Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-13
ECLI:NL:RBOVE:2026:718
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 25/1292 en ZWO 25/3343 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres], uit [woonplaats] (hierna: [eiseres]), eiseres (gemachtigde: J.H. Vegter), en de directie van het CBR (hierna: het CBR), verweerder (gemachtigde: mr. S. Sheikchote). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de door het CBR aan [eiseres] opgelegde verplichting om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater naar de geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen (hierna: de geschiktheid). Daarnaast gaat deze uitspraak over de aan [eiseres] opgelegde verplichting om dit onderzoek (alsnog) te betalen. [eiseres] is het er niet mee eens dat zij is verwezen naar een psychiater en zij stelt dat ze het onderzoek al heeft betaald. Aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] beoordeelt de rechtbank of de verplichting om mee te werken aan het onderzoek en de verplichting om dit onderzoek (alsnog) te betalen in stand kunnen blijven. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR aan [eiseres] terecht de verplichting heeft opgelegd om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater. Het CBR heeft in zijn besluiten echter de verkeerde grondslag genoemd en heeft deze besluiten daardoor niet deugdelijk gemotiveerd. Daarom is het beroep met zaaknummer ZWO 25/1292 gegrond en wordt het besluit op bezwaar vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit kunnen echter in stand blijven. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het onderzoek door de psychiater al heeft betaald. [eiseres] is op 13 maart 2025 door een psychiater onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn inmiddels echter verouderd. Dit betekent dat [eiseres], als zij haar rijbewijs wil behouden, alsnog de kosten van het onderzoek door een psychiater moet betalen en zich nogmaals door een psychiater moet laten onderzoeken. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep met zaaknummer ZWO 25/3343 is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaken, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met een besluit van 2 januari 2025 heeft het CBR aan [eiseres] de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid. Met een besluit van 14 maart 2025 (hierna: het bestreden besluit I) heeft het CBR het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 2 januari 2025 ongegrond verklaard en is het CBR bij dat besluit gebleven. 2.1. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/1292. Het CBR heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift. 3. Met een besluit van 3 juni 2025 heeft het CBR het rijbewijs van [eiseres] ongeldig verklaard. Met een besluit van 24 september 2025 heeft het CBR het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 3 juni 2025 ongegrond verklaard en is het CBR bij de ongeldigverklaring gebleven. Met een besluit van 3 oktober 2025 (hierna: het bestreden besluit II) heeft het CBR het besluit van 24 september 2025 ingetrokken. In het bestreden besluit II heeft het CBR het bezwaar tegen het besluit van 24 september 2025 opnieuw ongegrond verklaard, maar heeft het CBR de ongeldigverklaring van het rijbewijs uit coulance herroepen. 4. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3343. 5. De rechtbank heeft de beroepen op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben via een videoverbinding deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het CBR. 5.1. De gemachtigde van het CBR heeft op de zitting meegedeeld dat de psychiater heeft aangegeven dat er inmiddels zoveel tijd is verstreken sinds het onderzoek van 13 maart 2025 dat hij op basis daarvan geen oordeel meer kan geven over de geschiktheid. Dit beteken Het CBR heeft het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 3 juni 2025 opnieuw ongegrond verklaard, maar heeft de ongeldigverklaring van het rijbewijs uit coulance herroepen. In dit besluit heeft het CBR aan [eiseres] meegedeeld dat het onderzoekstraject wordt hervat en dat de onderzoekskosten alsnog moeten worden betaald aan de specialist. Beoordeling van het beroep met zaaknummer ZWO 25/1292 Is terecht de verplichting opgelegd om mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek? 8. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het CBR haar ten onrechte de verplichting heeft opgelegd om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater. Daartoe voert zij aan dat zij niet kan deelnemen aan een EMA-cursus als gevolg van een lichamelijke aandoening en niet als gevolg van een geestelijke aandoening. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar informatie van haar huisarts. [eiseres] voert verder aan dat de psychiater ook geen vragen heeft gesteld over haar psychische gesteldheid. 9. De rechtbank is van oordeel dat het CBR aan [eiseres] terecht de verplichting heeft opgelegd om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater. Zij legt dit hierna uit. 9.1. Als een politieambtenaar vermoedt dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid of de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, meldt hij dit aan het CBR. Als het CBR zo’n melding ontvangt, moet het in bepaalde gevallen besluiten om een EMA-cursus of een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid op te leggen. Deze gevallen staan in de Regeling maatregelen rijvaardigheid 2011 (hierna: de Regeling). In de Regeling staan ook nadere regels over het opleggen van deze maatregelen. Dit volgt uit de artikelen 130, eerste lid, en 131, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994). 9.2. In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling is bepaald dat het CBR besluit tot oplegging van een EMA-cursus als bij betrokkene een ademalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l maar lager is dan 785 µg/l. De betrokkene komt echter niet in aanmerking voor een EMA-cursus als hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt. In dat geval besluit het CBR dat betrokkene moet meewerken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Dit volgt uit de artikelen 12, aanhef en onder e, en 23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling. 9.3. In dit geval bestond er, gelet op de uitslag van het ademonderzoek, aanleiding om aan [eiseres] een EMA-cursus op te leggen. Omdat [eiseres] als gevolg van een lichamelijke stoornis niet in staat is om deel te nemen aan een EMA-cursus, heeft het CBR haar in plaats daarvan de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Dit is in overeenstemming met de hiervoor genoemde bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling. 9.4. Als het CBR een onderzoek naar de geschiktheid oplegt, legt het aan de betrokkene de verplichting op om aan dat onderzoek mee te werken. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht. Dit volgt uit de artikel 133, eerste en tweede lid, van de Wvw. 9.5. De rechtbank is van oordeel dat het CBR in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het onderzoek naar de geschiktheid moet worden uitgevoerd door een psychiater. Zoals het CBR heeft aangegeven is de reden voor het onderzoek naar de geschiktheid niet dat [eiseres] een lichamelijke aandoening heeft. [eiseres] en het CBR zijn het erover eens dat deze aandoening er niet toe leidt dat [eiseres] niet geschikt is om motorvoertuigen te besturen. De reden voor het opleggen van het onderzoek naar de geschiktheid is dat [eiseres] op 19 oktober 2024 een auto heeft bestuurd onder invloed van alcohol. De rechtbank is van oordeel Beoordeling van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3343 Heeft [eiseres] (proces)belang bij de beoordeling van dit beroep? 10. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] (proces)belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit II, ondanks het feit dat de ongeldigverklaring van haar rijbewijs met dat besluit is herroepen. Daarbij is van belang dat de ongeldigverklaring weliswaar is herroepen, maar dat [eiseres] – als zij haar rijbewijs wil behouden – op basis van het bestreden besluit II nog steeds een onderzoek door een psychiater moet ondergaan en zij dan ook de kosten van dit onderzoek moet betalen. Daarom heeft [eiseres] – nog daargelaten of zij schade heeft geleden door het bestreden besluit II – belang bij een oordeel van de rechtbank over de vraag of het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat zij de onderzoekskosten al heeft betaald. Is aannemelijk dat [eiseres] de kosten van het onderzoek heeft betaald? 11. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij de kosten van het psychiatrisch onderzoek – conform de daarover gemaakte afspraak – tijdens het bezoek van 13 maart 2025 contant heeft betaald aan een medewerkster van de psychiater. Zij voert aan dat dit wordt bevestigd door haar gemachtigde, die bij de betaling aanwezig was. 12. De rechtbank is van oordeel dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de kosten van het onderzoek door de psychiater al heeft betaald. Zij zal dit hierna toelichten. 12.1. Degene aan wie een onderzoek naar de geschiktheid is opgelegd, is verplicht om mee te werken aan dat onderzoek. Als diegene niet meewerkt aan het onderzoek, moet het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaren. Het niet, niet op tijd of niet op de juiste manier betalen van de kosten van het onderzoek wordt aangemerkt als het niet meewerken aan het onderzoek. Dit volgt uit de artikelen 132, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, en 133, vierde en vijfde lid, van de Wvw en de artikelen 24, aanhef en onder a, en 25, eerste en tweede lid, van de Regeling. 12.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] de opleggingskosten van het onderzoek naar de geschiktheid heeft betaald, nu deze kosten zijn verrekend met de door [eiseres] betaalde kosten voor het opleggen van de EMA-cursus. Het geschil tussen partijen gaat over de vraag of [eiseres] ook de kosten voor het onderzoek van € 457,- heeft betaald. 12.3. Het betoog van [eiseres] houdt in dat zij – in het bijzijn van haar gemachtigde – een envelop met daarin een contant bedrag van € 457,- samen met een aantal in te scannen documenten heeft overhandigd aan de medewerkster van de psychiater en dat zij deze envelop daarna niet heeft teruggekregen. De medewerkster van de psychiater heeft bevestigd dat zij documenten van [eiseres] heeft gekregen om in te scannen en dat zij deze daarna weer aan haar heeft teruggegeven. Zij heeft echter met redenen omkleed aangegeven dat zij geen contante betaling van [eiseres] heeft ontvangen en de psychiater heeft dit bevestigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de psychiater en zijn medewerkster te twijfelen. Daarbij is van belang dat [eiseres] haar stelling dat zij contant heeft betaald niet (althans onvoldoende) met bewijsmiddelen heeft onderbouwd. Zij heeft bijvoorbeeld geen betalingsbewijs (kwitantie) overgelegd, terwijl het bij de betaling van een bedrag van € 457,- wel voor de hand had gelegen dat zij zo’n bewijs zou hebben ontvangen. De rechtbank acht de bevestiging van het verhaal van [eiseres] door haar gemachtigde onvoldoende. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de gemachtigde tijdens de hoorzitting in bezwaar desgevraagd heeft verklaard dat er tijdens het onderzoek geen blote bankbiljetten zichtbaar zijn geweest en dat er ook geen bedrag is genoemd. Uit een door [eiseres] overgelegde schermafdruk blijkt weliswaar dat [eiseres] heeft aangekondigd dat zij contant zou Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) artikel 130 1 Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. […] artikel 131 1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. […] 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid. artikel 132 1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich: […] b. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. […] 2 Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van: […] b. het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene komen. […] artikel 133 1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. 2 Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht. […] 4 De kosten verbonden aan het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan zo’n onderzoek is opgelegd. […] 5 De kosten verbonden aan de uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling bedoelde gevallen ten laste van betrokkene. […] Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 artikel 11 1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien: a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet; […] artikel 12 Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien: […] e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname o