Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-02-23
ECLI:NL:RBROT:1999:AA3506
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige Kamer Schriftelijke uitspraak Reg.nr.: DIVERS 97/3155-R6 Inzake het geding tussen A te B, eiseres, gemachtigde mr P. Rens, advocaat te Rotterdam, en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna VWS), verweerder. 1. Dagtekening uitspraak 23 februari 1999 2. Aanduiding bestreden besluit Het besluit van verweerder van 26 juni 1997, reg.nr. DWJZ-97144/11. 3. Feiten welke de rechtbank als vaststaand aanneemt Bij schrijven van 1 september 1995 heeft eiseres verzocht om in het bezit te worden gesteld van een opiumverlof ingevolge de artikelen 6 en 7 van de Opiumwet, met als doel: handel in en bereiding van de middelen medical grade cannabinol en medical grade marihuana. Daarnaast heeft eiseres verzocht om in het bezit gesteld te worden van een groothandelsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Bij schrijven van 12 december 1996 heeft verweerder het verzoek om het verlenen van een opiumverlof niet ingewilligd, aangezien het belang van de volksgezondheid niet vordert dat het gevraagd opiumverlof wordt verleend. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat eiseres het middel marihuana beoogt voor geneeskundige doeleinden aan apothekers af te leveren. Niet is gebleken dat er voldoende objectieve gegevens zijn over de werking en bijwerking(en) van het middel. Ook is niet gebleken dat het gebruik van marihuana voor geneeskundige doeleinden op wetenschappelijk verantwoorde wijze is geëvalueerd. Op 23 januari 1997 heeft de gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt tegen het bovengenoemde besluit. Op 22 april 1997 zijn partijen gehoord door de Commissie Bezwaarschriften Awb van het Ministerie van VWS (hierna: de Commissie). Op 19 juni 1997 heeft de Commissie advies uitgebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij voorlopig beroepschrift van 29 juli 1997, aangevuld bij beroepschrift van 4 november 1997, heeft eiseres tegen dit besluit beroep doen instellen. Verweerder heeft op 11 december 1997 een verweerschrift ingezonden en desgevraagd het rapport 'Marihuana als medicijn', dat de Gezondheidsraad op 3 december 1996 aan verweerder heeft aangeboden, overgelegd. Dit geding is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 2 december 1998, waar eiseres is vertegenwoordigd door M. de Wit en de gemachtigde voornoemd, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr O. Zeewuster en drs W. Scholten. 4. Overwegingen In dit geding is aan de orde het antwoord op de vraag of verweerder op goede gronden de bezwaren van eiseres tegen de weigering haar een opiumverlof en een groothandelsvergunning te verlenen, ongegrond heeft bevonden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Opiumwet is het verboden middelen als marihuana te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Opiumwet is dit verbod niet van toepassing voorzover de Minister van VWS schriftelijk verlof heeft gegeven tot het verrichten van een of meer van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde handelingen. Artikel 7, eerste lid, van de Opiumwet luidt: "Onze Minister kan een verlof als bedoeld in artikel 6, eerste lid, slechts verlenen: a. aan personen of instellingen die ten genoegen van Onze Minister aantonen dat zij het verlof nodig hebben voor wetenschappelijke of instructieve doeleinden; b. voorzover het belang van de volksgezondheid zulks vordert: 1. aan hen die in het bezit zijn van een uitsluitend tot het afleveren van geneesmiddelen verleende vergunning als bedoel in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening; 2. aan hen die in het bezit zijn van een vergunning tot het bereiden van geneesmiddelen en het afleveren daarvan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet op Geneesmiddelenvoorziening en ten genoegen van Onze Minister aantonen dat zij de in Wat betreft het beroep op het tijdschrift 'The Lancet' wijst verweerder erop dat voordat een geneesmiddel (dus ook marihuana) in de handel gebracht mag worden, altijd via wetenschappelijk onderzoek bewezen moet zijn dat aan criteria van kwaliteit, werkzaamheid en veiligheid wordt voldaan. Er kan niet slechts worden afgegaan op empirische gegevens en beweringen van wie dan ook. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiseres ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Opiumwet een verlof heeft aangevraagd, waarbij een beroep is gedaan op het belang van de volksgezondheid. Ingevolge artikel 7, eerste lid, Opiumwet bezit verweerder een discretionaire bevoegdheid om verlof te verlenen, indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat het belang van de volksgezondheid zulks vordert. Geconstateerd wordt dat verweerder alvorens hij het besluit in eerste aanleg heeft genomen, advies heeft ingewonnen bij de Inspecteur voor de Opiumwetzaken en vervolgens advies heeft gevraagd aan de Gezondheidsraad. De rechtbank stelt tevens vast dat het verstrekken van een groothandelsvergunning eerst aan de orde komt zodra aan eiseres een opiumverlof kan worden verleend. Het is de rechtbank niet gebleken dat er tijdens de bezwaarfase geen inhoudelijke heroverweging heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de Gezondheidsraad als een in medische kringen gezaghebbend orgaan kan worden aangemerkt zodat verweerder in principe ter motivering van een besluit als het onderhavige naar adviezen van de Gezondheidsraad kan verwijzen. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het advies van de Gezondheidsraad niet op zorgvuldige wijze tot stand zou zijn gekomen, kan niet worden gesteld dat verweerder dit advies niet ten grondslag aan het bestreden besluit had mogen leggen. Dat de vermeende politieke lading van het advies dit anders zou maken, vermag de rechtbank niet in te zien. Het is de rechtbank evenmin gebleken dat verweerder, dan wel de Commissie onvoldoende oog zouden hebben gehad voor de door eiseres aangedragen artikelen en rapporten. Verweerder heeft echter aanleiding gezien meer gewicht toe te kennen aan de resultaten van het rapport van de Gezondheidsraad, dat mede een uitgebreide literatuurstudie omvat. In zoverre kan dan ook niet worden gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende zou zijn gemotiveerd. De rechtbank stelt vervolgens vast dat uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van artikel 7, eerste lid, van de Opiumwet in casu, nu geen verlof voor wetenschappelijk onderzoek is gevraagd, afhankelijk is van het antwoord op de vraag in hoeverre het belang van de volksgezondheid zulks vordert. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor het beantwoorden van de vraag of verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat het belang van de volksgezondheid niet vordert dat een opiumverlof zoals door eiseres aangevraagd, wordt verleend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het rapport van de Gezondheidsraad wordt aangetoond dat omtrent de werkzaamheid en de schadelijkheid van marihuana als medicijn onvoldoende wetenschappelijk verantwoord onderzoeksresultaat voorhanden is om tot een definitief eindoordeel te komen. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Blijkens de conclusies van het rapport van de Gezondheidsraad zijn er thans onvoldoende wetenschappelijke gronden die het voorschrijven van marihuana of cannabinoïden rechtvaardigen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er (nog) geen sprake is van een zodanig brede medische consensus met betrekking tot de wenselijkheid van het voorschrijven van marihuana als medicijn dat gesproken kan worden van een situatie waarin het belang van de volksgezondheid vordert dat marihuana als medicijn kan worden voorgeschreven. Gezien het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat zich geen situatie voordoet waarin gebruik gemaakt zou kunnen worden van de bevoegdheid tot het verlenen van een