Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-03-17
ECLI:NL:RBROT:1999:AA3494
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM President Reg.nr.: VDIVERS 99/274-S1 Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om opheffing van de schorsing als bedoeld in artikel 16, zevende lid, tweede volzin, van de Monumentenwet 1988, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verzoeker in verband met de gedingen tussen 1. A te B (hierna: A), gemachtigde mr J.C.G. Franken, advocaat te Rotterdam; 2. Westersingel Holding B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: Westersingel), gemachtigde mr W.L. Stolk, advocaat te Rotterdam, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 21 december 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het college) aan X en Y, architecten te Gent (België) onder voorwaarde vergunning verleend voor het wijzigen en gedeeltelijk slopen van het pand Westersingel 83 te Rotterdam. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van A bij brief van 28 januari 1999 bezwaar gemaakt. Het college heeft bij brief van 29 januari 1999 de president verzocht de schorsing van het bestreden besluit op te heffen. Bij brief van 29 januari 1999 heeft de gemachtigde van Westersingel bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 1999. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden H.G. Elmendorp en mr S. Brevet, met bijstand van Chr. Dercon en P. Barendse. A is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Westersingel heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. 2. Overwegingen Op grond van artikel 16, zevende lid, eerste volzin, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Wet) wordt de werking van een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Artikel 16, zevende lid, tweede en derde volzin, van de Wet luidt: "De vergunninghouder kan de president van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.". Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een moge lijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover de behandeling van het verzoek meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissingen op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak. Artikel 3, eerste tot en met derde lid, van de Wet luidt: "1. Onze minister kan, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument. 2. Voordat Onze minister ter zake een beschikking geeft, vraagt hij advies aan de raad van de gemeente waarin het monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom tevens aan gedeputeerde staten. 3. Onze minister doet mededeling van de adviesaanvraag, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.". Ingevolge artikel 5 van de Wet voorzover hier van belang zijn met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet heeft plaa De Raad voor de Cultuur heeft de staatssecretaris op 23 februari 1999 onder meer geadviseerd positief te beslissen op het verzoek tot aanwijzing van het pand Westersingel 83 als beschermd monument. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft de staatssecretaris op 2 maart 1999 geadviseerd het pand Westersingel 83 niet aan te wijzen als beschermd monument. Bij besluit van 2 maart 1999 heeft de staatssecretaris het verzoek van A tot aanwijzing van het pand Westersingel 83 als beschermd monument afgewezen. Westersingel heeft de staatssecretaris bij brief van 2 maart 1999 verzocht de panden Westersingel 83 en 84 zowel elk afzonderlijk als gezamenlijk aan te wijzen als beschermd monument. Bij brief van 2 maart 1999 heeft de directeur van de dienst Stedebouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam namens het college aan X en Y, architecten, bericht dat gelet op de positieve adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de commissie voor Welstand en Monumenten van respectievelijk 24 februari 1999 en 1 maart 1999 aan de in de monumentenvergunning opgenomen voorwaarde is voldaan en dat er geen bezwaar meer bestaat om tot uitvoering van de werkzaamheden over te gaan. Daarbij is aan de architecten verzocht het nodige in het werk te stellen om ook de dubbele schuifdeur op de bel-etage te kunnen behouden, zoals door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is bepleit. Het college heeft zijn verzoek om opheffing van de schorsing van de monumentenvergunning als volgt gemotiveerd. In verband met de aanwijzing van Rotterdam als Culturele Hoofdstad van Europa in het jaar 2001 zullen diverse activiteiten worden georganiseerd, waarbij het museum als trekker zal fungeren met bijzondere tentoonstellingen. Voor deze tentoonstellingen zullen onder meer kunstwerken in bruikleen worden verkregen van gerenommeerde buitenlandse musea, die speciale eisen stellen aan de tentoonstellingsruimten. De huidige tentoonstellingsruimten voldoen niet aan deze eisen. Daarom is voorzien in uitbreiding en verbouwing van het museum. Onderdeel daarvan is het trekken van het pand Westersingel 83 bij het museum. De uitbreiding en verbouwing van het museum betekent een omvangrijke ingreep in de bestaande situatie. Voor de werkzaamheden is een strakke planning gemaakt, die ertoe moet leiden dat het museum tijdig gereed is. Elke maand uitstel van de werkzaamheden betekent een kostenpost van ongeveer f 100.000,--. Indien de planning niet wordt gehaald, komen voorts de toegezegde sponsorgelden ten bedrage van ongeveer f 8.000.000,-in gevaar. A en Westersingel hebben primair niet-ontvankelijkheid en subsidiair afwijzing van het verzoek bepleit. De president ziet zich allereerst gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoek. Uit artikel 16, zevende lid, tweede volzin, van de Wet en artikel 8:81, derde lid, van de Awb volgt dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, een verzoek om opheffing van de schorsing als bedoeld in artikel 16, zevende lid, tweede volzin, van de Wet wel kan worden gedaan door de vergunninghouder, maar niet door het bestuursorgaan dat de monumentenvergunning heeft verleend. De onderhavige monumentenvergunning is aangevraagd door X van X en Y, architecten, namens (de directeur van) het museum, en is ook aan X en Y, architecten, verleend. Ter zitting is overgelegd een besluit van het college van 26 februari 1999 waarbij, met terugwerkende kracht, X en Y, architecten, alsnog worden gemachtigd om namens het college de monumentenvergunning aan te vragen en ook te verkrijgen. De president leidt uit het besluit van 26 februari 1999 wat daar overigens ook van zij en uit het verhandelde ter zitting af dat het college de aanvraag van 3 september 1998 voor zijn rekening heeft genomen. Uit artikel 160 van de Gemeentewet vloeit voort dat het college ook bevoegd is een dergelijke aanvraag te doen. Nu de president in de gegeven omstandigheden voorts voldoende verzekerd acht dat de monumentenvergunning bij