Rechtspraak 1999-07-21
ECLI:NL:RBROE:1999:AA3763
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 98 / 539 BZ K1 Inzake : A, wonende te B, eiser, tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 27 april 1998, kenmerk: 04WA450 SZ/BV/vR/9708304. Datum van terechtzitting: 10 juni 1999 I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen een weigering hem in aanmerking te brengen voor een bedrijfskrediet in het kader van het op de Algemene bijstandswet (Abw) gebaseerde Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz), ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. Bij uitspraak van 13 november 1998 heeft de president van deze rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening ter zake van het thans in geding zijnde besluit afgewezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 juni 1999, waar eiser in persoon is verschenen, en waar verweerder -opgeroepen te verschijnen in de persoon van de verantwoordelijke wethouder- zich heeft doen vertegenwoordigen door P.E.H. Coonen, medewerker sociale zaken, en wethouder A.J.L. Heymans. II. OVERWEGINGEN. Op 2 juli 1997 heeft eiser zich tot verweerders sociale dienst gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor een bedrijfskrediet van naar schatting f 50.000,=, waarbij hij aangeeft dat hij twee bedrijven exploiteert, te weten X BV en Y LTD.. Eiser geeft bij de aanvraag aan dat het twee gezonde bedrijven zijn, maar dat de crediteurenpost teruggebracht moet worden om zijn bedrijf gezonder te maken. Verweerder zendt de aanvraag voor advies door naar de Stichting IMK Intermediair (verder te noemen: IMK). Het IMK adviseert in zijn rapport van 17 oktober 1997 negatief inzake de verstrekking van een bedrijfskrediet, omdat eiser zijn bedrijfsactiviteiten uitoefent in de vorm van een rechtsfiguur naar buitenlands recht en kredietverlening derhalve niet mogelijk is, en voorts omdat, indien eiser zijn bedrijfsactiviteiten onderbrengt in een onderneming naar Nederlands recht, het ontbreken van levensvatbaarheid van eisers bedrijf aan kredietverlening in de weg staat. Uit het rapport van het IMK blijkt dat eiser sedert 1993 een bedrijf heeft onder de naam Y LTD., welke onderneming de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van X BV, inhoudende het zagen en verkopen van mastiekhoeken en - schroten en cannelure vullingen van steenwol. Het IMK schat de kredietbehoefte op ten minste f 83.700,= en verwacht niet dat X BV aan de daarbij behorende aflossingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Bij de bepaling van de kredietbehoefte is het IMK ervan uitgegaan dat eiser(s bedrijf) kan profiteren van een behoorlijke kwijtingswinst. Eiser stelt namelijk dat er een crediteurenaccoord is gesloten, maar bewijsstukken daaromtrent ontbreken, zodat niet met zekerheid kan worden gesteld dat en in welke mate eiser de kwijtingswinst kan realiseren. Resultaten van dat crediteurenaccoord zijn ook niet in de boekhouding verwerkt. Het IMK stelt zich op het standpunt dat bijstandsverlening in de onderhavige omstandigheden een te groot risico voor verweerder inhoudt. Bij besluit van 13 november 1997, afkomstig van de directeur sociale zaken, wordt het verzoek om een bedrijfskrediet van f 50.000,= afgewezen, omdat eiser niet behoort tot de doelgroep van het Bbz en (subsidiair) omdat eisers bedrijf, ook bij bijstandsverlening, niet levensvatbaar kan worden geacht. Bij brief van 15 december 1997, bij verweerder ingekomen op 23 december 1997, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, waarbij hij aanvoert dat er krediet is aangevraagd om X BV schuldenvrij te maken en dat het in de bedoeling ligt om Y LTD. op te h Op 21 oktober 1998 schrijft eiser aan de rechtbank dat er faillissementsaanvragen dreigen, zowel privé als zakelijk en vraagt hij een voorlopige voorziening te treffen. Ter zitting van de president op 10 november 1998 brengt eiser nog naar voren dat Y LTD. inmiddels zou zijn opgeheven wegens het achterwege blijven van afdrachten en dat Z PLC het bedrijf is dat eigenaar is van het machinepark en de auto. Met verwijzing naar de omzet- en winststijging in 1998 stelt eiser dat zijn bedrijf nu wel levensvatbaar is, welk standpunt naar zijn zeggen thans ook door de belastingdienst wordt gedeeld. Eiser stelt daarmee aangetoond te hebben dat hij tot voldoende rendabel beheer in staat is. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt overwogen als volgt. Beslissingsbevoegdheid Het besluit dat bij de rechtbank is aangevochten is onmiskenbaar een appellabel besluit in de zin van de Awb. Het beroep daartegen kan dan ook worden ontvangen. De rechtbank ziet zich echter geplaatst voor de vraag of verweerder bevoegd is geweest op het bezwaar te beslissen. Uit de gedingstukken, die met name zijn overgelegd naar aanleiding van vragen van de rechtbank over beslissingsbevoegdheid, blijkt dat er sprake is van delegatie van beslissingsbevoegdheid aan de commissie voor de verlening van bijstand. Uit een beslissing van 4 februari 1997 van verweerder blijkt dat aan die commissie -onder meer- is gedelegeerd "alle besluiten tot het verstrekken van kredieten in het kader van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen". Bij de beantwoording van vragen is van de zijde van verweerder uitdrukkelijk gesteld dat de commissie bevoegd was op de onderhavige aanvraag te beslissen op grond van delegatie. Voorts is schriftelijk verklaard dat de directeur sociale zaken het primaire besluit heeft ondertekend als secretaris van de commissie voor de verlening van bijstand, maar dat er geen formele grondslag aanwezig is voor dat ondertekeningsmandaat. Ter zitting van de rechtbank is in afwijking met het bovenstaande door de verantwoordelijke wethouder verklaard dat de beslissingsbevoegdheid bij besluiten inzake de uitvoering van de bijstandswet is gelegen bij de directeur sociale zaken en dat de commissie voor de verlening van bijstand een adviserende taak toekomt. De rechtbank gaat er voor de beoordeling van de onderhavige zaak vanuit dat de commissie voor de verlening van bijstand het primaire besluit heeft genomen op grond van delegatie en dat het primaire besluit namens die commissie is ondertekend door de directeur sociale zaken. De rechtbank gaat van dat standpunt uit nu er voor een dergelijke verdeling van bevoegdheden een basis (wat daar ook van zij) is te vinden in de overgelegde gedingstukken. Wat laatstvermelde verklaring van de wethouder ter terechtzitting betreft is de rechtbank overigens geen enkel stuk bekend op grond waarvan verdedigd kan worden dat de directeur sociale zaken bevoegd is geweest tot de thans in geding zijnde primaire besluitvorming. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat verweerder op enigerlei wijze bij de primaire besluitvorming is betrokken geweest. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de commissie voor de verlening van bijstand op grond van delegatie heeft beslist op eisers aanvraag is de vraag aan de orde of verweerder nog bevoegd is geweest op eisers bezwaar te beslissen. Uit inmiddels vaste jurisprudentie van zowel de Afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State als de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de systematiek van de Awb eraan in de weg staat dat het nemen van een beslissing op bezwaar wordt overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. Nu in het onderhavige geval de commissie voor de verlening van bijstand het primaire besluit heeft genomen, is er voor verweerder geen ruimte meer om op het bezwaar te beslissen. De bevoegdheid van verweerder In artikel 165 van de Gemeentewet is immers uitdrukkelijk een taak benoemd voor de gemeenteraad die de rechtbank in het licht van artikel 128 van de Grondwet ziet als uitsluitend, of in elk geval juist, bedoeld voor autonome taken. De commissie voor de verlening van bijstand als delegataris heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook te bezien of de thans aan de orde zijnde overdracht van beslissingsbevoegdheid de toets aan de wettelijke bepalingen kan doorstaan. Indien en voor zover tot de conclusie wordt gekomen dat de in artikel 116 van de Abw aan burgemeester en wethouders gegeven beslissingsbevoegdheid kan worden gedelegeerd aan de commissie voor de verlening van bijstand, dient voorts de wijze waarop aan de commissie is gedelegeerd aan een nader onderzoek te worden onderworpen. Daarbij is de rechtbank opgevallen dat het overgelegde delegatiebesluit niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 165 van de Gemeentewet: delegatie dient immers te geschieden door de gemeenteraad (op voorstel van het college van burgemeester en wethouders) en niet door burgemeester en wethouders. Voorts zijn zowel het besluit waarmee de commissie voor de verlening van bijstand is ingesteld als het overgelegde delegatiebesluit niet, althans niet volledig en niet correct, aangepast aan het inmiddels geldende recht. Gelet op het vorenstaande dient eisers beroep gegrond te worden verklaard en komt verweerders besluit op bezwaar, nu dat onbevoegdelijk is genomen, voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens heeft de rechtbank nog bezien of er aanleiding is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank ten aanzien van het inhoudelijke geschilpunt nog als volgt. Uitgegaan dient te worden van de gegevens omtrent de bedrijfsvoering ten tijde van de aanvraag en de primaire besluitvorming. Gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de heroverwegingsprocedure en de verdere besluitvormingsprocedure kunnen slechts een rol spelen voor zover die nieuwe feiten of omstandigheden een ander licht werpen op het aan de besluitvorming ten grondslag liggende feitencomplex. Hieruit volgt dat de door eiser aangevoerde wijziging van de rechtsvorm waarin de bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend -wat daar overigens ook van zij-, wijziging in de aanlevering van grondstoffen eind 1997 en wijziging van de aard van de grondstoffen in 1998, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de thans voorliggende besluitvorming niet in aanmerking kunnen worden genomen. In artikel 15, eerste lid, van het Bbz is bepaald dat bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, slechts wordt verleend indien hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit de bijstandsverlening voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard (...). Uit de aanvraag en uit het rapport van het IMK blijkt dat eiser krediet heeft gevraagd voor zijn twee bedrijven: X BV en Y LTD.. Ter zitting van de rechtbank heeft eiser verklaard dat er ten tijde van de advisering door het IMK geen sprake (meer) was van een Ltd. Aan die stelling gaat de rechtbank echter voorbij nu daarvoor geen enkele onderbouwing is gegeven en deze bovendien haaks staat op hetgeen bij de aanvraag door eiser zelf is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in dit artikel gegeven opsomming van rechtsvormen een limitatieve is en dat eiser, voor zover hij zijn bedrijfsactiviteiten verricht in een bedrijf naar buitenlands recht, niet voor bijstandsverlening als hier aan de orde in aanmerking kan komen, aangezien rechtspersonen naar buitenlands recht niet in de limitatieve opsomming van artikel 15, eerste lid, van het Bbz zijn opgenomen. Verweerder heeft niet