Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-19
ECLI:NL:RBOVE:2026:862
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.114641.23 (P) Datum vonnis: 19 februari 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. van Veen, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte voertuigonderdelen voorhanden had waarvan hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die goederen van diefstal afkomstig waren. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 11 mei 2021 te Zwolle, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal een of meerdere voertuigonderdelen, te weten:- een carrosseriedeel van het voertuig met VIN [chassisnummer 1] (dossierp. 476) en/of- een stoel van het voertuig met VIN [chassisnummer 2] (dossierp. 476) en/of- meerdere interieurdelen waaronder stoelen, dashboard, airbags, bekledingspanelen en/of een dakhemel van het voertuig met VIN [chassisnummer 3] (dossierp. 476) en/of- een dakhemel van het voertuig met VIN [chassisnummer 4] (dossierp. 476) en/of- een zitting van een achterbank van het voertuig met VIN [chassisnummer 5] (dossierp. 476) en/of- een goudkleurig portier van het voertuig met VIN [chassisnummer 6] (dossierp. 477), althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof. 3 De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht opzetheling wettig en overtuigend bewezen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van opzet- en schuldheling bepleit. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank leidt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af. Op 11 mei 2021 zijn er tijdens een doorzoeking in een garagebox aan de [adres 2] diverse voertuigonderdelen aangetroffen. De forensische opsporing verrichtte nader onderzoek en daaruit volgde dat de voertuigonderdelen te herleiden waren naar verschillende aangiftes van diefstal van personen- en bedrijfsauto’s. De aangevers [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] en [aangever 6] verklaren allen in hun aangifte dat hun voertuig gestolen is. De in de loods aangetroffen voertuigonderdelen betroffen: een carrosserie deel van de Volkswagen Polo GTI, chassisnummer [chassisnummer 1] met kenteken [kenteken 1] van aangever [aangever 1] ; een stoel van de Volkswagen Caddy, chassisnummer [chassisnummer 2] , kenteken [kenteken 2] van aangever [aangever 2] ; diverse interieurdelen, waaronder stoelen, een dashboard, airbags, bekledingspanelen en een dakhemel van een Audi A8, chassisnummer [chassisnummer 3] , kenteken [kenteken 3] van aangever [aangever 3] ; een dakhemel van een BMW X5 M, chassisnummer [chassisnummer 4] , kenteken [kenteken 4] van aangever [aangever 4] ; een zitting van een achterbank van een Mercedes-Benz, [kenteken 5] , chassisnummer [chassisnummer 5] , kenteken [kenteken 7] van aangever [aangever 5] ; een goudkleurig portier van een Mercedes-Benz Sprinter, kenteken [kenteken 6] van aangever [aangever 6] . Verdachte was de huurder van de loods. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij de voertuigonderdelen als één partij heeft gekocht bij een man in [plaats 1] . Hij heeft geen adres of naam van de verkoper. Hij kende de verkoper niet. De verkoper had aan verdachte ve De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en met een eerdere veroordeling overeenkomstig artikel 63 Sr. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling. Hij heeft voertuigonderdelen gekocht en in zijn loods in [plaats 2] opgeslagen die van diefstal afkomstig waren. Heling maakt het plegen van diefstallen en inbraken lucratief en houdt een afzetmarkt voor gestolen goederen in stand. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Als handelaar in auto onderdelen had hij beter moeten weten. De rechtbank heeft het strafblad van verdachte van 11 december 2025 bekeken. Hierop staan geen veroordelingen voor soortgelijke feiten, maar twee veroordelingen voor verkeerszaken. De rechtbank zal zijn strafblad daarom niet als strafverzwarend meewegen. Op grond van artikel 63 Sr houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de laatst opgelegde straf. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke vervolgingstermijn. De rechtbank neemt de datum van het verhoor van verdachte, 13 juli 2022, als uitgangspunt voor het tijdstip dat verdachte in redelijkheid de verwachting kon hebben dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen afgerond moet zijn met een eindvonnis, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Nu op 19 februari 2026 vonnis wordt gewezen, stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn met een jaar en zeven maanden is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn leidt in dit geval niet tot strafvermindering, omdat de rechtbank aan verdachte een taakstraf zal opleggen die minder is dan 100 uren (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf van 80 uren opleggen. 7 De schade van benadeelden 7.1 De vorderingen van de benadeelde partijen Vordering [aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 22.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bedraagt de aankoopprijs van haar gestolen auto. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,-- gevorderd in verband met de emotionele gevolgen die de gewapende woningoverval waarbij haar auto is gestolen, op haar hebben gehad. Vordering [aangever 2] B.V. [naam] heeft zich namens [aangever 2] B.V. als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 19.078,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bedraagt de afboekingswaarde van de gestolen auto op 7 mei 2021. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er een voldoende nauw verband bestaat tussen de diefstallen van de auto’s en de heling door verdachte. De vordering van [aangever 3] kan gedeeltelijk toegewezen worden met een bedrag van € 3.000,-- voor het materiële deel en de benadeelde dient voor het overige niet-ontvankelijk verklaard te worden. De vordering van [aangever 2] kan ged Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. 1. Het proces-verbaal onderzoek loods [adres 2] van 12 mei 2021, pagina’s 476-479, voor zover inhoudende: Op woensdag 12 mei 2021 hebben wij een onderzoek ingesteld in een pand aan de [adres 2] . Wij troffen onderdelen aan, welke fabrieksmatig te herleiden waren tot de volgende voertuigen:Personenauto, merk Volkswagen, type POLO GTI, voorzien van het V.I.N. [chassisnummer 1] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 1] afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering was door politie organisatie PL1700 onder vermelding van referentienummer [nummer 1] . Van dit voertuig troffen wij een carrosserie deel aan. Bedrijfsauto, merk Volkswagen, type CADDY, voorzien van het V.I.N. [chassisnummer 2] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 2] afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering was door politie organisatie PL0900 onder vermelding van referentienummer [nummer 2] . Van dit voertuig troffen wij een stoel aan. Personenauto, merk Audi, type AUDI A8, voorzien van het V.I.N. [chassisnummer 3] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 3] afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering was gedaan door politie organisatie PL0600 onder vermelding van referentienummer 2020615831-2. Van dit voertuig troffen wij een diverse interieurdelen aan, waaronder stoelen, dashboard, airbags, bekledingspanelen en een dakhemel. Personenauto, merk BMW, type X5 M, voorzien van het V.I.N. [chassisnummer 4] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 4] afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering was door politie organisatie PL0600 onder vermelding van referentienummer [nummer 3] . Van dit voertuig troffen wij een dakhemel aan. Personenauto, merk Mercedes-Benz, type [kenteken 5] , voorzien van het V.I.N. [chassisnummer 5] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 7] afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering was door politie organisatie PL1500 onder vermelding van referentienummer [nummer 4] . Van dit voertuig troffen wij een zitting van een achterbank aan. Wij troffen een opvallend goudkleurig portier van een Mercedes-Benz sprinter, kenteken [kenteken 6] . Op de buitenzijde van het portier waren plakletters aangebracht geweest, de tekst was nog zichtbaar in de stoflaag op het portier. De tekst verwees naar een bedrijf genaamd `de [bedrijf].nl'. Bij dit bedrijf bleek tevens een Mercedes-Benz Sprinter gestolen te zijn op 19-09-2020. Deze was volgens de informatie op internet voorzien van het kenteken [kenteken 6] en had een soortgelijk achterportier. 2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] van 1 oktober 2019, pagina’s 480, 481, voor zover inhoudende: Diefstal personenauto tussen dinsdag 1 oktober 2019 om 01:30 uur en dinsdag 1 oktober 2019 om 12:30 uur in Bleiswijk. Een zwarte Volkswagen Polo Gti, kenteken [kenteken 1] , chassisnummer [chassisnummer 1] . 3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] B.V. van 7 mei 2021, pagina’s 484-487, voor zover inhoudende: Diefstal bestelauto tussen 6 mei 2021 om 17:00 uur en 7 mei 2021 om 06:16 uur in Zeist. Een grijze bedrijfsauto, Volkswagen Caddy. Kenteken [kenteken 2] . Chassisnummer [chassisnummer 7] . 4. Een geschrift, een verzoek tot schadevergoeding van [aangever 3] op 24 juli 2024 ontvangen door het parket Oost-Nederland, voor zover inhoudende: Op 29 op 30 december 2020 zijn wij door gewapende mannen overvallen in onze woning. Daarbij is de auto gestolen. Audi A8, kenteken [kenteken 3] . 5. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] van 14 december 2020, pagina’s 493, 494, voor zover inhoudende: