Rechtspraak 1999-02-24
ECLI:NL:RBROE:1999:AA3408
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak van de president van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht. Procedurenr.: 99 / 39, 99/40, 99/54 en 99/55 BESLU V1 Inzake: A en B, verzoekers, en Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen, verzoekster beiden verzoekers tegen: De Stichting Jeugdzorg te Nijmegen, verder te noemen verweerder. ------------------ Datum van terechtzitting: 5 februari 1999 ------------------ I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde schrijven van 2 december 1998 heeft verweerder verzoekers A en B meegedeeld zich op het standpunt te stellen geen nieuw besluit te nemen. Tegen dit schrijven is door verzoekers bij brieven van 8 januari 1999 respectievelijk 11 januari 1999 een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de rechtbank. Tevens hebben verzoekers zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers gezonden. De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de president van 5 februari 1999, waar verzoekers A en B in persoon zijn verschenen. De Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen is verschenen bij de gemachtigden J.A.J. Keijzer en G.A.P.J. van Well. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw. I. Bouwman, bijgestaan door mr. M.F.J.N. van Osch, advocaat en procureur te Nijmegen. II. OVERWEGINGEN. Verweerder heeft in 1997 een onderzoek gedaan naar de geschiktheid van verzoekers A en B als pleegouders. Verzoekers A en B zijn door middel van een schriftelijk verslag d.d. 27 januari 1998 in kennis gesteld van de inhoud van onder meer een op 11 december 1997 gehouden gesprek waarin hen te kennen is gegeven dat geen gebruik wordt gemaakt van hun aanbod om als pleeggezin te functioneren. Bij brief van 15 juni 1998 hebben verzoekers A en B verweerder verzocht hen een voor beroep vatbare beslissing te doen toekomen als bedoeld in artikel 19 van het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening. Verweerder heeft verzoekers A en B bij schrijven van 1 juli 1998 meegedeeld dat de wijze waarop het onderzoek naar de geschiktheid is uitgevoerd kwalitatief onvoldoende is en hen het aanbod gedaan het onderzoek met andere medewerkers van verweerders organisatie over te doen. Ten aanzien van het verzoek om een voor beroep vatbare beslissing heeft verweerder meegedeeld daar na de vakantieperiode op terug te komen. Bij brief van 15 september 1998 heeft verweerder het hiervoor omschreven aanbod herhaald. Bij gelijktijdig schrijven van 23 oktober 1998 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen de in verweerders brief van 15 juni 1998 (bedoeld zal zijn 15 september 1998) vervatte voor beroep vatbare beslissing, dan wel tegen verweerders weigering om een dergelijke beslissing te nemen. Bij schrijven van 2 december 1998 heeft verweerder verzoekers A en B meegedeeld tot het standpunt te zijn gekomen dat hij geen nieuw besluit neemt. Verweerder heeft daarbij overwogen in zijn brief van 1 juli 1998 te hebben aangeboden dat de voorbereiding en selectie door andere medewerkers van verweerders organisatie kan worden overgedaan en met dit aanbod tevens zijn standpunt over deze kwestie bekend te maken. Tegen dit schrijven zijn door verzoekers beroepschriften ingediend bij de rechtbank. Tevens is de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat verweerder een gemotiveerd besluit neemt en de aan het besluit ten grondslag liggende stukken ter beschikking stelt. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de b Artikel 35 van de Wet op de jeugdhulpverlening bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur met het oog op een goede kwaliteit van de hulpverlening ten aanzien van daarbij aan te geven categorie‰n van voorzieningen regels worden gesteld. De regels kunnen betrekking hebben op onder meer de eisen waaraan pleeggezinnen moeten voldoen. Artikel 19, zesde lid, van het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening bepaalt dat de geschiktheid van het pleeggezin voorafgaand aan de plaatsing van het pleegkind is beoordeeld door onder meer de voorziening voor pleegzorg. Naar het oordeel van de president komt de uitvoering van de hiervoor geciteerde artikelen, in die zin dat de voorziening voor pleegzorg de goede kwaliteit van de hulpverlening - in casu de geschiktheid van het pleeggezin - dient te beoordelen, neer op de uitoefening van een overheidstaak. Uit de gedingstukken en uit hetgeen hieromtrent ter zitting is aangevoerd is de president gebleken dat in onderhavige zaak de Werkstichting Gelderland-Zuid als voorziening voor de pleegzorg moet worden aangemerkt. Het bestuur van die stichting wordt gevormd door de Beheerstichting Jeugdzorg te Nijmegen. Laatstgenoemde Beheerstichting Jeugdzorg dient dan ook in de uitoefening van die taak, en derhalve ook in de weigering om dienaangaande een besluit te nemen, als een bestuursorgaan te worden gezien dat openbaar gezag uitoefent in de zin van artikel 1:1, eerste lid aanhef en onder b van de Awb. De president is voorts van oordeel dat een reëel besluit inzake de geschiktheid van een pleeggezin is gericht op rechtsgevolg. Een negatieve beslissing inzake de geschiktheid brengt immers met zich mee dat geen pleegkinderen worden geplaatst. Aan een weigering om een dergelijk besluit te nemen zijn dan ook evenzeer rechtsgevolgen verbonden. Het primaire besluit van 15 september 1998 dient derhalve te worden aangemerkt als een weigering om een besluit te nemen over de geschiktheid van verzoekers A en B als pleegouders als bedoeld in artikel 6:2, sub a, van de Awb welke weigering kan worden gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu tegen dit besluit geen (bijzondere) rechtsmiddelen openstaan kan daartegen op grond van de Awb - na bezwaar - beroep worden ingesteld. Door verzoekers is aangevoerd dat de weigering door verweerder om een besluit te nemen niet in overeenstemming met meerdere artikelen van de Awb tot stand is gekomen. Zo zijn verzoekers niet gehoord, is er geen verslag van de hoorzitting opgemaakt, hebben verzoekers geen stukken toegezonden gekregen en ontbreken de motivering en een vermelding van de wetsartikelen waarop het besluit is gebaseerd. Met verzoekers stelt ook de president vast dat het onderhavige bestreden besluit, waarbij verweerder het besluit van 15 september 1998 handhaaft, niet conform de in de Awb opgenomen vereisten tot stand is gekomen. Voorts bestaat er onduidelijkheid omtrent de vraag of de Stichting Jeugdzorg dezelfde is als de Beheerstichting Jeugdzorg en of de directeur van de Stichting Jeugdzorg Nijmegen, die het bestreden besluit heeft genomen wel daartoe bevoegd was. Het beroep van verzoekers dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit van 2 december 1998 dient te worden vernietigd. Het feit, zoals namens verweerder ter zitting is aangevoerd, dat verweerders onbekendheid met de normen ingevolge de Awb debet is geweest aan de gebrekkige besluitvorming kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder zal met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Gelet op hetgeen verzoekers in het verzoek- en beroepschrift vorderen ziet de president in deze gegrondverklaring echter geen termen om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers vorderen dat verweerder een gemotiveerd besluit neemt ter zake van het in 1997 verrichte onderzoek naar de geschiktheid van verzoekers A en B als pleegouders. Voorts dient verweerder de aan dat besluit ten grondslag lig