Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-09-27
ECLI:NL:RBROT:1999:AA3685
449 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: DIVERS 97/2215-DLD Uitspraak In het geding tussen de Minister van Verkeer en Waterstaat, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat, eiser en dijkgraaf en heemraden van het waterschap Goeree-Overflakkee, verweerders. Aan het geding heeft als derde-partij deelgenomen A te B, gemachtigde: mr J.C.G. Franken 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 28 juni 1996 heeft eiser bij verweerders een vergunning aangevraagd, waarbij ontheffing verleend zou worden van het bepaalde in artikel 49 van de Keur voor het waterschap Goeree-Overflakkee (hierna: de keur). Bij besluit van 16 september 1996, verzonden op 26 september 1996 (hierna: het primaire besluit), hebben verweerders aan de Staat der Nederlanden onder voorwaarden de gevraagde vergunning verleend. De vergunning strekt tot het uitvoeren van ont-gravingen in het voorland langs de Dijk van de Westplaat Buitengronden, (primaire waterkering), het verleggen en plaatselijk verlagen van de vooroeververdediging ter plaatse en het hebben en onderhouden van deze werken in het westelijk deel van de Westplaat-buitengronden in/op de percelen kadastraal bekend als gemeente Dirksland, sectie D, nr. 195 en gemeente Sommelsdijk, sectie A, nrs. 677, 678, 821, 822, 661, 752, 758, 759, 762, 763, 753, 754, 764 en 765. Doel van een en ander is het westelijk deel van de Westplaat Buitengronden in te richten als natuurgebied. Tegen dit besluit heeft onder anderen A te B, eigenaar van binnendijks in de directe nabijheid van de Westplaat gelegen landbouwgronden (hierna: A), bij brief van 6 november 1996, ingekomen bij verweerders op 6 november 1996, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 februari 1997, verzonden op 3 april 1997, hebben verweerders het bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit herroepen. De verleende vergunning van 16 september 1996 werd ingetrokken. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 14 mei 1997 (ingekomen bij de rechtbank op 15 mei 1997) beroep ingesteld. Bij brief van eveneens 14 mei 1997 is namens eiser de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De president heeft bij uitspraak van 4 juni 1997 het verzoek om een voorlopige voorziening wegens het ontbreken van spoedeisend belang afgewezen. Verweerders hebben bij brief van 14 juli 1997 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 1999. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr C.M. van Hoorn en ing. W. Snijders. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door ing. D.C. Goekoop en mr J.B. van Gerdingen. De derde-partij is zonder bericht niet verschenen. 2. Overwegingen In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven. Ingevolge artikel 49 van de keur is het betreffende het voorland langs de hoofdwaterke-ring verboden: a) hierin te graven, te doen graven of ingravingen te hebben, behoudens uitvoering van normale land- en tuinbouwwerkzaamheden; b) deze op te hogen, te doen ophogen, ophogingen te wijzigen of te hebben; c) buisleidingen, kabels en dergelijke hierin of hierop te leggen, deze te verleggen, te herstellen, te vernieuwen, te verwijderen of te hebben; d) de afmeting van buitendijkse watergangen te wijzigen; e) de afvoer van water door deze watergangen te belemmeren of te stremmen. In artikel 50 van de keur is bepaald dat het betreffende de oevervoorzieningen langs het voorland is verboden: a) werken uit te voeren of te doen uitvoeren, welke wijziging brengen in de ligging, de afmetingen of de samenstelling hiervan; b) hierin te graven, te doen graven of ingravingen te hebben; c) deze op enigerlei wijze te beschadigen of te doen beschadi-gen; d) palen, steigers en andere constructies of werken hierop of hierin te maken, te plaatsen, te leggen, aan te brengen, te veranderen, te herstellen, te vernieuwen, te verwijderen of te hebben; e) b