ECLI:NL:RBROE:2001:AD3779
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND
enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
UITSPRAAK
Procedurenr. : 01/353 WAO K1
Inzake : A, wonende te B, eiser,
tegen : het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling GAK Nederland bv te Venlo, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit:
de brief d.d. 31 januari 2001;
kenmerk: BZS AO 546.052.24.
Datum van behandeling ter zitting: 28 juni 2001.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een besluit van 21 september 2000 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit is namens eiser door mr. A.J. Butter, advocaat te Eindhoven, bij deze rechtbank beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 juni 2001, waar eiser is verschenen bij gemachtigde mr. Butter voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J.H. Steeghs, medewerker van de afdeling bezwaar en beroep van GAK Nederland B.V., kantoor Venlo.
II. OVERWEGINGEN.
Eiser, geboren op […] 1954, is laatstelijk werkzaam geweest als lasser. Verweerder heeft terzake van de op 12 juni 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid ingaande 10 juni 1998 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat eiser geschikt te achten was passende arbeid te verrichten en zodoende niet arbeidsongeschikt in de zin van de wet was. Omdat bij de werkgever geen aangepast werk voorhanden was, is eiser in de WW terechtgekomen van waaruit hij zich per 29 maart 1999 ziek heeft gemeld.
Aan eiser is bij besluit van 2 juli 1999 ingaande 26 april 1999 een arbeidsongeschikt-heidsuitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 21 september 2000 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande 22 novem-ber 2000 wordt vastgesteld op 65 tot 80% waarbij een uitkering hoort van 50-75%. Bij brief van 30 oktober 2000 is tegen dat besluit bezwaar gemaakt waarbij namens eiser aan verweerder is meegedeeld dat na ontvangst van de stukken de gronden zullen worden aangevuld.
Verweerder heeft vervolgens bij brief van 8 november 2000 de gemachtigde medegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de eisen die de wet aan een bezwaarschrift stelt omdat:
"uw bezwaarschrift nog niet de gronden van het bezwaar bevat.
Gevolg hiervan kan zijn dat uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. (..) Om dit te voorkomen stellen wij u in de gelegenheid om uiterlijk 6 december 2000 het verzuim te herstellen.".
De brief vervolgt:
"Concreet vragen wij u er voor te zorgen dat uiterlijk binnen de gestelde termijn in ons bezit zijn:
* de gronden van uw bezwaar
Wij wijzen u er op dat de gronden die betrekking hebben op de medische gegevens op een aparte bijlage vermeld dienen te worden.".
Op 29 november 2000 heeft de gemachtigde uitstel gevraagd voor het indienen van de gronden waarop verweerder bij brief van 1 december 2000 heeft geantwoord akkoord te gaan met het uitstelverzoek en tot uiterlijk 3 januari 2001 de gelegenheid te geven het verzuim te herstellen. Daaraan is toegevoegd:
"Wij wijzen u er op dat de gronden van het bezwaar uiterlijk 3 januari 2001 in ons bezit dient te zijn en dat de gronden van het bezwaar die betrekking hebben op de medische gegevens dienen, wil het bezwaar ontvankelijk worden geacht, op een aparte bijlage vermeld dienen te worden.".
Bij brief van 29 december 2000 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het bezwaar aan verweerder kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de afdeling bezwaar en beroep verweerder op 17 januari 2001 geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder heeft bij besluit van 31 januari 2001 conform het advies besloten.
In het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de ratio van artikel 88f van de WAO is dat het bezwaarschrift in twee gedeelten kan worden gesplitst. Nu enkel en alleen de medische bezwaren zijn ingediend, kan het bezwaarschrift niet gesplitst worden. Voorts is eiser van mening dat verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel door een andere zaak (kennelijk A 2-7) wel te accepteren, terwijl daar ook geen gebruik is gemaakt van aparte bijlagen.
De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.
De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb, juncto artikel 88f van de WAO dienen medische gegevens op een aparte bijlage te worden vermeld. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt -voor zover hier van belang- dat, indien niet aan de in de wet gestelde vereisten is voldaan, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
De rechtbank stelt voorop dat, wil er in redelijkheid sprake kunnen zijn van toepas-selijkheid van artikel 88f van de WAO, er ook daadwerkelijk iets te splitsen dient te zijn. Met eisers gemachtigde is de rechtbank van oordeel dat dit in casu niet het geval is. Het bezwaarschrift behelst uitsluitend medische bezwaren. Daar waar in het bezwaarschrift functies worden genoemd of in beeld komen, ligt daaraan uitsluitend een medisch bezwaar ten grondslag, in die zin dat eiser zich niet kan verenigen met de door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde belastbaarheid. Reeds hierom ontbeert het besluit een deugdelijke grondslag, nu immers in dat geval van enig verzuim en dientengevolge van toepasselijkheid van artikel 6:6 Awb geen sprake is.
Zo er evenwel al geoordeeld zou moeten worden dat ook arbeidskundige bezwaren zijn aangevoerd, komt de rechtbank eveneens tot het oordeel dat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 6:6 van de Awb, aangezien in dat geval door verweerder verzuimd is eiser een mogelijkheid tot herstel van het gewraakte verzuim te bieden. Naar dezerzijds oordeel kan de brief van 1 december 2000 niet als zodanig worden aangemerkt. De gronden van het bezwaar zijn immers eerst bij brief van 29 december 2000 bij verweerder ingediend. Pas bij ontvangst van die gronden kan worden vastgesteld dat er geen scheiding is aangebracht, waarna alsdan een mogelijkheid geboden dient te worden om dit geconstateerde verzuim te herstellen. De rechtbank vindt steun voor die opvatting in de toelichting bij artikel 6 van verweerders Regelgeving Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998 (Besluit van het Lisv van 14 1- 1998, Stcrt 1998,8), waar terzake is opgenomen:
"Als de indiener van een bezwaarschrift zich laat bijstaan door een professionele rechtshulpverlener zal de uitvoeringsinstelling de indiener altijd in de gelegenheid stellen om de gronden van het bezwaar die betrekking hebben op medische gegevens alsnog op een aparte bijlage te vermelden.".
Ook op grond van het vorenstaande kan het bestreden besluit mitsdien geen stand houden wegens ontoereikende juridische grondslag.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat, indien en voorzover er grond zou bestaan om te concluderen dat de mogelijkheid tot herstel van het geconstateerde verzuim wél is geboden, artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijkverklaring niet dwingend voorschrijft, doch de beslissing daartoe gebaseerd is op een bevoegdheid.