenmerk Z39450, heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist. Op 8 maart 2013 heeft eiser met verwijzing naar verweerders kenmerk bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft eiser op 5 april 2013 bericht dat de beslissing op het bezwaar met zes weken wordt verdaagd. Bij brief van 5 juni 2013 heeft eiser verweerder gevraagd naar de voortgang van de afdoening van zijn brief van 8 maart 2013. Eiser noemt in deze brief niet het kenmerk van verweerders primaire besluit noch het CJIB-nummer. Op 9 juli 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op het bezwaar van 8 maart 2013. Bij besluit van 2 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar van 8 maart 2013 kennelijk ongegrond verklaard. Bij beschikking met CJIB-nummer [nummer] is aan eiser een sanctie van € 34,- opgelegd vanwege een verkeersovertreding op 7 september 2012. Eiser heeft onder meer bij brief van 7 januari 2013 op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van diverse documenten die zien op de sanctie (Wob-verzoek). Bij brief van 5 februari 2013 heeft eiser verweerder gevraagd naar de voortgang van de afdoening van zijn brief van 7 januari 2013. Eiser noemt in deze brief geen CJIB-nummer. Bij brief van 25 mei 2013 heeft eiser verweerder gevraagd naar de voortgang van de afdoening van zijn brieven van 7 januari 2013 en 5 februari 2013 en verzoekt daarbij tevens een dwangsombesluit te nemen. Eiser noemt in deze brief het CJIB-nummer. Bij besluit van 27 juni 2013, kenmerk AA2676, heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist. Op 23 juli 2013 verzoekt eiser verweerder binnen twee weken een dwangsombesluit te nemen. Eiser vermeldt in dit verzoek het kenmerk van verweerder. Op 21 augustus 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op eisers dwangsomvordering van 23 juli 2013. Op 6 november 2013 meldt verweerder geen dwangsom verschuldigd te zijn nu de brief van 5 februari 2013 pas op 25 mei 2013 voor het eerst bij verweerder bekend is geworden, waarbij uit het meegezonden faxbewijs niet valt op te maken dat deze specifiek betrekking heeft op het schrijven van 5 februari 2013. De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. T. Damsteegt en mr. M.C. Woudstra, leden, in aanwezigheid van C.J.H. Lamens-van den Bulk, griffier. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt. 1. De gemachtigde van eiser (hierna: de gemachtigde) heeft zich erin gespecialiseerd ontvangers van een boete voor een verkeersovertreding (hierna: verkeersboete) bij te staan. Op de website van de gemachtigde [website] was ten tijde van belang onder meer het volgende te lezen: Aanmelden verkeersboete: Kosteloos bezwaar Wij helpen u graag met uw bekeuring, dit kost u verder niets omdat de Officier onze kosten vergoedt. Iedere maand verloten wij 3 VVV Cadeaubonnen t.w.v. € 25,- onder ingezonden bekeuringen. Heeft u een verkeersboete ontvangen en wilt u deze liever niet betalen? Wij helpen u graag kosteloos! Er zijn in het verleden reeds vele gevallen geweest waarin het Openbaar Ministerie geen sluitend bewijs kon leveren dat een overtreding daadwerkelijk was begaan. U kunt hier uw voordeel mee doen! Zonder enig risico kunnen wij uw bekeuring bestrijden, u heeft er geen omkijken naar en misschien blijkt er in uw geval wel een probleem te zijn met de boete, waardoor u vrijuit kunt gaan! Kosteloos, hoe is dat mogelijk? Als uw zaak wordt gewonnen dan moet de overheid onze kosten betalen, hier zijn standaard bedragen voor vastgesteld. Het ‘no cure no pay’ principe geldt voor alle werkzaamheden die voortvloeien uit de boete, waaronder het opvragen van informatie. Dienen wij binnen de trajecten extra werkzaamheden te verrichten - zoals het maken van bezwaar omdat niet alle gegevens zijn verstrekt - dan worden ook hier de gemaakte kosten verrekend met een kostenvergoeding van de overheid. In de praktijk komt het erop neer dat slechts wanneer u wint wij een rekening sturen die gelijk is aan het ontvangen bedrag aan proceskosten, indien deze zijn toegewezen. Indien er geen proceskosten zijn toegewezen zult u dus ook geen rekening ontvangen. Dat is ‘no cure no pay’, met als extra dat u feitelijk nooit uw eigen portefeuille hoeft te trekken! 2. De gemachtigde heeft op verzoek van diverse cliënten administratief beroep ingesteld tegen opgelegde verkeersboetes. Vervolgens heeft de gemachtigde aanzienlijke aantallen Wob-verzoeken, ingebrekestellingen en verzoeken om het vaststellen van verbeurde dwangsommen aan verweerder gezonden. Alleen al in 2013 heeft de gemachtigde namens ongeveer 300 cliënten meer dan 1000 Wob-verzoeken bij verweerder ingediend. De brieven van de gemachtigde zijn gestandaardiseerd zodat het voorkomt dat identieke ingebrekestellingen op dezelfde dag worden verzonden waarbij slechts wordt verwezen naar een verzoek gedaan op een eerdere datum. De gemachtigde heeft ten aanzien van dezelfde verkeersboete regelmatig meer Wob-verzoeken ingediend. 3. Ook eiser heeft zich tot de gemachtigde gewend. Eiser heeft hierbij de volgende algemene machtiging ondertekend: “Hierbij machtig ik (de rechtbank:eiser) H.P. Olthof, [bedrijf verweerder] en door deze gemachtigde medewerkers, gevestigd te[vestigingsplaats] (hierna: Opdrachtnemer), om zich te laten vertegenwoordigen in procedures tegen boetes, parkeerbelasting, gemeentelijke belastingen en woz-aanslagen. Ondergetekende machtigt Opdrachtnemer om alle handelingen te ondernemen die Opdrachtnemer hiertoe nodig acht. (Bijvoorbeeld: Het uitvoeren van informatieverzoek in het kader van de Wob.) De machtiging strekt tot het doen van alle nodige aanvragen, bezwaren en beroepen bij alle Nederlandse gerechtelijke instanties en bestuursorganen. Daarnaast machtigt ondergetekende Opdrachtnemer tot het aannemen van sommen ten behoeve van griffierechten, proceskostenvergoedingen bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, dwangsommen en andere sommen die redelijkerwijs op het pad van de procedure liggen. Tot slot gaat ondergetekende akkoord met de voorwaarden van de Opdrachtnemer met betrekking tot de behandeling van de aangebrachte zaken. Naam, datum/plaats, handtekening.” 4. De gemachtigde heeft namens eiser administratief beroep tegen een verkeersboete ingesteld en een Wob-verzoek ingediend. De gemachtigde heeft vervolgens namens eiser wegens het uitblijven van een besluit op zijn Wob-verzoek verweerder in gebreke gesteld, na het verstrijken van de termijn verzocht om vaststelling van een dwangsom, vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn Wob-verzoek en bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om de verschuldigdheid van een dwangsom vast te stellen, na een inhoudelijke beslissing op het Wob-verzoek bezwaar gemaakt, verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar, na het verstrijken van de termijn verzocht om vaststelling van een dwangsom en vervolgens beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en de verschuldigdheid van het vaststellen van een dwangsom. In het gestandaardiseerde bezwaarschrift dat verweerder per fax heeft ontvangen, is door (de gemachtigde van) eiser een verkeerd postbusnummer vermeld, hetgeen bij verweerder tot vertraging in de verwerking heeft geleid. Ook heeft de gemachtigde diverse malen geen kenmerk genoemd. De rechtbank merkt op dat, anders dan de gemachtigde meent, de e‑mails die de gemachtigde heeft overgelegd als bewijs dat faxen succesvol bij verweerder zijn afgeleverd, geen sluitende bewijzen zijn omdat de bedoelde bevestigingsmail van verzending op een eerder moment (bijvoorbeeld 3.51 uur) door de gemachtigde is ontvangen dan dat de fax naar verweerder zou zijn verzonden (bijvoorbeeld 12.51 uur). 5. De grote hoeveelheid correspondentie van de zijde van (de gemachtigde van) eiser heeft bij verweerder tot vertraging in de verwerking en afdoening geleid, als gevolg waarvan verweerder in beginsel verschuldigd is dwangsommen aan (de gemachtigde van) eiser te betalen. 6. Door de geschetste gang van zaken is het de vraag of (de gemachtigde van) eiser op juiste wijze van zijn bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. Bevoegdheden (rechten) kunnen immers worden misbruikt. De aard van de verhouding tussen overheid en burger brengt naar het oordeel van de rechtbank wel mee dat minder snel mag worden aangenomen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. De positie van de overheid is immers bijzonder. Een burger moet de nodige ruimte worden geboden om tegen besluiten van de overheid op te komen. Een bevoegdheid kan echter onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Het voorgaande is bepaald in artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW), welke bepaling gelet op artikel 3:15 van het BW ook buiten het vermogensrecht van toepassing is, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. De bestuursrechtelijke aard van een rechtsbetrekking, zoals hier aan de orde, staat er niet aan in de weg dat ook in die verhouding een bevoegdheid kan worden misbruikt door een burger jegens de overheid. Dit oordeel vindt bevestiging in eerdere jurisprudentie van zowel de civiele rechter als bestuursrechter. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft (de gemachtigde van) eiser van de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen, ingebrekestellingen naar verweerder te zenden, in beroep te gaan wegens het niet tijdig nemen van een besluit, in bezwaar te gaan tegen verweerders besluiten, wederom ingebrekestellingen te verzenden en vervolgens in beroep te gaan bij de rechtbank in verband met het niet tijdig beslissen op bezwaar door verweerder, misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden.