Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-04
ECLI:NL:RBOVE:2026:835
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/341786 / KG ZA 25-283 Vonnis in kort geding van 4 februari 2026 in de zaak van NPB MEDIA B.V. , te Haarlem, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: NPB, advocaat: mr. M. de Waal, tegen GEMEENTE ZWOLLE , te Zwolle, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: de gemeente, advocaat: mr. J.H.C.A. Kok-Muller. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,- de nadere producties van de zijde van NPB,- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling toegelicht, waarbij NPB gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. 1.2. Het vonnis is bepaald op vandaag. 2 Samenvatting 2.1. Partijen hebben in 2015 onderhandeld over de verlenging/aanpassing van een concessieovereenkomst op grond waarvan NPB het (exclusieve) recht heeft om tegen betaling van een vergoeding en onder bepaalde voorwaarden lichtreclames aan te brengen en aangebracht te houden, aan op openbare grond geplaatste lichtmasten die eigendom zijn van de gemeente. De afspraken die partijen uiteindelijk zijn overeengekomen zijn vastgelegd in een eind april 2015 ondertekend addendum. In deze procedure staat de vraag centraal hoe de in het addendum opgenomen uitloopregeling van vijf jaar moet worden uitgelegd. NPB meent dat de uitloopregeling (ook) moet worden toegepast bij het van rechtswege expireren van de overeenkomst en vordert (primair) nakoming van de uitloopregeling en de gestarte aanbestedingsprocedure af te breken of (subsidiair) op te schorten in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure. De gemeente voert verweer en stelt dat de uitloopregeling (alleen) geldt bij opzegging van de overeenkomst en dat de regeling niet van toepassing is bij de aan de orde zijnde beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. De gemeente vordert in reconventie dat NPB de lichtreclames verwijdert. 2.2. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat NPB in de gegeven omstandigheden de uitloopregeling redelijkerwijs niet zo heeft mogen opvatten dat zij daar ook een beroep op kon doen na beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Dit betekent dat de primaire vorderingen van NPB worden afgewezen. Er bestaat ook geen aanleiding om de aanbestedingsprocedure op te schorten in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure. NPB zal worden geboden om de lichtreclames na definitieve gunning in de aanbestedingsprocedure te verwijderen, behoudens in het geval dat NPB de aanbesteding zelf wint. Het oordeel van de voorzieningenrechter wordt hierna toegelicht. 3 De feiten 3.1. NPB is een bedrijf dat zich bezighoudt met het verhuren van reclame aan elektriciteitsmasten en straatlantaarns in Nederlandse gemeenten en in het algemeen met de uitoefening van het reclamebedrijf. 3.2. In of omstreeks 1996 hebben de rechtsvoorganger van NPB en de gemeente een concessieovereenkomst (hierna: ook de overeenkomst) gesloten. In deze overeenkomst is aan (de rechtsvoorganger van) NPB (kort gezegd) het recht verleend om, met uitsluiting van anderen en behoudens eventuele rechten van derden, tegen vergoeding en onder bepaalde (nadere) voorwaarden, in totaal maximaal 250 lichtreclames aan te brengen en aangebracht te houden, aan op openbare grond geplaatste lichtmasten die eigendom zijn van de gemeente. In deze overeenkomst is over de tussentijdse beëindiging (artikel 8) en de inwerkingtreding en beëindiging van de overeenkomst (artikel 10) het volgende opgenomen: “(…) 8a. Van een tussentijdse beëindiging van deze overeenkomst is sprake indien City Sign: - in staat van faillissement wordt verklaard of surseance van betaling aanvraagt; - wordt ontbonden; - h Verder willen wij de door jullie genoemde inspanningsverplichting (…) om het aantal lichtmastreclames zo hoog mogelijk te houden en periodiek onze inspanningen en actieplannen met de gemeente bespreken, expliciet in de overeenkomst vastleggen. (…) Wij onderschrijven voor het overige de overeenstemming die we hebben op de volgende punten: (…) Geen uitloopperiode meer maar de 60 / 40 regeling. Een looptijd van 5 jaar (2016-2020) (…)” 3.3.2. NPB reageert daarop per e-mailbericht van 25 maart 2015, voor zover van belang, als volgt: “(…) Aangepast huurvergoeding van €. 104.000,- voor 2015 is niet akkoord. Deze houden op het niveau zoals overeengekomen in de overeenkomst. De overige punten zijn wel akkoord. Verder is het voor ons van belang dat ook de volgende punten in het addendum worden vastgelegd. (…) Als de gemeente akkoord kan gaan met een 10-jarige overeenkomst zullen wij de huidige lichtmastreclames binnen een periode van 3 jaren vervangen door energiezuinige reclames. Voor ieder geplaatste energiezuinige lichtmastreclame willen wij dan halvering van de huidige overeengekomen stroomkomsten. Indien de gemeente toch de voorkeur heeft voor een contractduur van 5 jaren, zullen wij de huidige reclames blijven plaatsen. (…)” 3.3.3. Op 27 maart 2015 heeft er een fysiek overleg plaatsgevonden, waarna [naam 1] bij e-mailbericht van 27 maart 2015 aan NPB heeft meegedeeld dat er over een aantal punten nog geen overeenstemming is bereikt en dat die eerst nog nader moeten worden uitgewerkt. Daartoe is een concept van het addendum meegestuurd waarin voor zover van belang het volgende staat. “(…) In afwijking van artikel 10b wordt de Overeenkomst tussen Gemeente en NPB verlengd voor een periode van vijf jaar, ingaande op 1 januari 2016 en eindigend op 31 december 2020. Partijen hebben de optie om de Overeenkomst nogmaals met een periode van 5 jaar te verlengen (2021-2025) en dienen hierover vóór 1 januari 2020 een besluit te nemen. (…) 10. Artikel 10c vervalt en in de plaats daarvan wordt de zogeheten 60/40 regeling toegepast, hetgeen inhoudt dat: (NPB doet hier tekstvoorstel voor uitleg van deze 60/40 regeling of doet voorstel voor een ander alternatief) (…)” 3.4. Bij e-mailbericht van 9 april 2015 heeft NPB enkele tekstvoorstellen gestuurd. Deze luiden voor zover van belang als volgt: “ Bij een opvolgende exploitant. Variant 1 In geval van opzegging van de overeenkomst met NPB en er een nieuwe overeenkomst wordt afgesloten met een opvolgende exploitant zullen de overeenkomsten tussen NPB en de adverteerders overgaan naar de opvolgende exploitant. Voor deze overeenkomsten ontvangt NPB van de opvolgende exploitant een vergoeding. De hoogte van deze vergoeding is gesteld op 60% van de geboekte omzet in het laatste jaar van de vigerende overeenkomst en 40% van de geboekte omzet in het eerste jaar na de expiratiedatum. De opvolgende exploitant zal over de vergoedingen aan NPB een bankgarantie verstrekken. Betaling (60%) door de opvolgende exploitant zal dan respectievelijk plaatsvinden op de expiratiedatum van de vigerende overeenkomst en de volgend betaling (40%) exact 1 jaar na de expiratiedatum. Over de hoogte van dit bedrag zal een accountantsverklaring worden afgegeven. Variant 2 In geval van opzegging van de overeenkomst mogen reclameobjecten welke aanwezig zijn of welke geplaatst worden voor de genoemde afloopdatum zullen de reclameobjecten geplaatst blijven tot uiterlijk vijf jaren na beëindiging van de overeenkomst, onder gelijk blijvende condities als ware deze overeenkomst niet beëindigd, met dien verstande dat de garantievergoeding per afloopdatum zal komen te vervallen. Indien de gemeente stopt met lichtmastreclame geldt onderstaande onherroepelijk. In geval van opzegging van de overeenkomst en de gemeente wenst verder geen overeenkomst aan te gaan met betrekking tot de exploitatie van lichtmastreclames, mogen reclameobjecten welke aanwezig zijn of geplaatst worden voor de expiratiedatum van de onderhavige overeenkomst geplaatst verwijderd op of vóór de 15° van enige maand, geacht worden te zijn geplaatst c.q. verwijderd in die maand. Reclameobjecten die zijn geplaatst c.q. verwijderd na de 15° van enige maand worden geacht te zijn geplaatst c.q. verwijderd in de daaropvolgende maand. Voorgaande betekent dat NPB telkens na afloop van elk kwartaal de gemeente een vergoeding zal betalen voor het aantal lichtreclames dat boven het aantal van 100 objecten uitstijgt. (…) 10. NPB zal zich maximaal inspannen om het aantal geplaatste lichtreclameobjecten zo hoog mogelijk te houden en verplicht zich daarbij de inspanningen en actieplannen op dit punt nadrukkelijk en tenminste eenmaal per jaar met de Gemeente te bespreken; 11. Ter stimulering van de verkoop en uitvoering van voornoemde inspanningsverplichting wordt het NPB toegestaan om maximaal 10 lichtreclameobjecten voor promotie-doeleinden in te zetten, zonder dat hiervoor een vergoeding aan de Gemeente is verschuldigd. 12. Artikel 10c vervalt en in de plaats daarvan komt de volgende bepaling: In geval van opzegging van de overeenkomst mogen reclameobjecten welke aanwezig zijn of welke geplaatst worden voor de einddatum van het contract, geplaatst blijven tot uiterlijk vijf jaren na beëindiging van de overeenkomst, onder gelijkblijvende condities als ware deze overeenkomst niet beëindigd, met dien verstande dat de garantievergoeding per afloopdatum zal komen te vervallen. NPB zal in dat geval een vergoeding van € 850,- per lichtreclameobject aan de Gemeente verschuldigd zijn. Er mogen na einddatum van de overeenkomst geen nieuwe objecten worden geplaatst. 13. De bepalingen inzake het zogeheten matchingsrecht, zoals vermeld in de artikelen 10d, 10 e en 10f van de Overeenkomst, komen te vervallen. (…)” 3.5. Vanaf omstreeks 6 mei 2025 hebben partijen contact gehad over het aflopen van de overeenkomst. In dat kader heeft de heer [naam 3] van NPB (hierna: [naam 3]) per e-mailbericht van 6 mei 2025 een voorstel gedaan aan [naam 1]. Bij e-mailbericht van 6 mei 2025 heeft [naam 1] aan [naam 3] het volgende meegedeeld: “Het contract met NPB eindigt op 31 december 2025 en wordt opnieuw aanbesteed. De huidige lichtmastreclame kan blijven zitten totdat het contract met de klant afloopt. Zie addendum. In verband hiermee wil ik weten wanneer de verschillende contracten aflopen.” 3.6. Bij e-mailbericht van 21 juli 2025 heeft [naam 1] [naam 3] het volgende meegedeeld: “Zoals bekend eindigt per 31 december 2025 van rechtswege de overeenkomst tussen de gemeente en NPB over de exploitatie van lichtmastreclame. Dat betekent dat de overeenkomst op die datum automatisch eindigt zonder dat daar een opzegging van de gemeente voor nodig is. Het gevolg hiervan is dat in beginsel alle in Zwolle aanwezige (105) lichtmastreclames uiterlijk op 31 december 2025 moeten worden verwijderd. De overgangstermijn van maximaal 5 jaar na datum einde overeenkomst waar Npb tot dusver ten onrechte van uit is gegaan (en zoals opgenomen in artikel 12 van het addendum bij de overeenkomst tussen de Gemeente en NPB), is niet van toepassing. Die overgangstermijn geldt alleen als er sprake is van een opzegging van de overeenkomst en niet in het geval waarin de overeenkomst van rechtswege eindigt zoals in casu het geval is. (…)” 3.7. In reactie daarop heeft [naam 3] [naam 1] per e-mailbericht van 22 juli 2025 het volgende meegedeeld: “(…) Tijdens ons prettige en open telefoongesprek van 23 juni jl. is onder meer gesproken over de overgangstermijn van maximaal vijf jaar na afloop van de overeenkomst, zoals vastgelegd in artikel 12 van het addendum van 25 april 2015. Deze bepaling is juist opgenomen om te zorgen dat de exploitatie niet abrupt eindigt en ondernemers niet de dupe worden van een concessiewissel. Het oorspronkelijke contract voorzag immers in stilzwijgende verlenging, waarmee de exploitatie altijd doorliep om ondernemers te ontzorgen. De uithangperiode van vijf jaar is in diezelfde lijn een logische voortzetting en vormt daarmee een essentieel on NPB meent dan ook dat zij er gerechtvaardigd van mag uitgaan dat de gemeente bij haar beoogde aanbesteding de contractuele rechten van NPB respecteert en volledig en correct na zal komen. NPB deelt in dat verband ook mee dat zij de reclameobjecten dan ook niet zal verwijderen bij het einde van de contractduur. 3.15. Na de brief van 8 oktober 2025 heeft de gemeente de aanbesteding voor lichtmastreclame (voor de eerste keer) aangekondigd. Bij brief van 16 oktober 2025 is namens de gemeente gereageerd op de brief van 8 oktober 2025 van de zijde van NPB, waarbij de (inhoudelijk) ingenomen standpunten zijn gehandhaafd. In dat kader is ook vermeld dat NPB verplicht is de lichtmastreclames met ingang van 1 januari 2026 te verwijderen (althans binnen de termijn van een maand nadat duidelijk is geworden dat zij niet de winnaar van de aanbesteding is). 3.16. De gemeente heeft op 7 november 2025 de aanbesteding alsnog Europees aangekondigd. In het beschrijvend document van de aanbesteding is een bijzondere rechtsmiddelenclausule opgenomen in het geval (potentiële) inschrijvers principiële bezwaren tegen de aanbesteding hebben. In de Nota’s van Inlichtingen zijn diverse vragen gesteld over de huidige concessieovereenkomst. 3.17. Bij brief van 21 november 2025 is namens NPB gereageerd op de brief van 18 oktober 2025. NPB ziet geen aanleiding om haar ingenomen standpunten te wijzigen. Zij constateert (ook) dat partijen in een impasse zijn geraakt en zij staat dan ook een minnelijke regeling voor. BNP verneemt graag van de gemeente of daartoe bereidheid bestaat. Bij e-mailbericht van 24 november 2025 is namens de gemeente medegedeeld dat niet op het voorstel van BNP kan worden ingegaan omdat de nieuwe aanbesteding reeds is aangevangen. 3.18. Begin december 2025 heeft NPB onderhavig kort geding aangevraagd bij deze rechtbank, locatie Almelo. 3.19. Bij brief van 11 december 2025 is namens de gemeente aan NPB meegedeeld dat de gemeente bereid is de bestaande, reeds aangebrachte lichtmastreclames hangende het kort geding en (na afwijzing daarvan) het verdere verloop van de aanbesteding te gedogen. Tevens heeft de gemeente NPB laten weten dat, indien NPB vanaf 1 januari 2026 het financiële voordeel van de aangebrachte lichtmastreclames wenst te genieten, zij voor dit (onrechtmatige) voortgezette gebruik een billijke gebruiksvergoeding is verschuldigd overeenkomstig de vergoeding zoals deze gedurende het laatst lopende contractjaar tussen partijen van toepassing was. 4 Het geschil In conventie 4.1. NPB vordert (samengevat) dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: I. de gemeente veroordeelt tot nakoming van artikel 12 van het addendum, inhoudende dat NPB vanaf 1 januari 2026 een beroep kan doen op de uitloopregeling van vijf jaar; II. de gemeente beveelt de lopende aanbestedingsprocedure af te breken en bij een nieuwe aanbestedingsprocedure rekening te houden met het hiervoor onder I. gevorderde; subsidiair: de gemeente beveelt om de lopende aanbesteding op te schorten en opgeschort te houden in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure tussen partijen over artikel 12 van het addendum; zowel primair als subsidiair: de gemeente veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure. In reconventie De gemeente vordert (samengevat), na eisvermindering tijdens de mondelinge behandeling , dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat: NPB wordt geboden om alle 96 door haar aan de lichtmasten van de gemeente geplaatste, aangebrachte en/of aanwezige lichtreclames (vermeld in het Excel overzicht van 7 januari 2026), te verwijderen en verwijderd te houden, binnen 30 dagen (althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn): nadat NPB in het (definitieve) gunningsbesluit van de aanbesteding Lichtmastreclame van de gemeente Zwolle niet als winnaar wordt aangewezen, dan wel nadat NPB de uiterste inschrijftermijn van de aanbesteding Lichtmastreclames ongebruikt laat ver Dat betekent niet dat de Haviltex-maatstaf niet geldt, maar maakt wel dat in beginsel groot gewicht toekomt aan de bewoordingen van artikel 12 van het addendum, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst met bijbehorend addendum. Dit geldt te meer nu partijen enige tijd hebben onderhandeld over het addendum. Uit de (definitieve) tekst van artikel 12 van het addendum blijkt niet dat sprake is van een uitloopregeling in de zin zoals NPB deze verstaat. Er staat duidelijk en ondubbelzinnig “in geval van opzegging”. Er is niet ondubbelzinnig opgenomen dat sprake zou zijn van een uitloopregeling bij beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Als partijen dat bedoeld hadden, had het, zoals de gemeente ook stelt, juist voor de hand gelegen om een bepaling van die vergaande strekking expliciet op te nemen. NPB stelt dat partijen vanaf aanvang van de onderhandelingen hebben beoogd dat er een nawerkingsregeling bij het einde van de overeenkomst van rechtswege moest worden overeengekomen en wijst daarbij op het concept van het addendum van 27 maart 2015 en de daaraan voorafgaande e-mailcorrespondentie. De gemeente heeft dit standpunt van NPB gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het concept van het addendum van 27 maart 2015 geen steun biedt voor deze stelling van NPB. Dit concept bevat immers nog geen concre(e)t(e) tekstuele bepaling/voorstel voor artikel 10c dat zou komen te vervallen. De gemeente verzoekt NPB om een voorstel te doen voor de 60/40-regeling of een voorstel voor een ander alternatief. Uit de wijze waarop dat verzoek is gedaan kan niet worden afgeleid dat het de bedoeling van partijen was een regeling te treffen die van toepassing zou zijn na de beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de tot dat moment gewisselde e-mailberichten tussen partijen. De door NPB uitgewerkte voorstellen duiden er ook niet op dat partijen deze bedoeling hadden. Daarin wordt immers ook steeds (alleen) de term opzegging gebruikt. Dat NPB als “leek” zou hebben teruggegrepen op tekstvoorstellen van andere concessie-overeenkomsten voor onbepaalde tijd, zoals zij stelt, leidt niet tot een andersluidend oordeel. Zoals hiervoor is overwogen is NPB een professionele partij die, volgens het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel, al jarenlang actief is in de reclamewereld en in dat verband ook veelvuldig overeenkomsten heeft gesloten en sluit. Bovendien volgt uit de omstandigheid dat partijen hebben gesproken over een 60/40-regeling ook niet, anders dan NPB stelt, duidelijk dat partijen een nawerkingsregeling bij beëindiging van de overeen-komst van rechtswege voor ogen hadden. Niet valt in te zien dat een dergelijke regeling ook niet zou kunnen gelden bij een opzegging van een overeenkomst. Daarnaast kan niet uit het oog worden verloren dat partijen nadien nog verder hebben onderhandeld. Daarbij is uiteindelijk niet gekozen voor een 60/40-regeling. Ook de duur van de overeenkomst is nog onderwerp van debat geweest. Uiteindelijk is er - op verzoek van NPB - overeenstemming bereikt over een (veel) langere duur van de overeenkomst, namelijk 10 jaar, zonder de mogelijkheid van verlenging (een mogelijkheid die in de eerdere concepten nog was opgenomen) en is er in de loop van de onderhandelingen gesproken over opzeggings-mogelijkheden. In dat kader acht de voorzieningenrechter van belang dat NPB dit zelf aan de orde heeft gesteld in haar e-mailbericht van 22 april 2015. Dat heeft ertoe geleid dat de gemeente in het daaropvolgende concept van het addendum een opzeggingsbevoegdheid voor beide partijen heeft opgenomen, welke uiteindelijk, nadat NPB daartegen bezwaar had geuit, is beperkt tot een opzeggingsbevoegdheid van NPB (onder bepaalde voorwaarden). 5.9. De omstandigheid dat er op eerdere momenten in het onderhandelingstraject door partijen niet (expliciet) is gesproken over (andere) tussentijdse opzegmogelijkheden rechtva Daarbij kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat het e-mailbericht is verstuurd op een moment dat er (ongeveer) tien jaar zijn verstreken nadat de onderhandelingen over de overeenkomst/het addendum hebben plaatsgevonden en dat [naam 1] (kort) daarna, in ieder geval bij haar e-mailbericht van 21 juli 2025, duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat de overgangstermijn van 5 jaar alleen geldt bij opzegging en niet in het geval waarin de overeenkomst van rechtswege eindigt (zoals in casu het geval is). 5.13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door NPB overgelegde overeenkomsten met andere gemeenten, waarin dezelfde bewoordingen zijn gehanteerd ter zake de uitloopregeling NPB niet kan baten. Nog daargelaten dat de gemeente kritische kanttekeningen heeft geplaats bij (een aantal van) deze overeenkomsten zien deze overeenkomsten op andere partijen. 5.14. Op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht en hebben onderbouwd, komt de voorzieningenrechter dan ook tot het oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat de primaire vorderingen van NPB in een bodemprocedure worden toegewezen. Opschorting van de aanbestedingsprocedure 5.15. Het subsidiair gevorderde door NPB strekt tot opschorting van de (al lopende) aanbestedingsprocedure in afwachting van een rechterlijk oordeel over de uitloopregeling in een bodemprocedure. De gemeente heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd. 5.16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan de gemeente kan worden toegegeven dat de vordering te ruim is geformuleerd. Dat neemt echter niet weg dat het de voorzieningenrechter vrij staat om - als het mindere van het gevorderde - een minder verstrekkende voorziening te treffen (door bijvoorbeeld een (korte) termijn voor het betekenen van de dagvaarding toe te voegen). De voorzieningenrechter ziet daarvoor echter geen aanleiding. Nu voorshands onvoldoende aannemelijk is dat het beroep van NPB op de uitloopregeling in een bodemprocedure slaagt, valt onder die omstandigheden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in te zien waarom de gemeente de aanbestedingsprocedure zou moeten uitstellen.. Belangenafweging 5.17. Een belangenafweging in kort geding leidt niet tot een andere uitkomst. De belangen die de gemeente heeft bij voortzetting van de aanbestedingsprocedure wegen voorshands niet minder zwaar dan het belang van NPB om de uitloopregeling op de haar voorgestane manier toe te passen dan wel om de uitkomst van een bodemprocedure over de uitleg van de uitloopregeling af te wachten. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat, zoals hierna zal blijken bij zijn oordeel in reconventie, de lichtmastreclames nog niet direct hoeven te worden verwijderd. 5.18. Gelet op het vorenoverwogene wordt het door NPB gevorderde in conventie afgewezen. Verwijdering van de lichtmastreclames 5.19. De vordering in reconventie van de gemeente strekt tot verwijdering van de lichtreclames. Uit het oordeel van de voorzieningenrechter in conventie vloeit voort dat NPB de lichtreclames moet verwijderen. De gemeente is daarbij uitgegaan van verschillende situaties. NPB heeft daartegen verweer gevoerd in die zin dat volgens haar niet valt in te zien waarom niet in alle gevallen het definitieve gunningsbesluit zou kunnen worden afgewacht nu de gemeente een gebruiksvergoeding ontvangt voor het voortgezette gebruik. De voorzieningenrechter volgt NPB in dit verweer. Juist gelet op de omstandigheid dat NPB een vergoeding betaalt hangende de aanbestedingsprocedure en gezien de brief van (de advocaat van) de gemeente van 11 december 2025, heeft de gemeente onvoldoende onderbouwd waarin haar belang is gelegen om in de situaties zoals omschreven in haar vordering onder sub b tot en met d eerdere verwijdering van de lichtreclames te verlangen. Het spreekt, gelet op de wijze waarop het door de gemeente onder sub a gevorderde is geformuleerd, voor zich en dat is ook niet in geschil dat NPB de lichtreclames niet hoeft te verwijderen als zij