Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-12-02
ECLI:NL:RBROT:1999:AA5129
A R R O N D I S S E M E N T S R E C H T B A N K T E R O T T E R D A M Zaak/rolnummer: 128771/KG-ZA 99-1657 Uitspraak: 2 december 1999 VONNIS van de president in kort geding in de zaak van: [eiser] te [woonplaats] eiser, procureur mr. P.W. van Baal, advocaat mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, t e g e n DE GEMEENTE ROTTERDAM, zetelende te Rotterdam, gedaagde, procureur mr. R.B. Gerretsen, advocaat mr. G.J.M. Cartigny. Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respec-tievelijk "de gemeente". 1. Het verloop van het geding Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken: dagvaarding; pleitnotities en producties van mr. Vijlbrief-Van der Schaft, pleitnotities en producties van mr. Cartigny. De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten nog nader toegelicht. 2. Het geschil 2.1 Na wijziging van eis vordert [eiser] in dit kort geding dat: 1) het bestreden besluit van 27 april 1999 van de raad van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek wordt vernietigd en/of buiten werking wordt gesteld; 2) wordt bepaald dat [eiser] wordt toegelaten als bur-gercommissielid in de commissies Vifaz, Welzijn, ROB en ESB voor de Onafhankelijke Partij Leefbare Wijk (hierna: OPLW) , althans een zodanige voorziening als in goede justitie ge-acht wordt gerechtvaardigd te zijn, 3) wordt bepaald dat de gemeente/de deelgemeenteraad de eer en goede naam van [eiser] herstelt door een rectificatie te publiceren in twee huis-aan-huisbladen van de deelgemeen-te; 4) de gemeente/de deelgemeenteraad wordt veroordeeld in de kos-ten van deze procedure. 2.2 [eiser] heeft aan zijn vorderingen - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat de raad van de deelgemeente Hillegers-berg-Schiebroek en daarmee de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien het bestreden besluit (hem niet te benoemen als burgercommissielid) geen wettelijke grondslag heeft, het bestreden besluit in strijd is met de door de deelgemeenteraad zelf vastgestelde regelingen, de deelgemeenteraad door het besluit te nemen zijn bevoegdheid heeft overschreden, het bestreden besluit in strijd is met het grondwettelijk recht van hoor en wederhoor, het gelijkheidsbe-ginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de deelgemeenteraad na afweging van alle belangen niet in rede-lijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. 2.3 De gemeente heeft primair geconcludeerd dat de president zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van [eiser] ken-nis te nemen en subsidiair dat [eiser] in zijn vorde-ringen niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dat deze hem worden ontzegd. Volgens de gemeente is de materie die in casu ter discussie staat bij uitstek politiek van aard. Het betreft hier immers de vraag of iemand ([eiser]) wel of niet deel uitmaakt (als plaatsvervangend lid) van een politiek orgaan (zelfs een vertegenwoordigend orgaan, althans een commissie daaruit) . De kwestie raakt daarmee het hart van de machtenscheiding en de trias politica. De gemeente is van mening dat de burgerlijke rechter zich van een oordeel over dergelijke “ political ques-tions"” zou moeten onthouden. Voorts heeft [eiser] volgens de gemeente geen spoedeisend belang bij een uitspraak in kort geding. [eiser] heeft op pas 15 oktober 1999 bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening gevraagd en pas op 16 november 1999 een dagvaarding in kort geding doen uitbrengen, terwijl het ge-wraakte besluit al van 27 april 1999 dateert. Voor het geval de president aan een inhoudelijke beoordeling toekomt, is de gemeente van oordeel dat de door [eiser] bestreden gang van zaken in overeenstemming is met de bedoe-ling van de deelgemeentewetgever en dat de gekozen opzet - be-sluitvorming in twee fasen over het burgercommissielidmaat-schap - niet in strijd is met de wet. 3. De beoordeling De feiten 3.1 [eiser] is door de OPLW voorgedragen als burgercommis-sielid van de vaste adviescommissies aan de raad van de deel-gemeente Hillegersberg-Schiebroek. In de vergadering van de deelgemee Artikel 23, eerste tot en met derde lid, van de Verordening op de deelgemeenten (hierna: de Verordening) luidt: 1. De deelgemeenteraad kan commissies van advies instellen en op-heffen. 2. Hij regelt de taken en de samenstelling. Tevens stelt hij een reglement van orde voor de vergaderingen en de andere werkzaamhe-den van de commissies vast. 3. Van commissies van advies kunnen niet-deelgemeenteraadsleden lid zijn. Artikel 24, eerste lid, van de Verordening luidt: De instelling en opheffing van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur en de regeling van hun taken en samenstelling geschieden door de deelgemeenteraad op voorstel van het dagelijks bestuur. In zijn vergadering van 15 december 1999 heeft de deelgemeen-teraad, met toepassing van artikel 23, derde lid, van de Ver-ordening, besloten tot instelling van het instituut burgercom-missielid. Bij het instellingsbesluit is bepaald dat een aan-tal uitgangspunten zal worden gehanteerd, waaronder: 3. Alleen niet verkozen kandidaten van de kandidatenlijst van de laatst gehouden verkiezingen kunnen worden benoemd, met dien ver-stande dat kandidaten met voldoende voorkeurstemmen, dat wil zeg-gen met meer dan 25% van de kiesdeler, voorgaan. 4. De vereisten die gelden voor het lidmaatschap van raadsleden zijn van overeenkomstige toepassing voor burgercommissieleden. 7. Burgercommissieleden worden door de fracties voorgedragen en benoemd door de raad. De benoemingsprocedure is dezelfde als voor raadsleden. 8. Burgercommissieleden leggen bij hun benoeming een soortgelijke eed of verklaring en belofte af als de raadsleden. Blijkens de notitie van het dagelijks bestuur bij het (con-cept-)instellingsbesluit is uitgangspunt 3 opgenomen, teneinde zoveel mogelijk de relatie in stand te houden met de democra-tische beginselen van de verkiezingen en wordt met uitgangs-punt 4 bedoeld de vereisten als opgenomen in de artikelen 10, 13, 15 en 28 van de Gemeentewet. Ten aanzien van de benoe-mingsprocedure is vermeld dat, omdat het burgercommissielid niet direct is gekozen, maar wordt gerecruteerd uit de kandi-datenlijst, de benoeming alleen kan plaatsvinden op basis van een voordracht en dat, om in het kader van de benoeming de po-sitie van het burgercommissielid vergelijkbaar te houden, met die van het raadslid, het onderzoek naar de geloofsbrieven moet plaatsvinden voordat het burgercommissielid de werkzaam-heden als commissielid uitvoert. Een en ander is opgenomen in het door de deelgemeenteraad in zijn vergadering van 27 april 1999 vastgestelde Reglement van orde voor de commissies 1999 (hierna: het Reglement). Artikel 4, tweede lid, van het Reglement luidde destijds: De leden van een commissie worden door de deelgemeenteraad uit zijn midden benoemd. Artikel 5, vijfde lid, van het Reglement luidde destijds: De burgercommissieleden worden door de deelgemeenteraad benoemd. De artikelen 10, 12, 15 en 28 van de Gemeentewet: zijn van overeen-komstige toepassing. Zoals hierboven onder 3.1 is vermeld heeft deze procedure ook ten aanzien van [eiser] plaatsgevonden. Dit deel van de besluitvorming wordt door [eiser] ook niet onrechtmatig geacht. 3.7 De gemeente heeft onweersproken gesteld dat de benoeming van deelgemeenteraadsleden als cornmissielid geschiedt door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes, overeenkomstig arti-kel 32 van het Reglement van orde voor de vergaderingen van de raad van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek (voorheen artikel 27) . Het onderzoek na:ar de geloofsbrieven van een deelgemeenteraadslid heeft -reeds plaatsgevonden, voorafgaande aan zijn toelating-als lid van de deelgemeenteraad. Overeenkomstig de benoemingsprocedure voor een deelgemeente-raadslid als commissielid is in casu, nadat de hierboven onder 3.6 geschetste procedure was afgerond, de benoeming van de burgercommissieleden in de vaste commissies, waaronder dus [eiser], geschied door middel van gesloten en ongete-kende stembriefjes. Zulks volgens [eiser] ten onrechte. 3.8 Hoewel het instellings