Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-03
ECLI:NL:RBOVE:2026:521
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.161039.22 (P) Datum vonnis: 3 februari 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres 1]. 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: al dan niet samen met anderen beroeps- of bedrijfsmatig in twee panden in Deventer hennep heeft geteeld of aanwezig heeft gehad; feit 2: een revolver en munitie voorhanden heeft gehad. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1 hij op of omstreeks 7 juli 2022 en/of 11 oktober 2022 te Deventer, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad; - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844 hennepplanten en/of delen daarvan en/of - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610 hennepplanten en/of delen daarvan en/of althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 11, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2 hij op of omstreeks 11 oktober 2022 te Deventer een wapen van categorie 111, onder 1. van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith en Wesson, kaliber 357 Magnum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en/of munitie van categorie 111 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. 3 De procesafspraken De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van deze procesafspraken. Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie aan de rechtbank is voorgelegd, luidt als volgt: verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren, onder de voorwaarde dat de rechtbank de procesafspraken honoreert; verdachte legt geen bekennende verklaring af. De verdediging bevestigt door ondertekening van de procesafspraken dat de feiten en kwalificaties, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken, niet worden ontkend en dat hiertegen geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd; verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling van één of meerdere strafbare feiten zoals omschreven in de tenlastelegging; de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudings- en/of schorsingsverzoeken zal indienen, tenzij thans onvoorziene omstandigheden dan wel een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien; verdachte is aanwezig op zitting zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken; verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken; verdachte heeft met de afspraken, na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen, vrijwillig afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan; het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting requireren tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken; het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de volgende straf vorderen: een werkstraf voor de duur van 200 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de Bij een doorzoeking van de woning van verdachte op 11 oktober 2022 worden een vuurwapen (een revolver) en kogelpatronen aangetroffen. 4.2 De standpunten van partijen De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de gemaakte procesafspraken op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De verdediging heeft, in overeenstemming met de gemaakte procesafspraken, geen (bewijs)verweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: feit 1 hij op 7 juli 2022 en 11 oktober 2022 te Deventer telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844 hennepplanten en - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610 hennepplanten en zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 2 hij op 11 oktober 2022 te Deventer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith en Wesson, kaliber 357 Magnum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. 5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1 het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2 het misdrijf : handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 6 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten. 7 De op te leggen straf 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft, conform het afdoeningsvoorstel, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen conform het afdoeningsvoorstel. 7.3 De gronden voor een straf Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten twee grote en professioneel opgezette hennepkwekerijen geëxploiteerd waarin (in totaal) 1.454 hennepplanten zijn aangetroffen. Ook is bij één hennepkwekerij resten van geoogste hennepplanten aangetroffen en was bij beide kwekerijen sprake van het illegaal afnemen v