Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-02-10
ECLI:NL:RBOVE:2026:719
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,031 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBOVE:2026:719 text/xml public 2026-02-13T11:59:07 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-10 11967806 \ CV EXPL 25-3602 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:719 text/html public 2026-02-13T11:58:16 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:719 Rechtbank Overijssel , 10-02-2026 / 11967806 \ CV EXPL 25-3602 Eiser heeft in opdracht van gedaagde in zijn lunchroom werkzaamheden verricht. Gedaagde wil de factuur niet betalen, omdat de monteur volgens hem onkundig was. Daarom is eiser deze procedure begonnen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat gedaagde de factuur en een deel van de rest van de vordering van eiser moet betalen. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11967806 \ CV EXPL 25-3602 Vonnis van 10 februari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SLIGRO FOOD GROUP NEDERLAND B.V. , handelend onder de naam [eiser], uit [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde] , handelend onder de naam BIJ HARTJE ZWOLLE , uit [woonplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend zonder gemachtigde. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] in zijn lunchroom werkzaamheden verricht. [gedaagde] wil de factuur niet betalen, omdat de monteur volgens hem onkundig was. Daarom is [eiser] deze procedure begonnen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de factuur en een deel van de rest van de vordering van [eiser] moet betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met bijlagen van 30 oktober 2025; de conclusie van antwoord met bijlagen; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek. 2.2. Vervolgens heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag zal worden uitgesproken. 3. De feiten 3.1. Op 23 mei 2025 had [gedaagde] problemen met de bakplaat en friteuse in zijn lunchroom. Om dit op te lossen, nam hij contact op met [eiser]. 3.2. Omdat [gedaagde] nog een factuur van 23 december 2024 van € 676,45 had openstaan, gaf [eiser] aan dat een monteur pas kon komen als die factuur zou worden betaald. [gedaagde] heeft € 675,00 betaald en een monteur is naar de lunchroom gekomen. 3.3. Voor de uren die de monteur op 23 mei 2025 bezig is geweest, heeft [eiser] [gedaagde] een factuur gestuurd van € 370,74 (inclusief btw). 3.4. [gedaagde] heeft de factuur niet betaald. 4 Het geschil 4.1. [gedaagde] vordert – samengevat en onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 500,00 en de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding. 4.2. Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag dat zij met [gedaagde] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten. Op basis van die overeenkomst heeft [eiser] service- en onderhoudswerkzaamheden voor [gedaagde] verricht en voor die werkzaamheden moet [gedaagde] betalen. 4.3. [gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser]. Het verweer van [gedaagde] komt hieronder aan bod. 4.4. De kantonrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing, verder in op de stellingen van partijen. 5 De beoordeling 5.1. De kantonrechter constateert dat [eiser] in de dagvaarding haar vordering heeft gespecifieerd met een bedrag van € 1.047,19 aan hoofdsom, € 157,08 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 35,20 aan rente tot aan 30 oktober 2025. [eiser] heeft daarvan vervolgens de betaling van € 675,00 afgetrokken zodat een bedrag van € 564,47 overblijft. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] haar vordering uit proceseconomische overwegingen heeft beperkt tot € 500,00 en afstand heeft gedaan van het meerdere. 5.2. De kantonrechter stelt vervolgens vast dat tussen [eiser] en [gedaagde] niet ter discussie staat dat zij een overeenkomst van opdracht hebben gesloten op grond waarvan [eiser] service- en onderhoudswerkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. Het staat ook niet ter discussie dat de monteur op 23 mei 2025 1,83 uur in de lunchroom van [gedaagde] bezig is geweest en voor die werkzaamheden een factuur heeft gestuurd van € 370,74 (inclusief btw). Omdat de monteur dacht dat de thermostaatknoppen moesten worden vervangen, heeft [eiser] op 27 mei 2025 voor het vervangen van de knoppen een offerte uitgebracht van € 1.579,90 (exclusief btw). 5.3. [gedaagde] heeft de factuur van 23 mei 2025 niet betaald, omdat de monteur volgens hem onkundig was. [gedaagde] heeft uitgelegd dat hij na het ontvangen van de offerte een ‘second opinion’ heeft gevraagd van [bedrijf] en daaruit blijkt dat de thermostaatknoppen van de apparaten alleen maar waren verwisseld. [gedaagde] stelt dat hij is opgelicht door [eiser], want [bedrijf] heeft de knoppen omgewisseld en daarmee was het probleem opgelost, terwijl [eiser] hem nieuwe thermostaten wilde verkopen. 5.4. De kantonrechter komt tot het volgende oordeel. Voor zover [gedaagde] met zijn stelling dat de monteur onkundig was, heeft willen aanvoeren dat [eiser] tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit de overeenkomst en dat hij daarom niet hoeft te betalen, volgt de kantonrechter [gedaagde] daarin niet. [eiser] heeft namelijk toegelicht dat zij bij het herstel van het probleem met de thermostaatknoppen een inspanningsverplichting had en geen garantie op succes heeft gegeven. De monteur heeft zich ingespannen om te achterhalen wat het probleem was met de friteuse en de bakplaat. Uit de werkbon blijkt vervolgens welke werkzaamheden de monteur daarvoor heeft verricht. In beginsel moet [gedaagde] deze werkzaamheden betalen. Bovendien heeft [gedaagde] geen juridische gevolgen verbonden aan zijn verweer. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld dat hij schade heeft geleden door het gestelde tekortschieten en die zou willen verrekenen, gaat de kantonrechter ook aan dat verweer voorbij. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat [gedaagde] schade heeft geleden. Dat de monteur dacht dat de knoppen vervangen moesten worden en [eiser] daar een offerte voor heeft opgesteld, terwijl dat uiteindelijk niet nodig bleek te zijn, is ook niet genoeg om de vordering tot betaling van de verrichte werkzaamheden (factuur van € 370,74) af te wijzen. [gedaagde] was namelijk vrij om niet akkoord te gaan met de offerte voor nadere werkzaamheden (en hij is ermee ook niet akkoord gegaan). [gedaagde] heeft verder ook geen andere omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. 5.5. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] de factuur van 23 mei 2025 van € 370,74 aan [eiser] moet betalen. Dat de monteur 1,83 uur aan het werk was, heeft [gedaagde] niet tegengesproken en tegen de post aan voorrijkosten die op de factuur staat, heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. Buitengerechtelijke incassokosten 5.6. Zoals hiervoor is opgemerkt, vordert [eiser] buitengerechtelijke incassokosten. De buitengerechtelijke incassokosten zijn de kosten die [eiser] heeft gemaakt om, in een poging een gang naar de kantonrechter te voorkomen, betaling van [gedaagde] te ontvangen. 5.7. De vordering van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht voor het verkrijgen van betaling. Er zijn voor beide facturen aanmaningsbrieven verstuurd en [gedaagde] heeft het bedrag van € 675,00 eerst na die aanmaningen betaald. Dat betekent dat [eiser] recht heeft op een vergoeding voor de kosten van de incassowerkzaamheden. De wetgever gaat uit van een vaste vergoeding waarbij geabstraheerd wordt van de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 157,08 zijn in overeenstemming met het besluit, zodat [eiser] recht heeft op vergoeding daarvan. De wettelijke handelsrente 5.8.