Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-12-02
ECLI:NL:RBROT:1999:AA4121
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: AW 98/774-DLD Uitspraak in het geding tussen A, wonende te B, eiser, gemachtigde: mr M.Th.M. Zumpolle en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 27 november 1996 heeft eiser aan verweerder vergoeding van de schade verzocht die hij heeft geleden als gevolg van het door verweerder in bezwaar herroepen besluit van 26 oktober 1995 op grond waarvan eisers bezoldiging over de periode 1 november 1995 tot 18 januari 1996 is ingehouden. Bij besluit van 27 mei 1997 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 augustus 1997 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 maart 1998, verzonden op 23 maart 1998, heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder handhaving van het besluit van 27 mei 1997. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 20 april 1998 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 7 juli 1998 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 1999. Eiser en zijn gemachtigde waren, zoals kort tevoren schriftelijk aangekondigd, niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr M.E. Kleiweg de Zwaan. 2. Overwegingen Bij besluit van 26 oktober 19 ' 95 is namens verweerder aan eiser medegedeeld dat gelet op artikel 58, tweede lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AAR) zijn aanspraak op betaling van bezoldiging met ingang van 1 november 1995 verviel aangezien hij weigerde mede te werken aan een geneeskundig onderzoek c.q. hij weigerde relevante informatie te verstrekken. De bezoldiging verviel tot het moment dat hij een psychiatrisch/psychologisch onderzoek zou hebben ondergaan en de bedrijfsarts de door hem gewenste gegevens van de cardioloog zou hebben ontvangen. Nadat eiser op 18 januari 1996 ten genoegen van verweerder aan de gestelde voorwaarden had voldaan, is de uitbetaling hervat. Eiser had inmiddels bij brief van 22 november 1995 tegen het besluit van 26 oktober 1995 bezwaar gemaakt. Op 2 juli 1996 heeft de ABC naar aanleiding van het bezwaarschrift advies uitgebracht. In dit advies overweegt de commissie, na uiteengezet te hebben, waarom het bezwaar ondanks termijnoverschrijding ontvankelijk geacht moest worden, onder meer: "Gegeven de ingrijpendheid van een uitgebreid psychiatrisch onderzoek, het feit dat appellant niet in absolute zin heeft geweigerd om daaraan mede te werken en het ontbreken van concrete en overtuigende aanwijzingen op grond waarvan duidelijk zou kunnen worden waarom de Arbo-dienst een dergelijk onderzoek geïndiceerd achtte, laat de commissie de bij haar bestaande twijfel bij het antwoord op de vraag of van appellant gevergd kon worden aan het onderzoek mee te werken in het voordeel van appellant spreken. Dit houdt in dat de vaststelling dat de aanspraak van appellant op bezoldiging was vervallen naar het oordeel van de commissie geen stand kan houden.". Bij besluit van 27 september 1996 heeft verweerder de in het preadvies vervatte overwegingen volledig overgenomen en tot de zijne gemaakt, het besluit van 26 oktober 1995 herroepen en bepaald dat eiser over de periode 1 november 1995 tot 18 januari 1996 alsnog aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging kon maken. Verweerder heeft bij het besluit van 27 september 1996 geen beslissing genomen over eisers in het bezwaarschrift verwoorde verzoek hem de kosten van juridische bijstand, gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, te vergoeden en hem rente uit te betalen over de ten onrechte niet betaalde bezoldiging. Bij brief van 22 november 1996 heeft eisers gemachtigde verweerder gevraagd alsnog een beslissing over deze kwesties te nemen. Hij heeft daarbij aangegeven, dat zulks naar zi3n mening ten onrechte niet bij het besluit op zijn bezwaarschrift reeds gebeurd was. Verweerder heeft be