Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-08-18
ECLI:NL:RBOVE:2026:5078
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, het betalen van een schadevergoeding en stelt dat hij zich meldt bij de Reclassering. De verdachte is schuldig bevonden aan opzetverkrachting. RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08-065605-25 (P) Datum vonnis: 18 augustus 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats], wonende aan de [woonplaats]. 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 augustus 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.W.E. Hoezen, advocaat in Winterswijk, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar door mr. M.J. Ellenbroek, advocaat in Deventer, is aangevoerd. En verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door dr. J. Warnaar, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), als deskundige ter terechtzitting is verklaard. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op de voet van artikel 313 Sv op 4 augustus 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] al dan niet opzettelijk heeft verkracht ( primair ) dan wel dat hij [slachtoffer] al dan niet opzettelijk heeft aangerand ( subsidiair) . Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 28 februari 2025 te [plaats], gemeente [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vinger in de anus en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 28 februari 2025 te [plaats], gemeente [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het brengen van zijn vinger(s) tegen haar perineum, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak. 3 De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard, op basis van de aangifte, de verklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) en het aantreffen van een DNA-spoor van verdachte op het perineum van [slachtoffer]. De officier van justitie heeft erop gewezen dat bij de DNA-bemonsteringen #1, #2 en #9 aanwijzingen zijn voor aanwezigheid van mannelijk DNA. Er kan niet worden vastgesteld of dit DNA van verdachte afkomstig is – omdat de sporen onvoldoende informatief zijn – maar dit kan ook niet worden uitgesloten. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde, omdat het dossier geen steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring onvoldoende betrouwbaar is. Subsidiair is aangevoerd dat het onder primair ten laste gelegde seksueel binnendringen niet bewezen kan worden verklaard. De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank bij een bewezenverklaring betekenis toekent aan de resultaten van het onderzoek aan de bemonsteringen #1, #2 en 9, een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [slachtoffer] als getuige. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 De verklaring van verdachte Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet kan voorstellen dat hij het ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij weet nog dat hij in de avond van 28 februari 2025 met zijn vrouw en met [slachtoffer] op de bank lag. Hij was erg dronken en kan zich niets herinneren vanaf het moment dat zij samen een film lagen te kijken. Verdachte kan zich alleen nog herinneren dat zijn vrouw hem op enig moment schreeuwend wakker heeft gemaakt, toen [slachtoffer] in paniek op de bovenverdieping was. 3.3.2 De verklaring van [slachtoffer] en de betrouwbaarheid daarvan [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij op 28 februari 2025 bij haar opa (verdachte) en oma ([getuige 2]) in [plaats] logeerde. Zij hadden samen een film gekeken op de bank, waarna [getuige 2] naar boven was gegaan. [slachtoffer] was in slaap gevallen op de bank en werd wakker, omdat zij voelde dat verdachte met zijn vinger in haar anus en tussen haar schaamlippen zat. Verdachte bewoog met één vinger in en uit de anus van [slachtoffer]. [slachtoffer] rende naar boven en belde ondertussen huilend haar vader. Terwijl er op de bovenverdieping tumult ontstond tussen verdachte en [getuige 2], is [slachtoffer] het huis uitgerend en naar haar andere opa en oma, van vaderszijde, gegaan. De verdediging heeft over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] het volgende aangevoerd. De verklaring is niet betrouwbaar, omdat de door [slachtoffer] geschetste tijdlijn van de avond niet overeenkomt met wat getuige [getuige 2] daarover heeft verklaard en omdat dit op belangrijke punten niet is gecontroleerd. [slachtoffer] had bovendien mogelijk voorafgaand aan het logeren bij haar grootouders al van haar moeder gehoord dat verdachte hetzelfde bij haar had gedaan zodat dit mogelijk van invloed is geweest op de beleving van [slachtoffer] die avond. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarbij het volgende. De verklaringen van [slachtoffer] komen authentiek over. De verklaringen die [slachtoffer] bij de politie heeft afgelegd zijn als geheel specifiek en gedetailleerd over zowel de seksuele handelingen als de omstandigheden waaronder dit gebeurde. Zo heeft [slachtoffer] verklaard dat zij met haar hoofd bij haar opa (verdachte) lag, dat zij wakker werd en voelde dat verdachte met zijn vinger in zijn anus zat, dat zij vroeg “wat doe je” en dat verdachte reageerde dat zij verder moest slapen. De verklaringen komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen. De rechtbank acht de verklaring geloofwaardig, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Anders dan de verdediging stelt, doet daaraan niet af dat het door [slachtoffer] beschreven tijdspad niet overeenkomt met dat van [getuige 2]. De rechtbank ziet geen relevantie tussen de tijdlijn en de ten laste gelegde handelingen en acht dit voor de beantwoording van de bewijsvraag niet van belang. De opmerkingen van de raadsvrouw over beïnvloeding door voorkennis (over dat verdachte ook bij de moeder van [slachtoffer] ontoelaatbare seksuele handelingen heeft verricht), zijn van ongefundeerde suggestieve aard en tasten op geen enkele wijze de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] aan. 3.3.3 Steunbewijs De verklaring van [slachtoffer] vormt het uitgangspunt van de bewijsvoering. Het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan kan echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, in dit geval [slachtoffer]. De rechtbank moet daarom de beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op het volgende. - De NFI-rapporten Er zijn meerdere bemonsteringen van het lichaam van [slachtoffer] genomen. Uit de bemonstering [code 1] (perineum droog) is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van een relatief kleine hoeveel mannelijk DNA. Deze bemonstering is vervolgens onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Bij dat onderzoek is uit de bemonstering [code 1] (perineum droog) een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Het is zeer veel waarschijnlijker dat het mannelijk DNA in deze bemonstering afkomstig is van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man dan dat het afkomstig is van een ander willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man. Nu er geen aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid van een man in de mannelijke lijn van verdachte, stelt de rechtbank vast dat verdachte de donor is van aangetroffen mannelijk celmateriaal op het perineum van [slachtoffer]. - De waargenomen emoties De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] direct na wat er volgens haar door verdachte was gedaan, hevig geëmotioneerd was en diverse keren heeft gezegd dat verdachte (als seksueel te kwalificeren handelingen) bij haar had verricht. [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] hebben allen bij de politie verklaard over de emoties die zij bij [slachtoffer] hebben waargenomen direct, of heel kort, na het delict. [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] schreeuwend en huilend naar boven kwam gerend. [slachtoffer] had haar telefoon op dat moment in haar hand en zei “hij heeft met zijn vinger in mijn kont gezeten”. Toen verdachte toenadering zocht tot [slachtoffer], verstopte [slachtoffer] zich achter een gordijn. [getuige 1], de moeder van [slachtoffer], heeft verklaard dat [slachtoffer] hard aan het huilen was aan de telefoon en dat zij erg in paniek was. [slachtoffer] had gezegd dat opa aan haar had gezeten. Aan de telefoon hoorde [getuige 1] dat [slachtoffer] samen met [getuige 2] en verdachte in een kamer stond en dat [slachtoffer] telkens zei “haal hem hier weg” en “oma help”. [getuige 3], de opa vaderszijde van [slachtoffer], heeft verklaard [slachtoffer], toen zij bij hem en zijn vrouw, de andere oma, binnenkwam gerend “helemaal geflipt” was. Zij stond te trillen en was alleen maar aan het huilen. 3.3.4 Ontbrekende wil en wetenschap Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij - al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Minst genomen zal van voorwaardelijk opzet sprake zijn bij het eenvoudigweg negeren of voor lief nemen van duidelijk waarneembare verbale of fysieke signalen van de ander die blijk geven van een negatieve, een non-responsieve of passieve opstelling van die ander, bij het negeren van duidelijke signalen van wilsonvrijheid bij de ander als gevolg van geestelijk of lichamelijk onvermogen dan wel als gevolg van een door een functioneel of hiërarchisch verband bepaalde ongelijkwaardige relatie, bij onverhoeds gedrag of bij het gebruik van dwang, geweld of bedreiging. De rechtbank stelt vast [slachtoffer] op het moment van het seksueel binnendringen sliep. Zij verkeerde daarmee in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht, waardoor zowel in verbale als in fysieke zin geen vrije positieve wilsuiting mogelijk was. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer] onverhoeds op seksuele wijze betast. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wil tot seksuele handelingen bij [slachtoffer] ontbrak, nog daargelaten het feit dat reeds uit de familieband (opa-kleindochter) het ontbreken van de wil van [slachtoffer] verondersteld kan worden. Door toch over te gaan tot de seksuele handelingen heeft verdachte de signalen van wilsonvrijheid van [slachtoffer] en de ontbrekende wil van [slachtoffer] genegeerd en voor lief genomen. Hij was op dat moment weliswaar in (zeer) beschonken staat, maar hij heeft zichzelf in die toestand gebracht, zodat dit naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk doet aan het feit dat er bij verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet. 3.3.5 Eindconclusie vaststelling feiten en omstandigheden en bewezenverklaring Op basis van wat hiervoor is vastgesteld en overwogen komt de rechtbank tot de vaststelling dat verdachte op 28 februari 2025 in [plaats] seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht door zijn vinger in haar anus en tussen haar schaamlippen te brengen. De rechtbank is van oordeel dat de primair ten laste gelegde opzetverkrachting wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. 3.3.6 Het voorwaardelijke getuigenverzoek De rechtbank heeft bij de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit geen gebruik gemaakt van de resultaten van het onderzoek aan de door de raadsvrouw genoemde bemonsteringen. Derhalve is de voorwaarde waaronder het getuigenverzoek is gedaan, niet vervuld. Het verzoek behoeft dan ook geen verdere bespreking. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 28 februari 2025 te [plaats], gemeente [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn, verdachtes, vinger in de anus en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: primair het misdrijf: opzetverkrachting. 5 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 6 De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ook heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod op te leggen. Daarbij dient de vervangende hechtenis van twee weken te worden bevolen voor iedere keer dat niet aan die maatregel wordt voldaan, waarbij de maximale hechtenis zes maanden bedraagt. De officier van justitie heeft gevorderd te bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de duur van de maatregel. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om – in het geval van een bewezenverklaring – geen (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag, verdachte heeft een woning en werk en hij is bereid om mee te werken aan de geïndiceerde behandeling. De raadsvrouw heeft zich verzet tegen het opleggen van een artikel 38v Sr maatregel, omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de oplegging daarvan. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en het ernst van de gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Aard en de ernst van het gepleegde feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van zijn kleindochter. Dit heeft hij gedaan nadat [slachtoffer] bij hem thuis op de bank in slaap was gevallen. Juist bij haar opa met wie [slachtoffer] volgens verdachte een heel goede band had, waande [slachtoffer] zich daarvoor kennelijk veilig genoeg. Verdachte heeft door zijn handelen dit gevoel van veiligheid en vertrouwen bij [slachtoffer] op grove wijze beschaamd. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Het is een feit van algemene bekendheid, dat slachtoffers van zedendelicten langdurig de nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dergelijke gevolgen staan nog meer op de voorgrond als -zoals in deze zaak- het misbruik heeft plaatsgevonden door iemand uit hun directe omgeving in wie zij juist hun vertrouwen moeten kunnen stellen. Dat het seksueel misbruik nog steeds vergaande en ingrijpende gevolgen heeft voor [slachtoffer], leidt de rechtbank af uit de vordering en toelichting daarop en uit haar slachtofferverklaring ter zitting. [slachtoffer] en haar familie worden nog dagelijks worden geconfronteerd met de negatieve gevolgen van het seksuele misbruik door verdachte. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte (het strafblad) van 12 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De reclassering heeft op 6 februari 2026 een rapport over verdachte opgemaakt. Het rapport houdt onder meer het volgende in. Verdachte kan zich niet precies herinneren wat er die avond is gebeurd, omdat hij een black out had na het drinken van alcohol. De reclassering ziet alcohol dan ook, ondanks de ontkennende houding van verdachte, als risicofactor. Daarnaast bestaat er vermoedelijk onderliggende psychische of zedengerelateerde problematiek die als risicofactor genoemd wordt. Er is sprake van een belaste jeugdgeschiedenis, waarbij verdachte op relatief jonge leeftijd geconfronteerd is met huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Bovendien heeft verdachte bij zijn destijds dertienjarige dochter, de moeder van [slachtoffer], ontuchtige handelingen verricht, waarvan overigens destijds geen aangifte is gedaan. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante begeleiding en een contact- en locatieverbod. Gevangenisstraf Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank heeft bij de straftoemeting ook rekening gehouden met de aard van de relatie waarbinnen het misbruik plaatsvond (grootvader-kleinkind) en het feit dat dit misbruik heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte, terwijl dit een veilige omgeving voor [slachtoffer] had moeten zijn. Daarnaast heeft verdachte tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor wat er is gebeurd, behalve dan dat hij als excuus zijn destijds excessieve alcoholgebruik aanvoert voor zijn beweerdelijke gebrek aan herinnering. Dit alles maakt dat de rechtbank een hogere straf aan verdachte zal opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht het van belang dat verdachte na zijn gevangenisstraf behandeling krijgt die gericht is op gedragsverandering. Ter terechtzitting is stilgestaan bij het (problematische) alcoholgebruik van verdachte. Verdachte stelt ten tijde van het ten laste gelegde feit zo onder invloed te zijn geweest, dat hij zich vrijwel niets meer van die avond kan herinneren. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na zijn maagverkleining wel vaker een black out heeft gehad na het drinken van alcohol en dat dit op de bewust avond ook het geval is geweest. Hij heeft na het voorval met [slachtoffer] een behandeling doorlopen bij Tactus Verslavingszorg. Desondanks is het hem tot op heden niet gelukt om helemaal te stoppen met alcoholgebruik. Hij ziet de noodzaak daarvan ook niet. De rechtbank vindt dit zorgelijk en acht mede daarom een (flinke) stok achter de deur noodzakelijk. De rechtbank zal daarom ook een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde meldplicht en ambulante behandeling. De rechtbank zal niet in de bijzondere voorwaarden opnemen dat verdachte medicijnen dient in te nemen als de zorgverlener dat nodig vindt, omdat uit het reclasseringsrapport geen (therapeutische) noodzaak tot het innemen van medicatie naar voren komt. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. Maatregel ex artikel 38v/Contact- en locatieverbod De rechtbank zal geen contact- en locatieverbod in de vorm van bijzondere voorwaarden of een artikel 38v-maatregel aan verdachte opleggen. De rechtbank ziet hiertoe onvoldoende aanleiding. Na het stopgesprek op 10 juli 2026 heeft verdachte niet nogmaals contact opgenomen met [slachtoffer] of haar familieleden. De rechtbank heeft ter terechtzitting de indruk gekregen dat verdachte doordrongen is van het feit dat [slachtoffer] en haar familie geen contact wensen te hebben met hem en dat verdachte die wens respecteert. 7 De schade van benadeelde 7.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 67.593,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - medische kosten € 623,87 - toekomstige medische kosten € 625,-- - 1 e jaar studievertraging € 27.525,-- - 2 e jaar studievertraging € 27.525,-- - 1 e jaar extra collegegeld € 2.601,-- - 2 e jaar extra collegegeld € 2.694,-- Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.000,-- gevorderd. De raadsvrouw van [slachtoffer] heeft ter terechtzitting toegelicht dat er sprake is van in ieder geval één jaar studievertraging en extra collegegeld, maar dat het nog onzeker is of er sprake zal zijn van een tweede jaar studievertraging en extra collegegeld. Ook heeft zij naar voren gebracht dat er abusievelijk een bedrag van € 46,-- is gevorderd onder de schadepost “medische kosten” voor kosten die geen rechtstreeks verband houden met het strafbare feit. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich, zakelijk weergegeven, op het volgende standpunt gesteld. [slachtoffer] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de schadeposten “toekomstige medische kosten”, “2e jaar studievertraging” en “2e jaar extra collegegeld”. De vordering is voor het overige, minus het abusievelijk te veel gevorderde bedrag van € 46,-- onder de schadepost “medische kosten”, voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich, zakelijk weergegeven, op het volgende standpunt gesteld. Primair dient [slachtoffer] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de schadepost “medische kosten” afgewezen te worden, dan wel dient [slachtoffer] niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit deel van de vordering, omdat zonder nadere toelichting niet kan worden vastgesteld welke kosten zijn gemaakt als direct gevolg van het ten laste gelegde. [slachtoffer] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering van kosten ter vergoeding van “toekomstige medische kosten”, omdat deze schadepost onvoldoende concreet is onderbouwd, de omvang van de schade daarmee onvoldoende vaststaat en binnen het strafgeding niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Er staat onvoldoende vast dat er sprake is van één jaar studievertraging, laat staan van twee jaren. Om dat vast te kunnen stellen is nader onderzoek noodzakelijk, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ditzelfde geldt voor de schadepost “extra collegegeld”, zodat [slachtoffer] ten aanzien van de twee laatstgenoemde posten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Er wordt niet betwist dat er sprake is van een grondslag voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Materieel - Medische kosten Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde, minus het abusievelijk gevorderde bedrag van € 46,--, daarom toewijzen te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 23 februari 2026, de datum van de laatste factuur zoals gevorderd. - Toekomstige medische kosten Toekomstige schade kan op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) “na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden”. Dat kan echter alleen als voldoende concreet onderbouwd wordt dat deze schade ook daadwerkelijk zal worden geleden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [slachtoffer] al medische kosten heeft gemaakt, dat zij nog in behandeling is voor traumagerelateerde klachten en dat deze behandeling is uitgesteld tot na de inhoudelijke behandeling na onderhavige zaak. Dat de totale (nog te verwachte) kosten € 625,- zullen bedragen, acht de rechtbank in dit geval dan ook voldoende onderbouwd. Het verweer van de verdediging dat een deel van de kosten nog niet is gemaakt, slaagt niet. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 18 augustus 2026. - 1e jaar studievertraging en 1e jaar extra collegegeld Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. Ter onderbouwing van de vordering zijn aantekeningen van de gesprekken tussen [slachtoffer] en haar mentor overgelegd waaruit blijkt dat op 19 februari 2025 een positief pre-advies is afgegeven voor het studiejaar 2024/2025. Daarnaast is een brief van de huidige mentor van [slachtoffer] overgelegd, waarin hij schrijft dat – wat hem betreft – de geleden studievertraging het directe gevolg is van alles wat er heeft gespeeld (en nog steeds speelt). De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat [slachtoffer] één jaar studievertraging heeft opgelopen en extra collegegeld heeft moeten betalen. Voor de begroting van de schadepost “1e jaar studievertraging” heeft de benadeelde partij verwezen naar de Letselschade Richtlijn Studievertraging, opgesteld door de Letselschade Raad. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze richtlijn af te wijken en zal dit deel van de vordering toewijzen voor een bedrag van € 27.525,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2025. Ook het gevorderde bedrag ter vergoeding van één jaar extra collegegeld, een bedrag van € 2.601,--, zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 (aanvang betreffende studiejaar). - 2e jaar studievertraging en 2e jaar extra collegegeld Nu op het moment van beoordeling en beslissing onzeker is of deze schade daadwerkelijk wordt geleden, zal de rechtbank [slachtoffer] in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Immaterieel Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt, te weten een brief van een klinisch psycholoog alsmede een verklaring omtrent haar medicatiegebruik, waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel dat bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2025. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 37.328,87, bestaande uit € 31.328,87 aan materiële schadevergoeding en € 6.000,-- aan immateriële schadevergoeding. 7.5 De schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 182 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. 8 De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: primair, het misdrijf: opzetverkrachting; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden ; - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: - stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen: - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: - zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich bij Tactus Reclassering Enschede op het adres Raiffeisenstraat 75, 7514 AM in Enschede. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak; - zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact en/of Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of psychische problematiek; - draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; schadevergoeding - wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 46,-- (bestaande uit materiële schade); - wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 37.328,87 (bestaande uit € 31.328,87 materiële schade en € 6.000,-- immateriële schade); - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 37.328,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf: - 23 februari 2026 voor een bedrag van € 577,87 - 18 augustus 2026 voor een bedrag van € 625,-- - 31 augustus 2025 voor een bedrag van € 27.525,-- - 1 september 2025 voor een bedrag van € 2.601,-- - 28 februari 2025 voor een bedrag van € 6.000,--; - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering; - legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het primair bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 37.328,87, (zegge: zevenendertigduizend driehonderdachtentwintig euro en zevenentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf: - 23 februari 2026 voor een bedrag van € 577,87 - 18 augustus 2026 voor een bedrag van € 625,-- - 31 augustus 2025 voor een bedrag van € 27.525,-- - 1 september 2025 voor een bedrag van € 2.601,-- - 28 februari 2025 voor een bedrag van € 6.000,-- ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 182 (honderdtweeëntachtig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet; - bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen; - bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige, niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. de Bie, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026. Buiten staat Mr. Ellenbroek is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ONRBC25211/GORBADOC. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. 1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 1 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 21-23: Plaats delict: [adres] [plaats], binnen de gemeente [plaats] V: Wanneer is het precies gebeurd? A: Gisterenavond, 28 februari (de rechtbank begrijpt: 2025). V: Vertel eens alles over wat er gisteren is gebeurd? A: Ik was een serie aan het kijken. Ik werd wakker omdat ik hem voelde. Ik zei toen: Opa wat doe je? Hij zei toen: Ga maar gewoon verder slapen. Ik ben toen naar boven gegaan en moest heel erg huilen. Ik heb toen gelijk papa gebeld toen ik naar boven liep. Ik was heel boos en bang en ik was in paniek. En ik was heel verdrietig. V: Hoe verloopt dan die avond verder? Kan je je dat nog herinneren? A: We keken de film gewoon beneden op de bank samen. [getuige 2] (de rechtbank begrijpt: [getuige 2] ) zat in de hoekbank in het hoekje op het lange stuk. Ik lag op het tussenstuk met mijn voeten aan [getuige 2]'s kant. Mijn hoofd lag op een kussen aan de kant van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). [getuige 2] is naar bed gegaan. Ik lag op de bank op mijn buik, een beetje zo op mijn zij. [verdachte] zat gewoon op de bank en ik lag bij mijn hoofd hij hem. Ik werd wakker omdat ik voelde dat [verdachte] achter in mijn broek zat. Ik voelde zijn vingers in mij, achter en ook voor. V: Waarachter? A: In mijn anus. Hij zat aan de voorkant niet helemaal erin maar zat wel tussen mijn schaamlippen. Hij zat met zijn vingers tussen de anus en de vagina, dus waar je zeg maar ook penetreert. V: Hoe wist je dat hij met zijn vingers in jouw anus zat? A: Omdat hij bewoog, gewoon erin en eruit. 2. Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon van 13 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 27-28: Betrokkene Slachtoffer Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Bevindingen In overleg met de forensische arts en mij werden door mij de volgende bemonsteringen klaargemaakt waarna de forensische arts de volgende bemonsteringen had genomen: Benaming: 13. perineum, droge bemonstering. De bemonsteringen werden na het afnemen veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van [code 2]. 3. Het proces-verbaal waarneming en afname celmateriaal van 3 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 106: In aanwezigheid van mij, [verbalisant 1] ([code 3]), werd op maandag 3 maart 2025 om 18:22 uur, door mij, [verbalisant 2] ([code 4]), (niet betrokken bij het onderhavige opsporingsonderzoek) op verzoek van de officier van justitie, I.L Blonk, van de verdachte Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] wangslijmvlies afgenomen. Het afgenomen celmateriaal is door [verbalisant 2] ([code 4]) in beslag genomen. Het celmateriaal is op de voorgeschreven wijze verpakt en voorzien van een identiteitszegel . Op dit identiteitszegel is de naam en geboortedatum van de verdachte aangebracht. [Afbeelding] 4. Een losbladig geschrift, te weten een (herzien) rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 10 juli 2025, opgemaakt door dr. J. Warnaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 2, 4 en 5: [Afbeelding] [Afbeelding] [Afbeelding] [Afbeelding] 5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 4 april 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 47-48: V: Kun je ons vertellen hoe het die avond (de rechtbank begrijpt: op 28 februari 2025) is gegaan? A: We zijn met ons drieën, [verdachte], [slachtoffer] en ik films gaan kijken. Ik ben naar boven gegaan. Opeens komt [slachtoffer] huilend en schreeuwend naar boven rennen, met de telefoon in haar hand. Ik ga naar haar toe en ik hoor haar aan de telefoon zeggen "hij heeft met zijn vinger in mijn kont gezeten". [verdachte] hoort [slachtoffer] boven huilen en hoort mij. Hij komt naar boven rennen. Hij zocht toenadering tot [slachtoffer], zij had zich verstopt achter de gordijnen. A: Ik heb niks meer kunnen zeggen tegen [slachtoffer].