Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-12-07
ECLI:NL:RBROT:1999:AA5150
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: POST 99/1837-SIMO Uitspraak in het geding tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, eiser, en de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder, gemachtigde mr E.J. Daalder, advocaat te Den Haag. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 9 juni 1999 heeft verweerder aan de gemeente Oss een last onder dwangsom opgelegd. Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 28 juni 1999 bezwaar gemaakt. Voorts heeft eiser bij brief van eveneens 28 juni 1999 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het primaire besluit (reg.nr. POST 99/1399-SIMO). Bij besluit van 2 augustus 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 17 augustus 1999 beroep ingesteld. Bij faxbericht van 19 augustus 1999 heeft eiser het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de rechtbank bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld. Verweerder heeft bij brief van 17 september 1999 een verweerschrift ingediend. Op 21 september 1999 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de stukken van de procedure met het reg.nr. POST 99/1399-SIMO deel uitmaken van de gedingstukken. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 1999. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr H. Borburgh, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, W. Slebus, C. Huisman en mr W. Hoefnagel, allen werkzaam bij de gemeente Oss, en P. van der Steen, directeur van de IBN-groep. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, met bijstand van mr M.A. Theuerzeit, werkzaam bij verweerder. 2. Overwegingen De rechtbank stelt allereerst vast dat de raad van de gemeente Oss bij besluit van 27 oktober 1995 aan eiser de bevoegdheid van de raad tot het voeren van bestuursrechtelijke procedures heeft gedelegeerd "zowel voor het geval dat de raad optreedt als bestuursorgaan als wanneer de raad optreedt namens de gemeente als rechtspersoon". Eiser was derhalve bevoegd bezwaar te maken tegen het primaire besluit en beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Artikel 12, eerste tot en met derde lid, van de Postwet - voorzover hier van belang - luidt: "1. Het is anderen dan de houder van de concessie verboden om tegen vergoeding brieven die elk afzonderlijk ten hoogste 500 gram wegen te vervoeren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op brieven die: (...) c. anders dan bedrijfsmatig worden vervoerd in opdracht van één natuurlijk persoon en de leden van zijn gezin, of van één rechtspersoon of onderdeel daarvan, mits van één adres afkomstig. (...) 3. Het is verboden om brieven te doen vervoeren, indien dit vervoer geschiedt in strijd met het eerste lid.". Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. In artikel 5:22 van de Awb is bepaald dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts bestaat indien zij bij of krachtens de wet is toegekend. Uit artikel 15, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit en artikel 15a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Postwet volgt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang in een geval als het onderhavige wordt uitgeoefend door verweerder. Artikel 5:32 van de Awb luidt: "1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. 2. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel De hoogte van de dwangsom is bepaald op f 1000,-- voor elke dag na 1 september 1999 waarop de gewraakte handelwijze voortduurt. Het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is tenslotte "voorlopig" vastgesteld op f 30.000,--. Bij het bestreden besluit is het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat verweerder er - primair - van uitgaat dat de IBN-groep tot de (interne organisatie van de) gemeente Oss behoort, zodat de gemeente zelf, tegen vergoeding, de brieven vervoert en derhalve handelt in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Postwet. Voorts wordt - "[w]ellicht ten overvloede" - nog opgemerkt dat in het geval dat zou moeten worden geoordeeld dat de IBN-groep niet tot de (interne organisatie van de) gemeente behoort, de gemeente de brieven niet zelf tegen vergoeding vervoert, maar deze tegen vergoeding doet vervoeren door de IBN-groep. Voor dat geval is verweerder van oordeel dat de gemeente handelt in strijd met artikel 12, derde lid, van de Postwet. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiser heeft - met een beroep op de wetsgeschiedenis - primair aangevoerd dat verweerder een onjuiste, namelijk te ruime, uitleg geeft aan het in artikel 12, eerste lid, van de Postwet neergelegde verbod. Eiser is van mening dat artikel 12, eerste lid, van de Postwet niet mede inhoudt een verbod voor natuurlijke personen en rechtspersonen om zelf de eigen post te bezorgen, maar slechts betrekking heeft op vervoer tegen vergoeding door een derde, dat wil zeggen door een andere vervoerder dan de concessiehouder. Onder "tegen vergoeding (...) vervoeren" wordt in artikel 12, eerste lid, van de Postwet volgens eiser dan ook niet begrepen - en kan ook niet worden begrepen - vervoer in eigen beheer door een rechtspersoon, ook niet als dat vervoer plaatsvindt door eigen - betaalde - medewerkers. Eiser heeft gesteld dat de IBN-groep een bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen opgericht openbaar lichaam ter uitvoering van de WSW is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 1996 (no. H01.96.0261) heeft eiser vervolgens betoogd dat, waar de hiervoor bedoelde gemeenschappelijke regeling mede is aangegaan door de gemeente Oss, de IBN-groep moet worden geacht te behoren tot de (interne organisatie van de) gemeente en derhalve sprake is van het zelf vervoeren door de gemeente Oss van de eigen post. Aangezien zulks niet valt onder het verbod van artikel 12, eerste lid, van de Postwet, heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat de gemeente Oss handelt in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Postwet en heeft verweerder eveneens ten onrechte getoetst of de in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Postwet vervatte uitzonderingsgrond zich voordoet. Subsidiair - dat wil zeggen voor het geval toch zou moeten worden geoordeeld dat de gemeente handelt in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Postwet - heeft eiser aangevoerd dat geen sprake is van bedrijfsmatig vervoer, zodat de in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Postwet vervatte uitzonderingsgrond zich anders dan verweerder meent wel degelijk voordoet. Verweerder is - eveneens met een beroep op de wetsgeschiedenis - van oordeel dat het verbod van artikel 12, eerste lid, van de Postwet niet alleen betrekking heeft op vervoer tegen vergoeding door een derde, maar op elk vervoer tegen vergoeding anders dan door de concessiehouder. Het verbod is dan dus ook van toepassing in een situatie waarin post in eigen beheer tegen vergoeding wordt vervoerd, waarvan sprake is als - kort gezegd - de eigen post structureel en in georganiseerd verband door betaalde medewerkers wordt bezorgd. In het onderhavige geval is daarvan naar het oordeel van verweerder sprake, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat de gemeente Oss jaarlijks een vergoeding aan de IB