Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-03
ECLI:NL:RBOVE:2026:513
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.191222.25 (P) Datum vonnis: 3 februari 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] (Syrië), wonende aan de [woonplaats] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Mulderij-Anker, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer 1] (nabestaande van [slachtoffer 2] ) voorgedragen slachtofferverklaring. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 6 januari 2025 in Zwolle als bestuurder van een bedrijfsauto schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor [slachtoffer 2] is overleden ( primair ) dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt ( subsidiair ) dan wel dat verdachte zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn auto tijdig tot stilstand kon brengen ( meer subsidiair ). Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Zwolle als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Lichtmis, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of terwijl het donker was, - in strijd met bord C12 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “gesloten voor alle motorvoertuigen, Ma t/m Vrij 07-09h en 16-18h. "Uitgezonderd motorvoertuigen die niet sneller kunnen en mogen dan 25 km/h en bestemmingsverkeer" de Lichtmis is ingereden en/of - heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 75 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 60 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of - in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde fietser, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is geraakt, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) werd gedood; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Zwolle als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Lichtmis, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of terwijl het donker was, - in strijd met bord C12 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “gesloten voor alle motorvoertuigen, Ma t/m Vrij 07-09h en 16-18h. "Uitgezonderd motorvoertuigen die niet sneller kunnen en mogen dan 25 km/h en bestemmingsverkeer" de Lichtmis is ingereden en/of - heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 75 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 60 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting [slachtoffer 2] fietst op dat moment over de Lichtmisweg vanuit de richting van Zwolle en fietst de auto van verdachte tegemoet. Uit camerabeelden blijkt dat [slachtoffer 2] goed verlicht is. De fiets van [slachtoffer 2] is voorzien van één of meerdere (voor)lampen en [slachtoffer 2] draagt reflecterende kleding en mogelijk nog een lamp op zijn kleding of helm. Hoewel [slachtoffer 2] niet zoveel mogelijk rechts op de rijbaan rijdt, bevindt hij zich – kort voor de botsing – wel op de juiste positie op de rijbaan in die zin dat er voldoende ruimte is voor tegemoetkomend verkeer. Verdachte bevindt zich daarentegen met zijn voertuig deels over de middenas van de rijbaan, waardoor er weinig ruimte is voor tegemoetkomend verkeer. Verdachte en [slachtoffer 2] naderen elkaar, maar verdachte ziet [slachtoffer 2] niet. Verdachte botst vervolgens – terwijl hij met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur rijdt – met de linker voorzijde van zijn auto frontaal tegen [slachtoffer 2] en zijn fiets aan. [slachtoffer 2] wordt door de klap teruggeworpen op het wegdek. [slachtoffer 2] loopt hierdoor dermate ernstig letsel op dat hij vrijwel direct ter plaatse overlijdt. Uit het schouwverslag volgt dat [slachtoffer 2] is overleden aan massaal traumatisch schedelhersenletsel. Uit onderzoek aan de mobiele telefoon van verdachte volgt dat er in de minuten voor en tijdens het ongeval, handelingen met de telefoon worden verricht. Zo wordt het telefoonscherm meermalen aangeraakt, wordt de applicatie Whatsapp geopend en wordt er vanaf 17:37:13 tot enkele seconden na het ongeval een telefonisch gesprek via Whatsapp gevoerd. Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat zijn neefje, die als bijrijder bij hem in de auto zat, zijn telefoon in handen had tijdens de autorit. Juridisch kader van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid van verdachte. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bewijsoverweging Verdachte reed met zijn auto over de Lichtmisweg, terwijl hij hier op dat moment niet mocht rijden. De geslotenverklaring was door middel van een verkeersbord aangegeven, zodat verdachte daarvan had kunnen en moeten weten. Temeer nu verdachte regelmatig over de Lichtmis reed en dus ter plaatse bekend was. Verder staat vast dat verdachte de maximumsnelheid met ongeveer 16 kilometer per uur overschreed en over de middenas van de (smalle) rijbaan reed, waardoor hij weinig ruimte liet voor tegemoetkomend verkeer. Bovendien was het donker en regende het. Deze omstandigheden hadden (in combinatie met het feit dat hij daar op dat moment niet mocht tijden) voor verdachte juist reden moeten zijn om extra voorzichtig te rijden. In plaats daarvan heeft verdachte zijn aandacht onvoldoende bij het verkeer gehad, waardoor hij [slachtoffer 2] , die hem als zeer goed verlichte fietser tegemoet kwam fietsen, niet heeft gezien. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen of verdachte tijdens het rijden bezig is geweest met zijn telefoon of dat, zoals verdachte heeft verklaard, zijn neefje zijn telefoon tijdens de rit in handen had. Dit staat echter niet in de weg aan het oordeel dat door het handelen van verdachte een frontale botsing tussen de auto van verdachte en [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer 2] ten val is gekomen en is overleden De aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich als bestuurder van een bedrijfsauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval op de Lichtmis in Zwolle. Door onvoldoende rechts te rijden op de betreffende (smalle) ventweg en zijn aandacht onvoldoende op het verkeer te houden, heeft verdachte de zeer goed verlichte fietser ( [slachtoffer 2] ) niet gezien en heeft verdachte een frontale botsing veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] is overleden. Verdachte reed ten tijde van het ongeval te hard en mocht bovendien – in verband met een geslotenverklaring – op dat moment niet met zijn auto over de Lichtmis rijden. Door het handelen van verdachte is het slachtoffer uit het leven weggerukt en is diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden. Ter zitting is namens de echtgenote van [slachtoffer 2] het verdriet over het (plotselinge) verlies en het gemis van haar echtgenote en de vader en opa van haar (klein)kinderen op indringende wijze onder woorden gebracht. De rechtbank realiseert zich dat het in deze zaak onmogelijk is om een straf op te leggen die recht doet aan het leed van de nabestaanden. Persoon van verdachte Naast de aard en de ernst van het feit, houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 november 2025, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Wel heeft verdachte, zo volgt uit het dossier, in de afgelopen jaren meerdere verkeersovertredingen begaan. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 11 december 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker. Uit het rapport volgt dat verdachte sinds ongeveer vijf jaar in Nederland verblijft, samen met een deel van zijn familie uit Syrië. Vanwege de taalbarrière en de culturele achtergrond van verdachte was het voor de reclassering lastig om een volledig beeld van verdachte te krijgen. De reclassering beschrijft dat verdachte het moeilijk vindt om over het ongeval en zijn emoties en problemen te praten. Wel is duidelijk geworden dat verdachte ten gevolge van het ongeval kampt met stress- angst- en schuldgevoelens. Ook is verdachte zijn baan als koerier kwijtgeraakt. Verdachte heeft echter geen behoefte (meer) aan hulpverlening en lijkt langzamerhand zijn leven weer op te pakken. Nu verdachte oprecht lijkt te zijn geschrokken van het ongeval en de gevolgen die het heeft gehad, wordt het risico op recidive door de reclassering als laag ingeschat. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou volgens de reclassering gevolgen kunnen hebben voor het psychosociaal functioneren van verdachte en voor het behoud van zijn huurwoning. Verdachte is bereid en in staat om een taakstraf te verrichten. Ter terechtzitting laat verdachte eenzelfde beeld zien als door de reclassering in haar advies van hem wordt geschetst. Hij heeft een grotendeels gesloten houding en vindt het moeilijk om over het ongeval en de gevolgen daarvan te praten. Hoewel de rechtbank dit kan begrijpen en zich realiseert dat de taalbarrière en de culturele achtergrond van verdachte hier mogelijk een rol in spelen, laat het bij de rechtbank de indruk achter dat verdachte ter zitting niet volledig openheid van zaken heeft gegeven en daarmee geen volle verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor de nabestaanden van het slachtoffer moeilijk is. De op te leggen straf of maatregel Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar de straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Volgens de oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor het veroorzaken van een v Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeer van 16 mei 2025, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] pagina’s 43 tot en met 45, 59 tot en met 66, 68, 69, 76 en 77, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisanten: 2.1 Wegsituatie Wij zagen dat : het verkeersongeval had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Lichtmisweg, ter hoogte van perceel 35; de Lichtmisweg bestond uit één rijbaan die niet verdeeld was in rijstroken; aan beide zijden van de Lichtmisweg was een grasberm gelegen; de Lichtmisweg was parallel gelegen aan de A28. 2.2 Verkeersmaatregelen Wij zagen het volgende: de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 60 km/u (zone) als gevolg van artikel 62 jo. verkeersbord Al van bijlage 1 van het RVV 1990. Ter plaatse waren de volgende verkeerstekens van toepassing: de Lichtmisweg was door middel van de borden C12 gesloten voor alle motorvoertuigen met de onderborden: [Afbeelding] [Afbeelding] 2.4 Lichtgesteldheid Op het moment van het verkeersongeval was het donker en was het nacht , als bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990. Wij zagen bij ons komst ter plaatse dat : - op de plaats van het verkeersongeval, langs de rijbaan van de Lichtmisweg geen straatverlichting aanwezig was. 2.5 Weersgesteldheid Wij zagen op later veiliggestelde videobeelden dat het op het moment van het verkeersongeval regende. Wij zagen dat het wegdek nat was. 5.2 Bepaling botspositie en botsplaats Met gebruikmaking van de schades en de sporen aan de betrokken voertuigen, stelden wij vast dat de Vokswagen met de linker voorzijde tegen de voorzijde van de fiets en de fietser was gebotst. 5.3 Interpretatie omgevingsfactoren Wij zagen dat het zicht op de verkeersborden niet gehinderd werd door vaste obstakels in de omgeving. 6.1 Onderzoek videobeelden Wegkant L 2025/01/06 17:40:17 uur: Wij zagen op de videobeelden een voertuig die wij aan de hoekige vorm, lichte kleur en zwarte strip op de zijkant , herkenden als zijnde de bij het verkeersongeval betrokken Volkswagen. Wij zagen dat de Volkswagen naderde vanuit de richting Rouveen. Wij zagen dat de koplampen aan de voorzijde licht uitstraalden. Wij zagen dat het wegdek nat was. Wij zagen dat er tussen de rechterzijkant van de Volkswagen en de rechterberm, gezien vanuit de rijrichting van de Volkswagen een deel van de rijbaan zichtbaar was. Wegkant R 2025/01/06 17:40:16 uur: Wij zagen op de videobeelden een persoon op een fiets die wij aan de reflecterende kleding en de vorm/plaats van de reflectiestrepen op deze kleding, herkenden als zijnde de bij het verkeersongeval betrokken fietser. Wij zagen dat de fietser naderde vanuit de richting Zwolle. Wij zagen dat de fiets was voorzien van een lamp aan de voorzijde die licht uitstraalde en mogelijk nog een lamp op de fiets of op de kleding/helm van de fietser. Wij zagen dat de kleding van de fietser reflecteerde. Wij zagen dat de fietser, gezien zijn rijrichting, aan de rechterzijde van de rijbaan fietste. Voorgevel L 2025/01/06 17:40:17 uur: Wij zagen op de videobeelden dat kort voor het moment van de botsing, de fietser met de reflecterende kleding duidelijk zichtbaar was in de lichtbundel van de Volkswagen. Wij zagen vervolgens op de videobeelden dat de Volkswagen met de linker voorzijde tegen de voorzijde (frontaal) tegen de fiets en de fietser botste. 6.3 Wegbreedte/plaats op de weg Wij zagen dat de rijbaan van de Lichtmisweg een gemeten breedte had van 3,6 meter en met inbegrip van de goten, zogenaamde "rammelstroken", 4,4 meter. Aan de hand van een frame van de videobeelden hebben wij de positie van de Volkswagen, kort voor het moment van de botsing, gereconstrueerd om zo een indicatie te geven van de positie op de rijbaan. Gezien de positie op de rijbaan, de breedte van de rijbaan, de schade inpassing en de breedte van de betrokken voertuigen, stelden wij vast dat : de bestuurder van de Volkswagen, kort voor het moment van de botsing, niet zoveel mogelijk rechts hield en z