Rechtspraak 1999-08-03
ECLI:NL:RBROE:1999:AA3770
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 99 / 33 WET K1 Inzake : Gebr. Theeuwen Mestfermenteerbedrijf BV, wonende te Blitterswijck, eiser, tegen : het bestuur van de stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw, voor deze de Afdeling Rechtsbescherming van het Ministerie van LNV, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 10 december 1998, kenmerk: TRCJZ/1999/1500. Datum van de zitting: 30 juni 1999. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 10 december 1998 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 11 november 1996 door verweerster ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De door verweerster op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 30 juni 1999. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door de heren J. Nijboer en Weeming, bijgestaan door raadsman mr. C.M. van der Corput. Verweerster is verschenen bij gemachtigde mr. P.W. Verheijen. II. OVERWEGINGEN Inleiding Door eiseres is bij de Dienst Uitvoering Regelingen (thans Dienst Landelijke service bij regelingen, afgekort LASER) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Roermond op 27 maart 1995 een aanvraag ingediend voor subsidie in het kader van de "Bijdrageregeling innovatieprojecten" (Stcrt. 1991, 241) ten behoeve van het realiseren van een luchtverdeelsysteem in de door eiseres aan te leggen indoor- composteringstunnel voor het composteren voor de champignonteelt. Op 28 april 1995 is door eiseres in dat kader eveneens een subsidieaanvraag ingediend voor nog 2 projecten, te weten een walking-floor en een vulsysteem ten behoeve van diezelfde indoor-composteringstunnel. Op 11 november 1996 heeft verweerster de aanvragen, conform het advies van de Landelijke Raad voor de Bedrijfsontwikkeling in de Landbouw, afgewezen, omdat de projecten geen betrekking hebben op de toepassing in de praktijk van de primaire land- en tuinbouw. Tegen dit besluit heeft eiseres op 11 november 1996 bezwaar aangetekend, nader gemotiveerd bij schrijven van 13 maart 1997 en bij schrijven van 4 augustus 1997 waarbij een brief met bijlagen van 2 mei 1997 van Professor Dr L.J.L.D. van Griensven van het Proefstation voor de Champignoncultuur te Horst, is overgelegd. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft er op 23 januari 1998 een hoorzitting plaatsgevonden en heeft verweerster op 26 februari 1998 advies ingewonnen bij het Informatie- en Kenniscentrum (I.K.C.) Landbouw. Op 10 december 1998 heeft verweerster de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit van verweerster richt het onderhavige beroep zich. Standpunten van partijen Voor haar beroepsgronden verwijst eiseres naar het door haar in haar bezwaarschrift van 11 december 1996, aangevuld op 13 maart en 4 augustus 1997 gestelde en naar het verslag van de hoorzitting van 23 januari 1998. Eiseres voert aan dat het maken van compost wel degelijk tot de primaire land- en tuinbouw behoort. Diverse soorten mest worden verwerkt en dusdanig aangewend, dat deze hergebruikt kunnen worden voor de primaire land- en tuinbouw. Die verwerking zelf behoort derhalve zonder meer tot de primaire landbouw. In dat verband verwijst eiseres naar een brief van 2 mei 1997 van prof. Van Griensven van het Proefstation voor de Champignoncultuur te Horst, een erkende autoriteit op het gebied van champignonteelt. Uit het schrijven is af te leiden dat het maken van indoor-compost voor de champignonteelt te beschouwen is als een samenhangend proces dat in een aantal fases verloopt, waarbij ook de fase waar het hier om gaat, fase 1, gericht is op de productie van champignons en nergens anders bruikbaar voor is en om die reden dus valt onder de term prim Verweerster heeft, gelet op artikel 2 van haar statuten, ten doel de ontwikkeling en sanering van de landbouw te bevorderen. Verweerster tracht, zo blijkt uit artikel 3 van haar statuten, haar doel te bereiken door te bevorderen dat maatregelen worden genomen die ertoe kunnen bijdragen, dat - voor zover hier relevant - de exploitant van een daarvoor in aanmerking komend landbouwbedrijf tijdig een juiste beslissing neemt tot verbetering van de structuur van zijn bedrijf of voorzieningen worden getroffen ten dienste van de exploitant van een landbouwbedrijf die de structuur van zijn bedrijf wil verbeteren. De geldmiddelen die verweerster ter beschikking staan, te weten haar Stichtingskapitaal, door het Rijk verstrekte subsidies en andere wettige baten, wendt zij aan om het hiervoor genoemde doel te bereiken, zo blijkt uit artikel 8 van de statuten. De "Bijdrageregeling innovatieprojecten" is een stimuleringsregeling voor innoverende activiteiten in de landbouw die, ongeacht hetgeen verweerster hierover ter zitting heeft betoogd, naar het oordeel van de rechtbank past binnen de hiervoor genoemde Europese regelgeving, met welke uitvoering verweerster is belast op basis van de "Beschikking uitvoering E.E.G. structuurrichtlijnen van 10 mei 1992" (Stcr. 91). De "Bijdrageregeling innovatieprojecten" past naar het oordeel van de rechtbank evenzeer binnen het nationale landbouwstructuurbeleid van de Minister van Landbouw Natuurbeheer en Visserij. Om de ontwikkeling en sanering van de landbouw te bevorderen worden gelden door de Minister ter beschikking gesteld aan verweerster die deze gelden onder meer aanwendt voor het verstrekken van subsidies in het kader van de "Bijdrageregeling innovatieprojecten". Verder is er een nauwe band tussen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en verweerster nu de Minister, gelet op artikel 9 van de statuten van verweerster, zijn goedkeuring moet geven aan het jaarlijkse werkplan en de begroting van verweerster. Gezien het vorenstaande kan worden geoordeeld dat verweerster bij het beslissen over het verstrekken van subsidies ter stimulering van innoverende activiteiten in de agrarische sector openbaar gezag uitoefent in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b van de Awb. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 1995, AB 1996, 136. Nu de uitvoering van de "Bijdrageregeling innovatieprojecten" in het onderhavige geval neerkomt op de uitoefening van een overheidstaak, die in die regeling nader is bepaald, draagt de beslissing omtrent weigering subsidie te verlenen aan eiseres het karakter van een publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Derhalve dient de primaire beslissing waarbij eiseres subsidie is geweigerd, als een besluit aangemerkt te worden, waartegen ingevolge 8:1 eerste lid beroep openstaat nadat op grond van artikel 7:1 eerste lid van de Awb bezwaar is gemaakt. De rechtbank komt thans toe aan inhoudelijke beoordeling van het geschil. In geschil is de vraag of de weigeringsgrond "geen primaire landbouw" in rechte stand kan houden. Artikel 2, eerste lid van de Bijdrageregeling bepaalt dat het bestuur ter bevordering van innoverende activiteiten, met inachtneming van de volgende bepalingen, een bijdrage kan verlenen aan projecten die betrekking hebben op toepassing in de praktijk van de primaire land- en tuinbouw en die gericht zijn op één van de volgende doelstellingen: a. verlaging van de kosten van de bedrijfsvoering; b. verbetering van de kwaliteit van de producten en/ofproductiemethoden; c. verbetering van bedrijfssystemen; d. bescherming van het milieu; e. productievernieuwing; f. afzetverruiming; g. verbetering van het management; h. verbetering van de arbeidsomstandigheden. Het tweede lid luidt: Niet in aanmerking voor een bijdrage komen projecten: a. die reeds op praktijkschaal in de Nederlandse primaire land- en tuinbouw wo