Rechtspraak 1998-11-20
ECLI:NL:RBROE:1998:AA3489
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenrs.: 97 / 1220 + 97/1221 WAO K1 Inzake : A, wonende te B, eiseres, tegen : 1. het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv); 2. het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, beiden vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling USZO BV Heerlen, verweerders. Datum en aanduiding van de bestreden besluiten: de brief d.d. 16 juli l997 van het (voormalige) bestuur van het Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekering Overheidspersoneel (verder te noemen: besluit I respectievelijk verweerder I) en de brief d.d. 16 juli l997 van het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Nijmegen (verder te noemen : besluit II en verweerder II), kenmerken: Datum van de terechtzitting: 15 oktober 1998 I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN. Met ingang van 1 januari l998 is fase 1 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) in werking getreden. Ingevolge artikel 42 van voornoemde wet treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van het Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekering Overheidspersoneel (FAOP) wat betreft de overeenkomstige toepassing van de WAO, bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto artikel 46, tweede lid, van de Wet Privatisering ABP (WPA), alsmede wat betreft de toepassing van de AAW, bedoeld in artikel 8 van de AAW. In deze uitspraak wordt onder verweerder I tevens verstaan het bestuur van voornoemd Fonds. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit I van 16 juli l997 heeft verweerder I de bezwaren van eiseres tegen verweerders eerdere beslissing van 19 november 1996, waarbij aan eiseres ingaande 1 januari l996 een WAO-conforme uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, ongegrond verklaard. Bij het in de aanhef genoemde besluit II van eveneens 16 juli l997 heeft verweerder II de bezwaren van eiseres tegen verweerders eerdere beslissing van 19 november l996, waarbij de uitbetaling van herplaatsingswachtgeld ingaande 1 januari l996 is omgezet naar een suppletie-uitkering ten bedrage van f.191,68 bruto per maand, gegrond verklaard. Daarbij is tevens meegedeeld dat de suppletie-uitkering ingaande 1 januari l996 dient te worden vastgesteld op f.1690,31 Tegen beide besluiten is namens eiseres beroep ingesteld. De door verweerders uitvoeringsinstelling (USZO) ingezonden stukken en de verweerschriften zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 oktober 1998, alwaar eiser en haar raadsvrouwe mr. H.W. Bemelmans zijn verschenen. Namens verweerders is verschenen mw.mr. K. van der Wal. II. OVERWEGINGEN. Eiseres, geboren op [...] l942, is werkzaam geweest als personeelsfunctionaris bij de Openbare Nutsbedrijven te X. Bij besluit d.d. 19 november l987 heeft de directieraad van het voormalig Algemene burgerlijk pensioenfonds geoordeeld dat eiseres uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is voornoemde functie te vervullen, dat zij voor 19 uur per week herplaatsbaar is in de zin van artikel K2 van de toen geldende Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp) en dat de mate van algemene invaliditeit 45 tot 55% bedraagt. Op 1 februari l988 is eiseres voor 19 uur per week herplaatst als medewerkster rechtspositie bij de gemeente X. Met ingang van die datum heeft zij een herplaatsingstoelage ontvangen op grond van artikel K5 van de Abp. Bij besluit d.d. 9 januari l991 is eiseres blijvend ongeschikt verklaard voor laatstgenoemde functie bij de gemeente X, is zij herplaatsbaar verklaard voor 19 uur per week in de zin van artikel K2 van de Abp en is de mate van algemene invaliditeit vastgesteld op 25 tot 35%. Ingaande 1 juni l991 is eiseres uit voornoemde, herplaatste functie, ontslagen. Met ingang van die datum is zij in het genot gesteld van een herplaatsingswachtgeld uit de herplaatste functie, indien er voor de onderscheiden voorzieningen een mate van algemene invaliditeit, of arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de normen van de WAO, is vastgesteld: 1e die in alle gevallen gelijk is, die mate; 2e die in hoogte van elkaar verschilt, de op 31 december 1995 voor de rechthebbende in het kader van artikel 8 van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid; b. in alle overige, niet in onderdeel a bedoelde, situaties bepaalt het FAOP de mate van arbeidsongeschiktheid." In de toelichting op artikel 2 van de Regeling wordt onder meer het navolgende vermeld: " In onderdeel a, onder ten 2e, betreft het de situatie waarin de mate van arbeidsongeschiktheid of algemene invaliditeit verschilt, maar er wel in het kader van artikel 8 van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet een mate van arbeidsongeschiktheid van de betrokkene is vastgesteld. Dan geldt de in het kader van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. In onderdeel b wordt ten aanzien van de overige samenloopsituaties geregeld, dat het Fonds arbeidsogeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) op ad hoc basis de mate van arbeidsongeschiktheid bepaalt, waarbij voorop dient te staan dat recht wordt gedaan aan de doelstelling van een evenredige aanspraak, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de WPA. Hier zijn de situaties bedoeld waar sprake is van voorzieningen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op een verschillende hoogte is vastgesteld, terwijl er geen arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW is vastgesteld, of situaties waarbij de toepassing van onderdeel a niet leidt tot een ten minste evenredige aanspraak aan het op 31 december l995 bestaande recht van de belanghebbende.". Verweerder heeft bij de toekenning van de WAO-conforme uitkering met toepassing van artikel 2, onder a, ten 2e, van de Regeling de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld overeenkomstig de eerder in het kader van artikel 8 van de AAW vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Vastgesteld moet echter worden, en namens eiseres is daar ook een punt van gemaakt, dat verweerder geen stukken heeft ingediend met betrekking tot een beslissing in het kader van artikel 8 van de AAW en de daarbij vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Bij gebreke daarvan kan thans niet worden nagegaan of inderdaad zodanige beslissing is genomen en of de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 december l995 in het kader van artikel 8 van de AAW inderdaad 55 tot 65% was. Het gemis van die gegevens klemt temeer omdat niet duidelijk is of het gaat om een uitkering in het kader van artikel 8, lid 1, van de AAW waarop eiseres zelf aanspraak heeft of een uitkering in de zin van artikel 8, lid 3, van de AAW, welke niet aan eiseres maar aan de (voormalige) werkgever wordt toegekend en uitbetaald (de zogenaamde "fictieve uitvoering" van de AAW). Indien het immers gaat om een uitkering ingevolge artikel 8, lid 3, van de AAW aan de werkgever (hetgeen blijkens de toelichting ter zitting kennelijk het geval is) is eiseres geen rechthebbende op die uitkering. Gelet op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 januari 1997 (zaaknr. 95/5354 AAW) heeft eiseres tegen de indertijd (kennelijk) ten aanzien van haar (voormalige) werkgever genomen beslissing tot toekenning van zodanige AAW-vervangende uitkering geen bezwaar en beroep kunnen instellen, omdat zij ten aanzien van zodanig besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 4a (sedert 17 mei 1995 artikel 3a) van de AAW kan worden aangemerkt. Dit betekent dat toepassing van artikel 2, onder a, ten 2e, van de Regeling er in casu toe leidt dat de aan eiseres per 1 januari 1996 toegekende WAO-conforme uitkering (waarop eiseres wél zelf aanspraak heeft) wordt berekend naar een eerder in het kader van artikel 8, lid 3, van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid welke zij nooit in rechte heeft kunnen aanvechten en welke zij ook niet in het kader van de omzetting per 1 januari 1996 zou kunnen aanvechten. De rechtbank i