Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-01-27
ECLI:NL:RBOVE:2026:581
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,029 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBOVE:2026:581 text/xml public 2026-02-06T13:13:35 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-01-27 11891137 \ CV EXPL 25-2829 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Enschede Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:581 text/html public 2026-02-06T13:12:32 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:581 Rechtbank Overijssel , 27-01-2026 / 11891137 \ CV EXPL 25-2829 Tussen eiser als verhuurder en gedaagde als huurder is een huurovereenkomst tot stand gekomen voor een bedrijfsruimte. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 december 2024. Eiser vordert in deze procedure betaling van een huurachterstand tot 1 oktober 2025, een boete van drie maanden, een schadevergoeding, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Gedaagde wil dat de vorderingen worden afgewezen omdat de huurovereenkomst per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser af. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 11891137 \ CV EXPL 25-2829 Vonnis van 27 januari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Wiggers Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - het bericht van 2 januari 2026 met productie(s) van [gedaagde] 1.2. Op 12 januari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met [eiser] , bijgestaan door E.A.S. Wiggers en [gedaagde] , vergezeld door mevrouw [naam] . 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort Tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurder is een huurovereenkomst tot stand gekomen voor een bedrijfsruimte. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 december 2024. [eiser] vordert in deze procedure betaling van een huurachterstand tot 1 oktober 2025, een boete van drie maanden, een schadevergoeding, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [gedaagde] wil dat de vorderingen worden afgewezen omdat de huurovereenkomst per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. 3 De feiten 3.1. Op 30 juni 2022 heeft [eiser] als verhuurder een huurovereenkomst gesloten met [huurder] als huurder met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] te [woonplaats] voor de duur van vijf jaar, eindigend op 15 mei 2027. 3.2. Op 1 december 2024 zijn [eiser] en [huurder] met [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] per 1 december 2024 de huurovereenkomst en de daarbij behorende rechten en verplichtingen overneemt van [huurder] . Partijen hebben hiervoor een overeenkomt tot indeplaatsstelling gesloten. De maandelijkse huurprijs bedroeg laatstelijk € 1.034,30 inclusief btw en was bij vooruitbetaling verschuldigd. 3.3. Op 1 juni 2025 heeft [eiser] een Whatsapp bericht gestuurd aan [gedaagde] . Hierin staat, voor zover van belang, het navolgende: (..)Dag [gedaagde] , ik kan je (weer) niet bereiken. Je hebt de huur van juni niet voldaan. Weer te laat dus. Wat mij betreft mag je zsm vertrekken uit mijn pand. Gr [eiser] . (..) 3.4. [gedaagde] heeft de huur t/m juni 2025 betaald. 3.5. Eind juni 2025 is [gedaagde] uit het pand vertrokken. 3.6. Op 15 augustus 2025 heeft [eiser] de bedrijfsruimte verkocht. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 3.102,90 aan achterstallige huur; [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 900,00 ter zake een boete; [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 12.411,60 aan schadevergoeding [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 525,29 aan buitengerechtelijke kosten De huurovereenkomst tussen partijen ontbindt [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en nakosten 4.2. [eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen op grond van de huurovereenkomst door in gebreke te blijven met de volledige betaling van de huurpenningen. Er is volgens [eiser] tot en met september 2025 een huurachterstand van € 3.102,90 ontstaan. Op grond van artikel 23.2 van de algemene voorwaarden verbeurt [gedaagde] een boete van € 300,00 per maand voor elke maand dat de huur niet op de vervaldag is voldaan. Aangezien er een huurachterstand is van drie maanden is [gedaagde] [eiser] een contractuele boete verschuldigd van € 900,00. De huurachterstand vormt een zodanige ernstige tekortkoming in de nakoming dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. [eiser] vordert ontbinding van de huurovereenkomst en een schadevergoeding vanwege het niet uitdienen van de contractueel overeengekomen huurtermijn. 4.3. [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen en voert het volgende aan. De huurovereenkomst tussen partijen is met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 juli 2025. Daarnaast heeft [eiser] het pand op 15 augustus 2025 verkocht. [gedaagde] is daarom niets verschuldigd aan [eiser] . 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Schending waarheidsplicht 5.1. Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn om de feiten die van belang zijn voor de beslissing volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze bepaling dient het zwaarwegende maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, maar strekt ook ter bescherming van het processuele belang van de wederpartij. 5.2. In de dagvaarding van 16 september 2025 vordert [eiser] niet alleen betaling van huurachterstand t/m september 2025, maar ook een boete en een schadevergoeding vanwege het niet voortzetten van de huurovereenkomst tot 15 mei 2027. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat [eiser] op 15 augustus 2025 de bedrijfsruimte heeft verkocht en overgedragen aan een derde. Uit deze gang van zaken volgt dat [eiser] in de dagvaarding de kantonrechter op het punt van voor de beslissing relevant zijnde feiten in strijd met de waarheid heeft voorgelicht. [eiser] had in de dagvaarding moeten vermelden dat de bedrijfsruimte en daarmee de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] per 15 augustus 2025 door verkoop is geëindigd of is overgegaan op een andere partij. Dit geldt te meer omdat het informatie betreft die cruciaal is voor de te nemen beslissing. [eiser] vordert onder meer een forse schadevergoeding vanwege het niet voortzetten van de huurovereenkomst tot 15 mei 2027, terwijl hij ten tijde van de dagvaarding al wist dat het pand op 15 augustus 2025 is overgedragen aan een andere partij en [eiser] dus helemaal geen recht meer had op die gelden. Dit betekent dat een groot deel van de vorderingen van [eiser] alleen hierom al dienen te worden afgewezen. De kantonrechter stelt dan ook dat vast dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden. De kantonrechter kan op grond van artikel 21 Rv hier de gevolgrekkingen aan verbinden die zij geraden acht. De kantonrechter zal dat hieronder nader bespreken. Ontbinding 5.3. [eiser] heeft bij dagvaarding ontbinding van de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij desgevraagd gemeld dat de bedrijfsruimte op 15 augustus 2025 is verkocht en overgedragen aan een andere partij. Deze vordering wordt daarom bij gebrek aan belang afgewezen. De geldvorderingen 5.4. De overige vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op zijn stelling dat de huurovereenkomst tussen partijen na 1 juli 2025 is blijven doorlopen. [gedaagde] voert echter als verweer dat op die datum de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Hij heeft deze stelling onderbouwd door te wijzen op het Whatsapp bericht van [eiser] van 1 juni 2025 waarin hij schrijft dat [gedaagde] zo spoedig mogelijk mag vertrekken.