Rechtspraak Rechtbank Roermond 2003-12-11
ECLI:NL:RBROE:2003:AO0709
Bestuursrecht
RECHTBANK ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr. : 03/1041 WW K1 Inzake : [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, tegen : de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gevestigd te Amsterdam, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 5 augustus 2003, kenmerk: BBK/BvD/2003.61839. Datum van behandeling ter zitting: 13 november 2003. I. PROCESVERLOOP Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 augustus 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 3 april 2003 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 3 april 2003 werd eiseres niet toegelaten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet en Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Tegen het besluit van 5 augustus 2003 is namens eiseres door mr. R.L.J.J. Vereijken bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Het beroep is aan de orde gesteld ter zitting van de rechtbank op 13 november 2003, waar geen van de partrijen is verschenen. II. OVERWEGINGEN Eiseres werkt sedert 1995 voor de Verenigde Naties bij het "International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia" (verder: het Joegoslavië Tribunaal) in 's-Gravenhage en heeft bij verweerder op 14 maart 2003 een aanvraag ingediend om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Zoals aangegeven is dat verzoek bij besluit van 3 april 2003 afgewezen. Daartoe werd overwogen dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering binnen vier weken na het einde van de verplichte verzekering moet worden ingediend en nu de verplichte verzekering van eiseres in 1995 is geëindigd heeft eiseres niet aan die voorwaarde voldaan. Abusievelijk is daarbij vermeld dat het verzoek van eiseres betrekking zou hebben op een vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet en WAO. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt en daarbij is onder meer een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en is aangegeven dat eiseres weliswaar in 1995 bij het Joegoslavië Tribunaal is gaan werken maar dat gedurende de eerste drie jaar van dat dienstverband door haar vroegere werkgever de sociale premies zijn doorbetaald. Bij het bestreden besluit van 5 augustus 2003 is dat bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen is beroep ingesteld en daarbij is wederom een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en is voorts aangegeven dat er geen sprake is van een volwaardig intern sociaal zekerheidsstelsel bij de werkgever van eiseres. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt het volgende overwogen. Onduidelijk is of verweerder bij het besluit op bezwaar de toelating van eiseres tot de vrijwillige verzekering ingevolge de WW enkel en alleen heeft afgewezen op de grond dat eiseres niet binnen vier weken na het einde van de verplichte verzekering om toelating daartoe heeft verzocht of dat ook bedoeld is een meer inhoudelijke motivering aan die afwijzing te geven. Immers bij het besluit van 5 augustus 2003 wordt het bezwaar ongegrond verklaard en wordt het besluit van 3 april 2003 gehandhaafd. Dat zou er op kunnen wijzen dat de afwijzingsgrond voor de toelating tot de vrijwillige verzekering enkel gelegen is in de omstandigheid dat de termijn van aanvraag is overschreden. Echter vervolgens wordt in het besluit uitgebreid gemotiveerd waarom de aanvraag om toelating tot de vrijwillige verzekering naar het oordeel van verweerder ook op inhoudelijke gronden niet zou kunnen worden ingewilligd. Maar wat er ook van zij van de onduidelijkheid van de afwijzingsgrond, naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit in elk geval niet in stand blijven. Immers als de afwijzingsgrond is dat eiseres niet binnen vier weken na het einde van de verplichte verzekering een aanvraag om toelating tot de vrijwillige verzekering bij verweerder heeft ingediend dan is die afwijzing niet juist. Die afwijzing berust op een onjuiste feitelijke en onjuiste juridische grondslag. Eiseres is per 22 mei 1995 gaan werken bij het Joegoslavië Tribunaal te 's-Gravenhage. In artikel 54, tweede lid, van de WW is bepaald dat het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering bij verweerder moet worden ingediend: a. door de in artikel 53, eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag, waarop zijn werknemerschap is geëindigd; b. door de in artikel 53, eerste lid, onderdeel b, c en e bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 53, eerste lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen; c… Nu eiseres valt onder de categorie van personen als bedoeld in artikel 53, eerste lid onder c. van de WW, en de werkzaamheden in Nederland worden verricht, is voor de aanvraag om toelating tot de vrijwillige verzekering bepalend de dag waarop eiseres met die werkzaamheden is begonnen en niet de datum van het einde van de verplichte verzekering. Vastgesteld moet verder worden dat verweerder zonder meer heeft aangenomen dat op eiseres- die volgens eigen opgave- tot mei 1995 werkzaam is geweest bij de Regio Politie [regio], tot 31 mei 1998 de verplichte verzekering ingevolge de WW van toepassing was. In hoeverre zich dat verdraagt met het feit dat op overheidspersoneel eerst vanaf de inwerkingtreding van de tweede fase van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen op 1 januari 2001 de WW van toepassing is, is niet nagegaan. Het bestreden besluit berust in zoverre dus niet alleen op een onjuiste grondslag maar ook op een niet zorgvuldig te achten onderzoek en voorbereiding. Verder is niet gemotiveerd waarom verweerder kennelijk geen gebruik wenst te maken van zijn in artikel 54, derde lid, van de WW gegeven bevoegdheid om te verklaren dat het na de geldende termijn ingediende verzoek geacht kan worden tijdig te zijn ingekomen terwijl toch uit het bezwaar van eiseres kan worden opgemaakt dat zij van mening is dat zij redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Evenmin is gebleken van -een voldoende te achten- onderzoek naar het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel. De gemachtigde van eiseres heeft verweerder de daarvoor vereiste gegevens -weliswaar eerst in een laat stadium van de procedure- aangeleverd, maar meer dan een ontvangstbevestiging, waarin is aangegeven dat e.e.a. zou worden nagegaan, heeft dat niet opgeleverd. Ook in dat opzicht berust het bestreden besluit niet op een zorgvuldig te achten onderzoek en voorbereiding. Voor zover verweerder in het besluit op bezwaar beoogd heeft inhoudelijk het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de WW af te wijzen geldt natuurlijk evenzeer dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet afdoende is onderzocht of weerlegd. Verder komt daar bij dat verweerder de weigering om eiseres toe te laten tot de vrijwillige verzekering blijkbaar baseert op de mededeling M.01.081 van het Lisv, waarin is aangegeven dat op basis van KB 746, waarmee kennelijk is bedoeld het "Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999", een lijst is opgemaakt van 29 organisaties die over een volwaardig stelsel van sociale zekerheid beschikken.