Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-19
ECLI:NL:RBOVE:2026:857
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 81.256689.20 (P) Datum vonnis: 19 februari 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] B.V., gevestigd aan de [vestigingsplaats] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 januari 2026, 22 januari 2026 en 19 februari 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat namens verdachte door haar raadsvrouw mr. A.S. ten Doesschate, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 november 2009 tot en met 11 maart 2014 te Woerden en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een (buitenlandse) ambtenaar, te weten [naam 1] , werkzaam als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten, (telkens) - via [bedrijf 1] en/of [naam 2] - (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of dienst(en) - afkomstig van [verdachte] B.V. en/of [medeverdachte] N.V. - heeft/hebben gedaan en/of aangeboden, welke gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) aan die [naam 1] heeft/hebben bestaan uit - ( een) geldbedrag(en) van in totaal circa USD 860.000,-, althans enig geldbedrag, en/of - ( een) (contant(e)) geldbedrag(en) van in totaal circa USD 83.000,-, althans enig geldbedrag, (telkens) met het oogmerk om die (buitenlandse) ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten, en/of (telkens) ten gevolge of naar aanleiding van wat door die (buitenlandse) ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten, te weten het vanuit zijn functie als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ op Sint Maarten aan het/de bouwbedrijf/bouwbedrijven [verdachte] B.V. en/of [medeverdachte] N.V. 3 De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om vrijspraak van het tenlastegelegde. [verdachte] B.V. en [medeverdachte] N.V. (hierna respectievelijk: [verdachte] en [medeverdachte] ) hebben zich in het aanbestedingstraject van de Causeway Bridge (hierna: de Brug) niet schuldig gemaakt aan omkoping van [naam 1] . Daartoe is, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. De getuigen [naam 2] en [naam 3] hebben weliswaar een belastende verklaring afgelegd, maar deze verklaringen zijn niet betrouwbaar en/of ongeloofwaardig. [naam 2] heeft met het Openbaar Ministerie een kroongetuigedeal gesloten. Pas nadat hij die afspraken had gemaakt, heeft hij voor [verdachte] en [medeverdachte] belastende verklaringen afgelegd. Vanwege die afspraken was hij gehouden belastend over [verdachte] en [medeverdachte] te verklaren. Ook op basis van zijn consultancy-overeenkomst met [verdachte] had [naam 2] reden om belastende verklaringen af te leggen. Van deze consultancy-overeenkomst maakte een anticorruptie-clausule deel uit. [naam 2] had er belang bij te verklaren dat [verdachte] en [medeverdachte] wisten van de doorbetalingen aan [naam 1] , zodat niet gezegd kan worden dat hij de bepalingen van de overeenkomst had geschonden. Ook de verklaringen van [naam 3] zijn niet betrouwbaar. Als verdach [naam 6] , projectmanager bij [verdachte] en [naam 7] , contract- en tendermanager bij [verdachte] , hadden in december 2009 via e-mail contact met [naam 12] van architectenbureau [bedrijf 8] , waarin – in afwachting van de aanbesteding van de Brug – achtergrondinformatie over [verdachte] en het ontwerp van de Brug werd uitgewisseld. [naam 7] noemde hierin dat het een “ fine looking bridge ” moet worden “ which [naam 1] would like (important factor) ”. Begin 2010 had [naam 7] contact met [naam 2] over een consultancy-overeenkomst tussen [bedrijf 1] , het bedrijf van [naam 2] , en [verdachte] . [naam 2] zou met betrekking tot de aanbesteding van de Brug voor [verdachte] fungeren als agent op Sint Maarten. Op 28 januari 2010 stuurde [naam 7] een concept consultancy-overeenkomst naar [naam 2] . Op 5 februari 2010 werd onder andere [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) door SLAC uitgenodigd om een offerte uit te brengen voor de Brug. Een belangrijk criterium om in aanmerking te komen voor de gunning was de local content of local involvement . Van de door de aannemer in te huren arbeidskrachten moest minimaal 30% bestaan uit lokale onderaannemers en arbeidskrachten. Binnen [verdachte] werd een lijst opgesteld met lokale, Sint Maartense, aannemers en leveranciers. Dit digitale document, van 13 februari 2010, bevatte ‘ [naam 1] -input’ en ‘ [naam 1] ’s comment 12-2’ . Met ‘ [naam 1] ’ werd [naam 1] bedoeld. In februari 2010 onderhield [naam 7] verder contact met [naam 12] over het ontwerp van de Brug en benadrukte daarbij opnieuw in drie verschillende e-mails dat het ontwerp in de smaak moest vallen bij, toen nog commissioner, [naam 1] . Op 8 maart 2010 ontving SLAC offertes van vijf aannemers, waaronder van [verdachte] . Na evaluatie van de offertes werden de hoogst scorende aannemers geselecteerd voor de tweede ronde. Dat waren [verdachte] en [bedrijf 4] . Beide partijen dienden nadere vragen te beantwoorden. Op 27 maart 2010 liet [naam 6] aan onder andere [naam 7] en [naam 4] weten dat hij had vernomen dat geadviseerd zou worden om met [verdachte] verder te gaan en dat ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 5] ’ de uiteindelijke beslissing zouden nemen. Met ‘ [naam 1] ’ werd wederom [naam 1] bedoeld en met ‘ [naam 5] ’ [naam 5] , de CEO van de Haven. Enkele dagen later, op 31 maart 2010 berichtte [naam 8] ( [bedrijf 2] ) aan [naam 7] dat het antwoord van [verdachte] op de vragen van het bouwteam over de local involvement teleurstellend was. Verzocht werd om meer gespecificeerde antwoorden. De reactie van [naam 7] een dag later werd door [naam 5] doorgestuurd naar het privé e-mailadres van [naam 1] . Op 8 april 2010 werd de tweede ronde van de aanbesteding geëvalueerd en werd aanbevolen om met [verdachte] te onderhandelen over een Preparatory Works Agreement . [bedrijf 2] berichtte op 17 mei 2010 aan [bedrijf 3] dat zij was uitgekozen om verder te onderhandelen met SLAC. Op 4 november 2010 ondertekenden SLAC en [medeverdachte] het Design & Construction Contract for the Link 9 Simpson Bay Causeway . Op dezelfde datum ondertekenden [naam 4] (namens [verdachte] ) en [naam 9] (namens [bedrijf 1] ) de consultancy-overeenkomst. In het Design & Construction Contract was overeengekomen dat SLAC de financiering van de Brug binnen een half jaar rond moest krijgen. SLAC slaagde daar niet in, zodat het contract op 4 mei 2011 verliep. Na nieuwe onderhandelingen werd op 22 februari 2012 een nieuw Design & Construction Contract ondertekend. Betalingen door [naam 2] aan [naam 1] [naam 2] werd op Sint Maarten als agent betaald door meerdere (bouw)bedrijven. Sinds 2005 had hij een afspraak met [naam 1] . Bij projecten van meer dan een miljoen dollar zou [naam 1] een deel van de fee van [naam 2] ontvangen, als de opdracht werd gegund aan een bedrijf dat [naam 2] vertegenwoordigde. [naam 2] heeft in het kader van de aanbestedingsprocedure met betrekking tot de Brug contact gehad met [naam 1] . [naam 1] vroeg [naam 2] of hij nog een bedrijf kende ‘waar ook De betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [naam 2] onbetrouwbaar zijn, omdat [naam 2] er – kort gezegd – als kroongetuige en op basis van zijn consultancy-overeenkomst met [verdachte] belang bij had om belastend over [verdachte] en [medeverdachte] te verklaren. Ook ten aanzien van de verklaringen van [naam 3] heeft de verdediging aangevoerd dat deze onbetrouwbaar zijn. De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende. Het feit dat [naam 2] als kroongetuige verklaringen heeft afgelegd, geeft aanleiding om die verklaringen met behoedzaamheid te beoordelen. De verklaringen van een kroongetuige moeten immers een meerwaarde hebben in het strafrechtelijk onderzoek. [naam 2] heeft een groot aantal verklaringen afgelegd. Na het maken van afspraken met het Openbaar Ministerie, is [naam 2] gedetailleerd en belastend over [verdachte] en [medeverdachte] gaan verklaren. De rechtbank constateert dat [naam 2] in die verklaringen op hoofdlijnen consistent heeft verklaard en dat hij ook zichzelf heeft belast. De verklaringen van [naam 2] staan in het dossier niet op zichzelf, maar worden ondersteund door de verklaringen van anderen. Zo heeft ook [naam 3] verklaard over de deal van [naam 2] met [naam 1] en dat [naam 2] een deel van zijn fee van [verdachte] doorbetaalde aan [naam 1] . Daarnaast heeft [naam 10] , destijds werkzaam bij [bedrijf 7] B.V. (een van de aannemingsbedrijven die uitgenodigd waren om in te schrijven op de bouw van de Brug) in algemene zin verklaard dat bouwbedrijven [naam 1] betaalden om een opdracht gegund te krijgen. In dit verband is tevens van belang dat de voorgenomen overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en [naam 2] door de rechter-commissaris te Sint Maarten is getoetst en als rechtmatig is geoordeeld. Ook heeft de rechter-commissaris de getuige [naam 2] en diens verklaringen als betrouwbaar geoordeeld. De rechtbank acht de verklaringen van [naam 2] op basis van deze overwegingen betrouwbaar. Dat zowel [naam 2] als [naam 3] tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris van de rechtbank Overijssel niet meer precies weten wat er jaren eerder in gesprekken of tijdens vergaderingen is gezegd of wie daarbij aanwezig zijn geweest, maakt hun verklaringen niet onbetrouwbaar. Ook de verklaringen van [naam 3] zijn op hoofdlijnen consistent en vinden steun in de rest van het dossier. De rechtbank zal de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] gebruiken voor het bewijs. Het formele en informele circuit De verdediging heeft betoogd dat de gunningsbeslissing is genomen door SLAC en dat [naam 1] formeel noch feitelijk een bepalende stem had bij de aanbesteding. Uit het dossier volgt dat bij de aanbesteding een formele procedure werd gevolgd. SLAC was verantwoordelijk voor de aanbesteding en formeerde een bouwteam en verschillende subteams. De ingediende offertes werden beoordeeld aan de hand van een puntensysteem. In de evaluaties is aan de hand van dat puntensysteem onderbouwd met welke aannemer(s) het proces zou worden voortgezet. Uit het dossier volgt echter ook dat, buiten de formele procedure om, de machtsverhoudingen feitelijk anders lagen. Uit de verklaringen van [naam 2] , [naam 3] , [naam 11] (destijds werkzaam bij [bedrijf 2] N.V.) en [naam 10] volgt dat [naam 1] veel invloed had op het eiland, dat hij [naam 5] aanstuurde en dat bouwbedrijven [naam 1] geld betaalden om opdrachten gegund te krijgen. Dat [naam 1] de belangrijke factor was in de aanbesteding, blijkt ook uit e-mails van [naam 7] . Op 21 december 2009 mailde hij aan [naam 12] : ‘Try to enhance it to a fine looking bridge which [naam 1] will like (important factor)’. En op 17 februari 2010: ‘I think this will give us an edge over the other companies and highly impress Comm. [naam 1] ’. Op 25 februari 2010 berichtte Walls aan [naam 7] : ‘We think that this concept would get the attention of Commissioner [naam 1] and differentiate us from the other contractor a) Ondersteuning bieden met betrekking tot inkoop van goederen, diensten en materialen uit hoofde van het contract. b) Het helpen bij het verkrijgen van benodigde werkvergunningen en overige benodigde documenten. c) Alle noodzakelijke douaneafhandelingen coördineren, waaronder opstellen en overleggen van documenten bij havens van binnenkomst. d) Zorgen voor specifieke ministeriële vergunningen voor import en export. e) [verdachte] voorstellen aan deskundigen voor advies inzake onder andere technische en fiscale kwesties. f) Ondersteuning bieden bij werving van plaatselijke arbeidskrachten. g) Ondersteuning bieden bij het zoeken/onderhandelen met onderaannemers. h) Administratie bijhouden van alle door hem verrichte handelingen. i. i) Het verrichten van alle redelijke inspanningen om de belangen en status van [verdachte] te behartigen en getrouw en zorgvuldig die taken verrichten die nodig zijn voor de leveringen van de diensten. Uit het onderzoek is niet gebleken dat [naam 2] een van deze werkzaamheden heeft verricht. In het dossier bevindt zich slechts één e-mail van [naam 2] die zou kunnen worden aangemerkt als werkzaamheid van [naam 2] ten behoeve van [verdachte] , zij het dat deze niet valt onder de in de overeenkomst genoemde werkzaamheden. [naam 4] , de bestuurder van [verdachte] , heeft verklaard dat [naam 2] [verdachte] moest voorzien van informatie over wat op Sint Maarten speelde en dat [naam 2] [verdachte] moest promoten op het eiland. Hij verklaarde: de som is wellicht hoog, maar de looptijd is lang. De rechtbank overweegt dat [naam 4] geen concrete zaken kan benoemen die [naam 2] heeft aangedragen of werkzaamheden die [naam 2] heeft verricht. Daarbij komt dat de consultancy-overeenkomst pas op 4 november 2010 is ondertekend, op dezelfde dag dat het Design & Construction Contract is ondertekend. Op dat moment was de bouw van de Brug al aan [verdachte] gegund, zodat lobbywerkzaamheden van [naam 2] niet meer nodig waren, terwijl een beloning voor eventuele lobbywerkzaamheden in de overeenkomst in het geheel niet zijn omschreven. Verder overweegt de rechtbank dat de consultancy-overeenkomst met [naam 2] werd gesloten op naam van zijn Panamese offshore company [bedrijf 1] [verdachte] heeft geen onderzoek gedaan naar de integriteit van zowel [naam 2] als [bedrijf 1] en heeft ook niet gecontroleerd of [naam 2] handelde conform de in de consultancy-overeenkomst omschreven werkzaamheden en voorwaarden. De rechtbank stelt dan ook vast dat [naam 2] (nagenoeg) geen van de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht voor [verdachte] terwijl [verdachte] hem via zijn Panamese (offshore) vennootschap wel € 1.065.524,25 betaalde. [naam 2] heeft verklaard dat hij [naam 6] en [naam 7] heeft ingelicht over de doorbetaling van een deel van zijn fee aan [naam 1] , op het moment dat de consultancy-overeenkomst in concept werd opgemaakt. Dat concept werd eind januari 2010 al door [naam 7] aan [naam 2] gestuurd. In maart 2010 stonden [naam 1] en [naam 2] bovenaan het lijstje van mensen die [verdachte] in het kader van de aanbesteding wilde ontmoeten. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] wist dat [naam 2] (een deel van) de fee zou doorbetalen aan [naam 1] , en dat de consultancy-overeenkomst er slechts toe diende om de betaling van die fee boekhoudkundig te rechtvaardigen. Verband tussen de belofte/gift en de beoogde of reeds gegeven tegenprestatie Voor een bewezenverklaring van omkoping moet er een verband tussen de belofte danwel gift en de beoogde of reeds gegeven tegenprestatie komen vast te staan. Voor zover het tenlastegelegde is gestoeld op artikel 177 lid 1 sub 1 Sr, betekent dat dat er sprake moet zijn van ‘het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten ’. Voor zover het tenlastegelegde is gestoeld op artikel 177 lid 1 sub 2 Sr, moet sprak Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] , tezamen en in vereniging met [naam 2] , een geldbedrag hebben beloofd aan [naam 1] , met het oogmerk hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, het overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ op Sint Maarten aan hen te gunnen, en dat zij $ 83.000,-- aan [naam 1] hebben betaald, naar aanleiding van het gunnen van dat overheidscontract. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: zij in de periode van 16 november 2009 tot en met 11 maart 2014 in Nederland en/of Sint Maarten, tezamen en in vereniging met anderen, eenmaal, een buitenlandse ambtenaar, te weten [naam 1] , werkzaam als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten, telkens - via [bedrijf 1] en/of [naam 2] - giften en een belofte- afkomstig van [verdachte] B.V. en/of [medeverdachte] N.V. - heeft gedaan en/of aangeboden, welke gift en belofte aan die [naam 1] hebben bestaan uit - enig geldbedrag, en - geldbedragen van in totaal circa USD 83.000,-, telkens met het oogmerk om die buitenlandse ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen, en telkens ten gevolge of naar aanleiding van wat door die buitenlandse ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan, te weten het vanuit zijn functie als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ op Sint Maarten aan het/de bouwbedrijf/bouwbedrijven [verdachte] B.V. en/of [medeverdachte] N.V. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 177 (oud) Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: het misdrijf : aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten en het misdrijf : aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten. 5 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 6 De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 525.000,--. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de op te leggen straf. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de draagkracht van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.