Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-03
ECLI:NL:RBOVE:2026:516
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer : 08.085004.25 (P) Datum vonnis : 3 februari 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.Ü. Özsüren, advocaat in Harderwijk, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 februari 2024 in Hengelo als bestuurder van een personenauto: Primair: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht dan wel; Subsidiair: gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd dan wel; Meer subsidiair: een verkeersovertreding heeft begaan. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Enschedesestraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het nacht was in de zin van artikel 1 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1900 en/of terwijl de straatverlichting in werking was en/of terwijl een bestuurder van een fiets de Enschedesestraat aan het oversteken was, - heeft gereden met een gemiddelde snelheid van (ongeveer) 81,5 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of - in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, voornoemde fiets en/of de bestuurder van die fiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Enschedesestraat, terwijl het nacht was in de zin van artikel 1 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1900 en/of terwijl de straatverlichting in werking was en/of terwijl een bestuurder van een fiets de Enschedesestraat aan het oversteken was, - heeft gereden met een gemiddelde snelheid van (ongeveer) 81,5 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of - in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, voornoemde fiets en/of de bestuurder van die fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worde Ook heeft hij wekenlang in het ziekenhuis gelegen, waarvan de eerste vier weken op de IC-afdeling. Aansluitend is een revalidatietraject in [locatie] (voor intensieve neurorevalidatie) nodig geweest. Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW 1994, zoals primair ten laste is gelegd. Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 WVW 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WWW 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. Voor schuld is meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de bepaling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag? De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een auto in zijn algemeenheid een voortdurende plicht tot voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder vereist. In de onderhavige verkeerssituatie mocht van verdachte extra voorzichtigheid worden verwacht, omdat het ten tijde van het ongeval donker en regenachtig was. Verdachte heeft verklaard dat hij – in het zicht van de bebording einde van de bebouwde kom - aan het versnellen was, maar geen idee had hoe hard hij precies reed. Het enige wat hij weet is dat hij te hard reed. Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft, is van belang hoe hard hij heeft gereden. De politie heeft hier onderzoek naar gedaan. Allereerst heeft de politie aan de hand van videobeelden, afkomstig van een camera bevestigd aan een woning aan de [adres 2], een snelheid tussen de 69 en 97 km/u berekend. De rechtbank zal deze berekening die minder nauwkeurig is dan de snelheidsberekening op basis van geluid niet als bewijsmiddel gebruiken. De politie heeft vervolgens de snelheid berekend aan de hand van een geluidsopname, waarvan voormelde videobeelden waren voorzien. Daarbij is het tijdsverloop (4,5 seconden) tussen het geluid van het laatste videobeeld waarop de personenauto zichtbaar is vergeleken met het geluid van de aanrijding dat eveneens op de video opname hoorbaar is. Dit is afgezet tegen de afgelegde afstand. Hieruit blijkt dat verdachte op het moment van de aanrijding met een gemiddelde snelheid van 81,5 km/u reed. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het hier wel om een valide berekening gaat. In dit verband overweegt de rechtbank dat de berekening op zichzelf staat en dus niet, zoals de raadsman meent, voortborduurt op de onvoldoende betrouwbare berekening aan de hand van videobeelden. De rechtbank verwerpt op dit punt dus het verweer van de raadsman en gaat uit van een gemiddelde snelheid van 81,5 km/u. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee niet alleen in ernstige mate de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom overschreden, maar reed hij ook veel harder dan voor een veilige verkeerssituatie ter plaatse verantwoord en geboden was. Verdachte was, naar eigen zeggen, bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en wist dus dat hij een oversteekplaats naderde. Ook had hij een fietser (die later [slachtoffer] bleek te zijn) op het naastgelegen fietspad waargenomen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte er bij het naderen van de oversteekplaats rekening mee moeten houden dat de fietser zou kunnen oversteken en zijn rijgedrag daarop moeten aanpassen. Het f 5 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 6 De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestigdagen vervangende hechtenis, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toe te passen. In dit verband heeft hij aangevoerd dat verdachte een first offender is, direct na het ongeval hulp heeft verleend, zwaar wordt belast door wat er is gebeurd en nadien actief heeft geprobeerd om contact te onderhouden met het slachtoffer. De doelen van vergelding en preventie zijn daarmee bereikt, aldus de raadsman. Hij heeft subsidiair, dus in het geval de rechtbank tot strafoplegging overgaat, nadrukkelijk verzocht om geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen en hoogstens een zeer beperkte geldboete. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Verdachte heeft als bestuurder van een auto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft, binnen de bebouwde kom, met veel te hoge snelheid gereden, waardoor hij – toen [slachtoffer] op zijn fiets de weg overstak – niet op tijd kon remmen. Hij heeft [slachtoffer] aangereden en als gevolg daarvan heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Tijdens de zitting heeft [slachtoffer] verklaard dat het naar omstandigheden goed gaat, maar dat hij sinds het ongeval wel sneller moe is dan voorheen, niets meer ruikt en daar waar protheses zitten meer last heeft. Vanwege de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van artikel 9a Sr niet opportuun is. De rechtbank zal verdachte een straf opleggen. Zij heeft bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte ervan gelet op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hier geldt als uitgangspunt dat voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf van honderdtwintig uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden wordt opgelegd. In deze zaak zijn er naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die aanleiding geven om ten gunste van verdachte van de oriëntatiepunten af te wijken. Verdachte is zelf enorm geschrokken van het verkeersongeval en het ongeval heeft ook op verdachte een grote impact gehad. Verdachte heeft nadien last gehad van een paniekaanval in de auto en ongeveer anderhalf jaar lang nauwelijks gereden. Inmiddels rijdt verdachte wel weer, maar het oversteken van wegen roept nog steeds angstige gevoelens bij hem op. Hij is zelfs in behandeling geweest bij de GGZ. Verdachte heeft daarnaast uit eigen beweging contact opgenomen met het slachtoffer en geïnformeerd hoe het met hem ging. Zijn schuldbewustheid en zorgen over het slachtoffer ter zitting maakten op de rechtbank een oprechte indruk. De rechtbank acht ook van belang dat verdachte, blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 december 2025, niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding om verdachte, in afwijking van de oriëntatiepunten, een taakstraf van 90 uren op te leggen. Het daarnaast opleggen van een (onvoorwaardelijke of voorwaardeli 6 Nader onderzoek 6.1 Aangevraagde tweedelijns onderzoeken Door collega’s van het basisteam werden camerabeelden aangeleverd (…). De camera (…) heeft gedeeltelijk zicht op de rijbaan van de Enschedesestraat. (…) Voornoemde beelden zijn voor een snelheidsberekening overgedragen (…). 7 Interpretatie bevindingen Op basis van de aangetroffen sporen op het wegdek, eindpositie voertuigen (delen), technisch onderzoek en afgelegde verklaringen relateren wij dat: De bestuurder van de Ford, voorafgaande aan het ongeval, heeft gereden over de rijbaan van de Enschedesestraat, komende uit de richting van [plaats 1] en gaande in de richting van [plaats 2] . De bestuurder van de fiets, voorafgaande aan het ongeval, heeft gereden over het (brom)fietspad, gelegen parallel aan de rijbaan van de Enschedesestraat, gaande in dezelfde rijrichting als die van de Ford. Ter hoogte van de kruising Enschedesestraat met de Morshoekweg stak de bestuurder van de fiets de rijbaan over en verleende hierbij geen voorrang aan de, op de Enschedesestraat, rijdende bestuurder van de Ford. 3. Het proces-verbaal Snelheid & Impact Analyse van 31 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 97, 101, 106 en 117 : 2 Snelheidsbepaling 2.1 Onderzoeksvraag Onderzoeksvraag I : Wat was de gereden snelheid van de bestuurder van de personenauto en de fiets kort voor het ongeval op basis van het geluidsfragment van de videobeelden? (…) Het gebruikte videofragment was voorzien van een geluidsopname. Met de beeld- en geluidsopname kon de verstreken tijd tussen het passeren van de beveiligingscamera en het geluid van de aanrijding bepaald worden. Wanneer de afgelegde weg van de betrokken bestuurders wordt gedeeld door de verstreken tijd, kan daarmee de gemiddelde snelheid van deze bestuurders bepaald worden. (…) 2.2 Geluidsopname in videofragment (…) De gemiddelde snelheid tot aan het botspunt kan (…) bepaald worden met het geluidsfragment dat in de videobeelden zat verwerkt. De personenauto kwam immers eerst zichtbaar in het beeldfragment voorbijrijden en in het geluidsfragment was ongeveer 4,5 seconden later de bewuste aanrijding te horen. (…) Omdat met behulp van het geluidfragment de gemiddelde snelheid over een veel langer tijdsbestek bepaald kan worden (ongeveer 4,5 seconden) in combinatie met de hogere resolutie van de samplefrequentie, levert dit een nauwkeurigere gemiddelde snelheidsbepaling op dan de bepaling uit enkel het beeld (0,44 seconde). 2.3 Beantwoording onderzoeksvraag Uit een analyse van het beeld- en geluidsfragment behorende bij het videobestand (…) bleek mij dat de bestuurder van de personenauto de laatste 100 meter tot de aanrijding van de overstekende fietser, met een gemiddelde snelheid reed van 81,5 km/u. 4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven : U, voorzitter, vraagt of ik de weg goed kende. Ik woon in [plaats 1] en studeerde toen in [plaats 2] , dus ik reed vrij vaak met de auto naar [plaats 2] toe. (…) U, voorzitter, houdt voor dat de maximumsnelheid 50 km/u bedroeg. U vraagt aan mij of ik wist dat er een bord kwam dat aangeeft dat die snelheidszone van 50 km/u eindigt. Klopt, dat wist ik. U, voorzitter, houdt voor dat uit het dossier volgt dat ik mijn snelheid voor dat bord aan het ophogen was. Het ging naar 80 km/u, dus ik was inderdaad al begonnen met versnellen. U, voorzitter, vraagt of ik bekend was met de betreffende oversteekplaats. Ja. (…) U, voorzitter, houdt voor dat fietser [slachtoffer] er de weg overstak. (…) Ik had hem waargenomen op het fietspad. (…) U, voorzitter, vraagt of ik hem heb waargenomen bij het oversteken of daarvoor al. Ik heb hem waargenomen als rechtdoor fietsende fietser op het fietspad. (…) U, voorzitter, houdt mij voor dat de politie de snelheid heeft berekend. Ik weet dat ik aan het versnellen was. Ik heb geen beeld van hoe hard ik precies reed. Twee jaar later al helemaal niet. Het enig