Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-06-15
ECLI:NL:RBROT:1999:AA4701
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM President Reg.nr.: VAPV 99/1110-S2 APV 99/1111-S2 (hoofdzaak) Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in verband met het geding tussen Natuur- en vogelwacht "Rotta", verzoekster, gemachtigde mr W.K.M. Uytdehaage, en het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 30 juni 1998 heeft de algemeen directeur van de Dienst Gemeentewerken van de gemeente Rotterdam (hierna: de directeur Gemeentewerken Rotterdam), daartoe gemachtigd door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, een vergunning aangevraagd voor het rooien van 20 bomen en 305 m² bosplantsoen in verband met de aanleg van een complex moestuinen. Bij brief van 17 juli 1998 heeft de directeur Gemeentewerken Rotterdam een vergunning aangevraagd voor het rooien van 34 bomen in verband met de voorgenomen bodemsanering van het terrein op de hoek van de Lage Limiet en de Wildersekade. Bij besluit van 2 november 1998 heeft verweerder aan de directeur Gemeentewerken Rotterdam vergunning verleend voor het kappen van 20 en 34 bomen aan de Lage Limiet/Wildersekade, onder oplegging van een herplantplicht voor 20 en 34 bomen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 24 november 1998 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 12 april 1999 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 19 mei 1999 beroep ingesteld. Tevens is bij schrijven van eveneens 19 mei 1999 aan de president van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit. Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 juni 1999 alwaar verzoekster is verschenen vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door J.H. Ochtman en H.M. Bes. Namens verweerder is verschenen mr J. Kersten. 2. Overwegingen Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak kan doen. De president is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Onder een belanghebbende dient, gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te worden verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van artikel 1:2 van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de bedoelde omschrijving veilig beoogt te stellen dat verenigingen of stichtingen kunnen gelden als belanghebbenden, mits een algemeen of collectief belang, dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen én waarvoor zij zich ook daadwerkelijk inzetten, bij het besluit in kwestie rechtstreeks betrokken