Rechtspraak 1998-12-30
ECLI:NL:RBROE:1998:AA3543
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 98 / 407 NABW K2 Inzake A te B eiseres, tegen het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasbracht, te Maasbracht, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 23 maart 1998, kenmerk: SWO/MaG/B 22. Datum van terechtzitting: 9 december 1998 1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit waarbij de haar toegekende bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beëindigd en waarbij de betaalde bijstand over de periode van 10 januari 1996 tot 1 juli 1997 is teruggevorderd, niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betreft de terugvordering en ongegrond voor zover het betreft de beëindiging. Tegen dit besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 december 1998, waar eiseres in persoon is verschenen en bijgestaan door mr. B. de Leeuw, en waar verweerder -opgeroepen bij gemachtigde te verschijnen - zich heeft doen vertegenwoordigen door G.G.J. Maat, ambtenaar van de afdeling Sociale Zaken, Welzijn en Onderwijs van verweerders gemeente. II. OVERWEGINGEN. Eiseres heeft zich op 10 januari 1996 tot verweerders sociale dienst gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de kosten van levensonderhoud voor haar zelf en haar kind. Zij heeft daarbij aangegeven aanspraak te maken op bijstand in verband met echtscheiding. Bij besluit van 21 maart 1996 is aan eiseres met ingang van de datum van de aanvraag bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder (met een toeslag van 4%). Bij dat besluit is het vermogen van eiseres bij de aanvang van de bijstandsverlening vastgesteld op nihil, in afwachting van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap. Bij dat besluit heeft verweerder voorts onder meer nog meegedeeld dat op grond van artikel 82 van de Abw de gemaakte en te maken kosten van bijstand worden teruggevorderd indien en voor zover de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, vermeerderd met het vermogen van eiseres op het moment van aanvang van de bijstandsverlening, het bedrag van het vrij te laten vermogen te boven gaat. Op het inkomstenformulier over april 1997 geeft eiseres kennelijk aan dat zij een bedrag van f 3.000,= heeft ontvangen aan alimentatie en dat haar vermogen is gestegen met een bedrag van f 16.500,= wegens boedeldeling. In het kader van het daarop volgende heronderzoek blijkt dat de woning waar eiseres voorheen met haar ex-echtgenoot heeft gewoond bij verkoop een over de echtelieden te verdelen bedrag heeft opgeleverd van f 104.392,77. Uit het ter zake opgemaakte rapport blijkt dat eiseres een bedrag van f 16.500,= heeft ontvangen en dat de rest van de haar toekomende f 52.196,39 is aangewend om een schuld aan haar moeder te vereffenen. Die schuld is ontstaan tijdens een periode van inwoning; de moeder van eiseres heeft in de bij de woning van eiseres en haar echtgenoot behorende garage gewoond en deverbouwing van die garage tot woning is door de moeder betaald. Van die schuld zijn geen bewijsstukken voorhanden en eiseres heeft ten tijde van de aanvraag die schuld niet vermeld. Bij besluit van 25 juli 1997 deelt verweerder eiseres mee dat haar bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beëindigd in verband met het feit dat zij door de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap over voldoende middelen kan beschikken ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorts deelt verweerder mee dat op grond van artikel 82 van Eiseres heeft er bij de aanvraag van de uitkering niet aan gedacht de schuld aan haar moeder op te geven, omdat zij de vordering van haar moeder niet als schuld heeft ervaren; zij zag het als een bedrag dat automatisch verrekend zou worden met de overwaarde van het huis. In het verweerschrift geeft verweerder aan zich op het standpunt te stellen dat bij beschikking van 21 maart 1996 het oorspronkelijke besluit tot terugvordering is genomen en dat bij de beschikking van 25 juli 1997 slechts nader invulling van het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit wordt gegeven door een specificatie. Wat de beëindiging van de uitkering betreft herhaalt verweerder in het verweerschrift dat eiseres nimmer melding heeft gemaakt van de schuld en dat uit geen enkel bewijsstuk blijkt van die schuld. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt, voor zover eiseres niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, overwogen als volgt. Op 1 juli 1997 is de Wet boeteny maatregelen en terug- en invordering sociale verzekering (hierna: de Wet boeten) in werking getreden voor de Abw. De Wet boeten heeft wijzigingen gebracht in het regime van terugvordering, invordering, boeten en maatregelen van de Abw. Het ingang van 1 juli 1997 is het toetsen van de terugvordering van bijstandsuitkeringen een bestuursrechtelijke aangelegenheid, waarbij de toetsing volgens de voor terugvordering geldende bestuursrechtelijke regels plaatsvindt. Terugvorderingsbesluiten, afgegeven ná 1 juli 1997, behoren vanaf die datum tot de competentie van de bestuursrechter. Artikel XVI van de Wet boeten is een overgangsbepaling, waarbij in het eerste lid is bepaald, voorzover hier van belang, dat ten aanzien van de (materiële) bevoegdheid tot terugvordering van hetgeen voor 1 juli 1997 onverschuldigd is betaald door het in werking treden van de Wet boeten geen wijziging wordt gebracht. In het tweede lid van artikel XVI van de Wet boeten is bepaald dat ten aanzien van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, het recht zoals dat voor die datum gold van toepassing blijft. Deze bepaling is geschreven voor het scheppen van duidelijkheid in toepasselijkheid van oud of nieuw procesrecht en om te voorkomen dat er (te lang) onduidelijkheid in de in te roepen rechtsbescherming bestaat. Indien en voor zover er sprake is van een ten aanzien van eiseres genomen terugvorderingsbesluit van vóór 1 juli 1997 blijft derhalve op grond van artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten het oude recht -en de oude procedure- op die terugvordering van toepassing. De rechtbank ziet zich derhalve geplaatst voor beantwoording van de vraag of verweerders toekenningsbesluit van 21 maart 1996 -mede- is aan te merken als een besluit met betrekking tot terugvordering als bedoeld in artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het toekenningsbesluit van 21 maart 1996 ook een beslissing is genomen ten aanzien van terugvordering van bijstand, indien en voor zover de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap daartoe aanleiding geeft. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. De beslissing van 21 maart 1996 kan, voor zover het betreft de mededeling over terugvordering, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten en mitsdien niet als een besluit ter zake waarvan de oude processuele bepalingen inzake de rechtsgang en de rechtsbescherming van de bijstandswet, zoals die luidde tot 1 juli 1997, blijven gelden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de veronderstelling dat de wetgever in artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten met de term besluit iets anders bedoeld heeft dan een besluit in de zin van de Awb en derhalve een besluit dat aan alle daaraan te stellen eisen moet voldoen. V