Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-06
ECLI:NL:RBOVE:2026:640
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1147 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser] (gemachtigde: I.J. Oort) en de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. I.M. Touwen) Samenvatting Deze uitspraak gaat over de intrekking van de aan [eiser] verleende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en de aan hem verstrekte Europese vuurwapenpas. [eiser] is het niet eens met deze intrekking en vindt dat met een waarschuwing volstaan had moeten worden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de omgevingsvergunning mocht intrekken vanwege de schending van de opbergvoorschriften. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 1. Bij besluit van 27 augustus 2024 heeft de korpschef van de Nationale Politie (hierna: de korpschef) beslist dat de aan [eiser] verleende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en de aan hem verstrekte Europese vuurwapenpas worden ingetrokken. 1.1. Met het bestreden besluit van 17 januari 2025 op het administratief beroep van [eiser] is de minister bij dat besluit gebleven. 1.2. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Aanleiding 2. [eiser] beschikte over een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. Deze omgevingsvergunning was voor het laatst verleend op 19 maart 2024 en geldig tot en met 31 maart 2025. De omgevingsvergunning had betrekking op een dubbelloops hagelgeweer van het merk Browning, een enkelloops hagelgeweer van het merk Browning, een enkelloops kogelgeweer van het merk Brno en een enkelloops kogelgeweer van het merk Sauer. 2.1. Op 9 april 2024 heeft een controle in het kader van de wapenwetgeving bij [eiser] plaatsgevonden. In het mutatierapport van deze controle is het volgende vermeld: "Het derde wapen wat gecontroleerd werd was de Brno. Ik zag dat de verlofhouder deze uit de kluis haalde. Ik zag dat het magazijn eruit was. Ik zag dat het magazijn in de aparte munitie kluis was opgeborgen. Ik zag dat de grendel open stond. Ik zag dat er iets goudkleurigs in het openstaande 'gat' zat. Ik zag dat de verlofhouder snel zijn duim over het gat deed, zodat ik niet kon zien wat er in het wapen zat. Ik zag dat de verlofhouder het wapen op zijn kop hield en dat er een scherpe patroon uit kwam. Ik zag dat de verlofhouder zelf ook erg schrok. Ik gaf de verlofhouder aan dat ik dit ging verwerken en deze mutatie naar korpscheftaken wordt gestuurd. Ik hoorde de verlofhouder vragen om erin te zetten dat er bij dit wapen geen veermagazijn zit, maar een normaal magazijn.". 2.2. Het in het mutatierapport beschreven voorval heeft geleid tot de intrekking van de vergunning. Het juridisch kader 3. De korpschef trekt een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit in als de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Dit volgt uit de artikelen 5.39, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.104, eerste lid, sub c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: het Bkl). 3.1. Het criterium ‘het niet langer kunnen toevertrouwen van het voorhanden hebben van wapens en munitie’ is verder uitgewerkt in beleidsregels, vastgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: de Cwm 2019). Volgens de Cwm 2019 zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan Dat de minister niet heeft onderbouwd welke gevaren zijn ontstaan en dat het wapen niet in de handen van een onbevoegde is beland of het wapen zich niet op een openbare plaats heeft bevonden zoals beschreven in de jurisprudentie, is hierbij niet relevant. Het gaat erom dat een potentieel ernstig gevaar is ontstaan. Met het opbergen van een wapen, waarin zich een kogel bevindt, is daarvan sprake. 10. Dat de minister met een schriftelijke waarschuwing had moeten volstaan – zoals door [eiser] is gesteld –, volgt de rechtbank niet. Volgens onderdeel B, paragraaf 9.1 van de Cwm 2019 dient bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven. Zoals hiervoor echter is overwogen, vormt het niet gescheiden opbergen van een wapen en munitie een potentieel ernstig gevaar voor de veiligheid van de samenleving. Hierbij is geen sprake van een lichte onregelmatigheid waarvoor met een schriftelijke waarschuwing had moeten worden volstaan. 11. [eiser] heeft betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank begrijpt dat de persoonlijke gevolgen van de intrekking van de omgevingsvergunning voor de jachtgeweeractiviteit voor [eiser] groot zijn. Uit onderdeel B, paragraaf 1.2 van de Cwm 2019 volgt dat het weigeren en intrekken van een jachtakte uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie is maar een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Nu de minister, zoals volgt uit rechtsoverweging 9, tot de conclusie mocht komen dat het gedrag van [eiser] niet getuigt van verantwoord gedrag zoals van een vergunninghouder wordt verlangd, heeft hij op goede gronden aan het maatschappelijke belang van de veiligheid van de samenleving een groter gewicht mogen toekennen dan aan het belang van [eiser]. Daarnaast is van belang dat de intrekking van de omgevingsvergunning niet betekent dat [eiser] nooit meer een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit krijgt. Zoals ook op de zitting aan de orde is geweest, staat het [eiser] vrij een nieuwe aanvraag in te dienen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. 12. Voor zover [eiser] heeft gewezen op door de korpschef gemaakte procedurele fouten, die naar zijn mening gevolgen moeten hebben omdat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, oordeelt de rechtbank dat deze beroepsgrond niet slaagt. Voor zover al sprake is van procedurele fouten door de korpschef, zijn deze door de minister rechtgezet in het bestreden besluit en dat is het besluit wat bij de rechtbank ter toetsing voorligt. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en de Europese vuurwapenpas in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:2904. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 i