Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-08-11
ECLI:NL:RBOVE:2026:5156
Verzoekster is op 19 april 2026 door verweerder op staande voet ontslagen. Verzoekster verzoekt in deze procedure onder andere om vernietiging van het ontslag op staande voet, wedertewerkstelling en doorbetaling van haar loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en gaat over tot vernietiging daarvan. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Verweerder moet verzoekster weer toegang geven tot haar werkzaamheden en haar (achterstallige) loon betalen. Daarnaast worden een aantal nevenverzoeken van verzoekster toegewezen en wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almelo Zaaknummer / rekestnummer: 12251088 \ EJ VERZ 26-98 Beschikking van 11 augustus 2026 in de zaak van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. B.A. Siesling, tegen [verweerder] B.V. , te [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. W.P. Ganzeboom. De zaak in het kort [verzoekster] is op 19 april 2026 door [verweerder] op staande voet ontslagen. [verzoekster] verzoekt in deze procedure onder andere om vernietiging van het ontslag op staande voet, wedertewerkstelling en doorbetaling van haar loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en gaat over tot vernietiging daarvan. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. [verweerder] moet [verzoekster] weer toegang geven tot haar werkzaamheden en haar (achterstallige) loon betalen. Daarnaast worden een aantal nevenverzoeken van [verzoekster] toegewezen en wordt [verweerder] veroordeeld in de proceskosten. De motivering van deze beslissing volgt hierna. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift - aanvullende stukken van [verzoekster] van 23 juli 2026 - de mondelinge behandeling van 27 juli 2026, - de pleitnota van [verzoekster] - de pleitnota van [verweerder] , - de akte van [verweerder] met aanvullende stukken van 3 augustus 2026. 2 De feiten 2.1 [verweerder] exploiteert horecagelegenheden bij golfbanen. 2.2 [verzoekster] , geboren [geboortedatum] 2000, is op 1 april 2024 in dienst getreden bij [verweerder] als medewerker bediening met een arbeidsduur van 24 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en loon van laatstelijk € 1.746,86 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiebijslag. [verzoekster] verrichtte haar werkzaamheden gewoonlijk bij het clubhuis van [locatie] in [plaats 1] . Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het [verweerder] - en aanverwante bedrijf van toepassing. 2.3 Op donderdag 2 april 2026 was [verzoekster] vrij. Zij had in de avond golfles bij [locatie] . Voor aanvang van de golfles is zij gaan zitten aan een tafel in het clubhuis. Zij heeft na enige tijd voor zichzelf een drankje uit de koelkast gepakt. Daarna voegde een vriendin van [verzoekster] zich bij haar. [verzoekster] heeft toen voor zichzelf en de vriendin een drankje gepakt en later heeft zij nog wat hapjes besteld. Daarna zijn ze zonder de rekening te betalen naar de golfles gegaan. Na de golfles hebben [verzoekster] en de vriendin nog twee drankjes besteld. Uiteindelijk zijn ze zonder de rekening te betalen vertrokken. 2.4 [assistent leidinggevende] , assistent leidinggevende van [verzoekster] , heeft die avond [verzoekster] een Whatsappbericht gestuurd dat zij de rekening in het greenfee systeem heeft gezet. Daarop is door [verzoekster] gereageerd dat dat goed is. 2.5 [verzoekster] heeft de rekening op dinsdag 7 april 2026 uit het kassasysteem verwijderd. 2.6 Op donderdag 9 april 2026 heeft [assistent leidinggevende] aan [verzoekster] een Whatsappbericht gestuurd met de vraag bij wie [verzoekster] de rekening heeft betaald, omdat zij de rekening niet terug kan vinden in het systeem. [verzoekster] heeft daarop gereageerd met het bericht: “ Heb ik zelf dinsdag geregeld! ”. [assistent leidinggevende] reageert daarop met de vraag of zij dat met pin heeft gedaan en hoe laat. Daarop is niet door [verzoekster] gereageerd. Wel hebben [verzoekster] en [assistent leidinggevende] diezelfde dag daarover bij het clubhuis met elkaar gesproken. [verzoekster] heeft later in de avond de rekening bij een collega betaald. 2.7 Op dinsdag 14 april 2026 heeft [mede-eigenaar] , mede-eigenaar van [verweerder] , [verzoekster] een Whatsappbericht gestuurd met de vraag om een afspraak te maken voor een gesprek. Daarop heeft [verzoekster] gereageerd met de vraag of dat nog voor zondag 19 april kan. [mede-eigenaar] reageert vervolgens dat dat wel kan, maar dat ze dan naar [plaats 2] moet komen. Daarop geeft [verzoekster] aan dat dat haar niet lukt op de voorgestelde momenten en ze niet weet waar het over gaat. [mede-eigenaar] laat weten dat hij het wil hebben over hoe het met [verzoekster] gaat, een functioneringsgesprek, wat er de laatste tijd allemaal heeft gespeeld en hoe nu verder. Uiteindelijk deelt [mede-eigenaar] mee dat hij geregeld heeft dat [verzoekster] zondag later kan beginnen met werken, zodat ze eerst naar [plaats 2] kan komen voor het gesprek. 2.8 Op zondag 19 april 2026 heeft het gesprek tussen [mede-eigenaar] en [verzoekster] plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft [mede-eigenaar] [verzoekster] op staande voet ontslagen. Diezelfde dag heeft [verweerder] aan [verzoekster] een ontslagbrief gestuurd. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende: “(…) Hierbij bevestigen wij dat u op 19 april 2026 door ons op staande voet bent ontslagen. Aan dit ontslag ligt een dringende reden ten grondslag, als bedoeld in artikel 7:677 en 7:678 van het Burgerlijk Wetboek Op donderdag 7 april 2026 heeft zich het volgende incident voorgedaan. U heeft tegenover ons verklaard dat u een rekening (van drankjes die u met uw vriendin op 2 april 2026 heeft genuttigd)had afgerekend. Uit nader onderzoek is echter gebleken dat u zonder toestemming deze rekening uit de kassa heeft verwijderd en het bijbehorende geldbedrag niet volgens de geldende procedures heeft verantwoord. U heeft tegen uw collega bevestigd dat u deze rekening had betaald, maar dit bleek dus niet waar te zijn. Dit handelen kwalificeren wij als diefstal dan wel verduistering. Dit gedrag vormt een ernstige schending van het vertrouwen dat wij als werkgever in u moeten kunnen stellen. Van ons kan in redelijkheid niet worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Zodra dit feit bij ons bekend werd en na intern onderzoek, zijn wij onverwijld overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet, welk ontslag op 19 april 2026 aan u is medegedeeld. (…)”| 2.9 Bij Whatsappbericht van 19 april 2026 heeft [verzoekster] aan [mede-eigenaar] laten weten dat zij het niet eens is met het ontslag op staande voet en zich beschikbaar houdt voor het verrichten van werkzaamheden. 2.10 Partijen hebben daarna via hun gemachtigden verder over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet gediscussieerd. 3 Het verzoek en het verweer 3.1 [verzoekster] verzoekt dat de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair I. het ontslag op staande voet van 19 april 2026 vernietigt; II. [verweerder] veroordeelt om [verzoekster] binnen 24 uur na betekening van de beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag als [verweerder] daarmee in gebreke blijft; III. [verweerder] veroordeelt tot betaling van het loon van € 1.746,86 bruto per maand vanaf 19 april 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, vermeerderd met 8% vakantiebijslag; IV. [verweerder] veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging van 50%; V. [verweerder] veroordeelt tot afgifte van correcte loonstroken vanaf 19 april 2026, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag als [verweerder] daarmee in gebreke blijft; subsidiair VI. [verweerder] veroordeelt tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.500,00 bruto; VII. [verweerder] veroordeelt tot betaling van de transitievergoeding van € 1.290,00 bruto; VIII. [verweerder] veroordeelt tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, gelijk aan het loon over de periode van 19 april 2026 tot 31 mei 2026, vermeerderd met 8% vakantiebijslag; primair en subsidiair IX. [verweerder] veroordeelt tot betaling van wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid; X. [verweerder] veroordeelt in de kosten van deze procedure; XI. [verweerder] veroordeelt tot afgifte van een correcte eindafrekening, voor zover de arbeidsovereenkomst eindigt of is geëindigd. 3.2 [verzoekster] legt – kort samengevat – aan haar verzoeken ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet aan de wettelijke vereisten voldoet en daarom vernietigd moet worden. Volgens haar is er geen dringende reden voor ontslag, omdat het verweten incident in de context moet worden gezien van de omstandigheden waarin het heeft plaatsgevonden. [verzoekster] was op 2 april 2026 niet als werknemer maar als cursist aanwezig bij de golfclub. Zij heeft drankjes voor haarzelf en haar vriendin gepakt, omdat ze lange tijd werden genegeerd door de dienstdoende werknemer. [verzoekster] zegt de rekening uit het kassasysteem te hebben gehaald om de aandacht van [assistent leidinggevende] te krijgen. Zij wilde met [assistent leidinggevende] in gesprek gaan over het voorval van 2 april 2026 en over spanningen/pesterijen die zij op de werkvloer ervaarde, maar [assistent leidinggevende] was daartoe niet bereid. Daarnaast is het ontslag op staande voet volgens [verzoekster] niet onverwijld gegeven, nu het voorval al op 2 april 2026 heeft plaatsgevonden en zij pas op 19 april 2026 is ontslagen. Dat terwijl [mede-eigenaar] al op 14 april 2026 heeft aangekondigd een gesprek met [verzoekster] te willen. Verder is volgens [verzoekster] haar geen reële gelegenheid voor wederhoor geboden en is door onduidelijkheden in de ontslagbrief niet aan de mededelingseis voldaan. 3.3 [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval enig verzoek van [verzoekster] wordt toegewezen, verzoekt [verweerder] de kantonrechter om te bepalen dat [verweerder] het te betalen bedrag mag verrekenen met een bedrag van € 8.754,48 aan min-uren die zij nog van [verzoekster] tegoed heeft. 4 De beoordeling Vooraf 4.1 [verzoekster] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te weten op 1 juni 2026. Juridisch kader 4.2 Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. 4.3 Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daar een dringende reden voor is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever onverwijld hebben opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Vernietiging ontslag op staande voet 4.4 Volgens de ontslagbrief (zie 2.8) heeft [verweerder] [verzoekster] op staande voet ontslagen omdat [verzoekster] op 7 april 2026 tegen een collega ( [assistent leidinggevende] ) zou hebben gezegd dat zij de openstaande rekening van 2 april 2026 had betaald, maar dat niet waar bleek te zijn en [verzoekster] de rekening uit de kassa had verwijderd. [verweerder] kwalificeert dit handelen van [verzoekster] als diefstal dan wel verduistering. De kantonrechter overweegt daarover het volgende. 4.5 Niet in geschil is dat [assistent leidinggevende] en [verzoekster] er op 9 april 2026 over hebben gesproken dat [verzoekster] de rekening niet had betaald en uit het systeem heeft verwijderd. Het was aan [assistent leidinggevende] als (assistent) leidinggevende om de directie van dat voorval op de hoogte te brengen, maar dat heeft zij niet direct gedaan. [mede-eigenaar] is daarvan naar eigen zeggen pas op dinsdag 14 april 2026 op de hoogte gebracht. Vervolgens heeft een gesprek met [verzoekster] pas op zondag 19 april 2026 plaatsgevonden. Dat het gesprek pas na vijf dagen heeft plaatsgevonden, komt volgens [verweerder] doordat [verzoekster] niet eerder kon. Maar uit de Whatsappcorrespondentie maakt de kantonrechter op dat het juist [verzoekster] was die heeft voorgesteld om het gesprek op kortere termijn te laten plaatsvinden. Dat het niet lukte om eerder een afspraak te maken, kwam doordat [mede-eigenaar] niet naar de locatie in [plaats 1] kon komen. Hij wilde daarom dat het gesprek in [plaats 2] plaatsvond, maar dat is niet de locatie waar [verzoekster] gewoonlijk werkt en dat was voor haar verder rijden. [verzoekster] heeft nog voorgesteld om het gesprek via Teams te laten plaatsvinden, maar dat wilde [mede-eigenaar] niet. Het gesprek heeft daarom pas op zondag 19 april 2026 plaatsgevonden. De dag voor het gesprek (zaterdag 18 april 2026) heeft [verzoekster] nog gewerkt bij het clubhuis. Kennelijk vond [verweerder] het voorval omtrent de niet betaalde en verwijderde rekening niet ernstig genoeg om haar tot het gesprek op non-actief te stellen. Uit deze omstandigheden maakt de kantonrechter op dat geen sprake was van subjectieve dringendheid van [verweerder] bij het ontslag op staande voet: door al met al van 9 april tot 19 april 2026 [verzoekster] niet aan te spreken op wat zij nu claimt ernstig genoeg te zijn voor ontslag op staande voet en [verzoekster] zelfs nog op 8 april te laten werken, heeft [verweerder] er blijk van gegeven dat ze de feiten zelf niet erg ernstig of dringend vond. Aan het vereiste van een dringende reden voor ontslag op staande voet is daardoor niet voldaan. 4.6 Daarnaast maakt de kantonrechter uit de in 4.5 genoemde omstandigheden op dat ook niet is voldaan aan het vereiste dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Niet gebleken is dat [mede-eigenaar] na 14 april 2026 nog meerdere dagen nodig had om onderzoek te doen naar de situatie omtrent de verwijderde rekening uit het systeem. Dat betekent dat [verweerder] dus een aantal dagen heeft stilgezeten voordat zij tot het ontslag op staande voet is overgegaan. 4.7 Of de verwijten die [verweerder] aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt voldoende zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. [verweerder] heeft daartoe geen voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. In elk geval is de lat voor een ontslag op staande voet niet gehaald. De kantonrechter wijst het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet daarom toe. De subsidiaire verzoeken van [verzoekster] blijven hierdoor onbesproken. Over de andere primaire verzoeken van [verzoekster] en het beroep van [verweerder] op verrekening oordeelt de kantonrechter het volgende. Wedertewerkstelling 4.8 De vernietiging van het ontslag op staande voet heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst ook na 19 april 2026 is blijven bestaan. De door [verzoekster] verzochte wedertewerkstelling wordt toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om zoals verzocht aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. Deze dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd, zoals vermeld in de beslissing. Betaling loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente 4.9 De kantonrechter veroordeelt [verweerder] tot betaling van het loon van [verzoekster] , vermeerderd met 8% vakantiebijslag vanaf 19 april 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt. 4.10 Op grond van het voorgaande heeft [verweerder] zonder geldige reden vanaf 19 april 2026 [verzoekster] geen loon meer betaald. Dat betekent dat [verzoekster] recht heeft op de wettelijke verhoging over het achterstallig loon zoals bepaald in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. 4.11 De verzochte wettelijke rente over het achterstallig loon wordt toegewezen op de wijze zoals verwoord onder de beslissing. Verrekening min-uren 4.12 De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het overzicht met het aantal gewerkte uren dat [verweerder] als productie 7 bij het verweerschrift heeft ingediend. Daaruit volgt dat [verzoekster] tijdens haar dienstverband een min-urensaldo van 483,50 heeft opgebouwd. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het [verweerder] - en aanverwante bedrijf van toepassing. Daarin staat dat de min-uren van een werknemer aan het einde van een referteperiode (het kalenderjaar ) komen te vervallen, tenzij de oorzaak van de min-uren in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. In dat geval dient de werknemer min-uren uiterlijk binnen drie maanden na afloop van de referteperiode in te halen, anders vervallen ze. Dat betekent in dit geval dat de min-uren van [verzoekster] over de jaren 2024 en 2025 zijn vervallen. Voor de min-uren van 2026 (in totaal 141,32 min-uren volgens productie 10 van [verweerder] ) geldt dat [verzoekster] in elk geval tot het einde van dit kalenderjaar de tijd heeft om deze in te halen en, voor zover de min-uren daadwerkelijk zijn veroorzaakt door de beperkte beschikbaarheid van [verzoekster] , nog tot drie maanden na afloop van dit kalenderjaar. Het beroep van [verweerder] op verrekening wordt daarom afgewezen. Loonstroken 4.13 [verzoekster] heeft ook verzocht om [verweerder] te veroordelen tot afgifte van correcte loonstroken vanaf 19 april 2026. De kantonrechter wijst dit verzoek toe. De daarbij verzochte dwangsom wordt afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat [verweerder] zich niet aan deze veroordeling zal houden. Eindafrekening 4.14 Nu de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, kan de verzochte afgifte van een correcte eindafrekening achterwege blijven. Proceskosten 4.15 De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1 vernietigt het op 19 april 2026 gegeven ontslag op staande voet, 5.2 veroordeelt [verweerder] om [verzoekster] binnen 24 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of deel daarvan dat [verweerder] niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.000,00, 5.3 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen haar loon van € 1.746,86 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantiebijslag vanaf 19 april 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt en bepaalt dat het te laat uitbetaalde loon moet worden verhoogd met de wettelijke verhoging als bepaald in artikel 7:625 BW (tot een maximum van 50%) en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, telkens berekend vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling, 5.4 veroordeelt [verweerder] tot afgifte van correcte loonstroken vanaf 19 april 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, 5.5 veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 5.6 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 5.7 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026. De kantonrechter begrijpt dat per abuis de verkeerde datum is vermeld en dat dit 9 april 2026 had moeten zijn. Zie artikel 2.12A lid 2 cao voor het [verweerder] - en aanverwante bedrijf (versie 1 januari 2025). Zie artikel 1.23 cao voor het [verweerder] - en aanverwante bedrijf (versie 1 januari 2025). Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.