Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-07-24
ECLI:NL:RBOVE:2026:5060
Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning milieu (revisievergunning) die het college aan MC Dalfsen heeft verleend voor het intensiveren van de motorcrosstrainingen en -wedstrijden op de motorcrossbaan in Dalfsen. Eiser woont in de buurt en vreest met name geluidsoverlast. De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat niet duidelijk is op welke wijze het belang van eiser is betrokken in het besluit om een hogere geluidbelasting toe te staan ten opzichte van de richtwaarden voor de omgeving. In dat kader heeft het college ook onvoldoende toegelicht waarom het geluiddempende uitlaten niet als best beschikbare techniek verplicht stelt. Ook is het voorschrift dat ziet op de realisatie van een nieuwe geluidswal gebrekkig omdat het niet overeenkomt met het onderliggend geluidrapport, en is ten onrechte geen voorschrift opgenomen voor het maximaal aantal wedstrijddagen dat mag plaatsvinden terwijl daar in de geluidsbelasting wel rekening mee wordt gehouden. Eiser krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden omgevingsvergunning. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1964 uitspraak van de enkelvoudige kamer de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , hierna: [eiser] en het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen, hierna: het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Motorclub De Vechtspeurders- Dalfsen , uit Dalfsen hierna: MC Dalfsen. Samenvatting Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning milieu (revisievergunning) die het college aan MC Dalfsen heeft verleend voor het intensiveren van de motorcrosstrainingen en -wedstrijden op de motorcrossbaan in Dalfsen. [eiser] woont in de buurt en vreest met name geluidsoverlast. De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat niet duidelijk is op welke wijze het belang van [eiser] is betrokken in het besluit om een hogere geluidbelasting toe te staan ten opzichte van de richtwaarden voor de omgeving. In dat kader heeft het college ook onvoldoende toegelicht waarom het geluiddempende uitlaten niet als best beschikbare techniek verplicht stelt. Ook is het voorschrift dat ziet op de realisatie van een nieuwe geluidswal gebrekkig omdat het niet overeenkomt met het onderliggend geluidrapport, en is ten onrechte geen voorschrift opgenomen voor het maximaal aantal wedstrijddagen dat mag plaatsvinden terwijl daar in de geluidsbelasting wel rekening mee wordt gehouden. [eiser] krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden omgevingsvergunning. Hierna legt zij uit waarom. Beoordeling door de rechtbank Feiten en procesverloop 1. MC Dalfsen exploiteert een motorcrossbaan aan [adres 1] (hierna: het motorcrossterrein). 1.1. Het college heeft op 21 november 2011 aan MC Dalfsen een omgevingsvergunning milieu verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub e, onder 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein (hierna: de oprichtingsvergunning). De oprichtingsvergunning voorziet in het gebruik van het motorcrossterrein voor trainingen op woensdag van 14:00 tot 17:15 uur en van 19:00 tot 20:30 uur, evenals op zaterdag van 14:00 tot 17:00 uur. Het motorcrossterrein mag tussen 1 maart en 31 oktober worden opengesteld voor het verrijden van trainingen en wedstrijden. Op jaarbasis mogen er maximaal acht wedstrijden plaatsvinden waarvan vier op woensdagavond en vier op zaterdagmiddag. 1.2. Om aan te kunnen sluiten bij de huidige wensen van de motorcrossclub heeft MC Dalfsen op 20 maart 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu (revisie) ingediend voor het uitbreiden van het aantal crossuren tijdens de trainingen en wedstrijden. Om de uitbreiding van de crossuren mogelijk te kunnen maken, moeten hogere geluidgrenswaarden worden vastgesteld. 1.3. Met ingang van 11 juni 2024 heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. 1.4. [eiser] woont op ongeveer 250 meter afstand van het motorcrossterrein. Tegen het ontwerpbesluit heeft [eiser] geen zienswijze ingediend. 1.5. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 heeft het college de aanvraag ingewilligd en aan MC Dalfsen een omgevingsvergunning milieu (revisievergunning) verleend voor het uitbreiden van het aantal crossuren tijdens de trainingen en wedstrijden. 1.6. Op 5 augustus 2025 heeft MC Dalfsen een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor een verruiming van de tijden waarop het terrein op de wedstrijddagen gebruikt kan worden. Met het besluit van 2 december 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning ligt in deze procedure niet voor ter beoordeling. 1.7. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.8. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Het college heeft op 12 mei 2026 nog nadere stukken ingediend. [eiser] heeft met het schrijven van 18 mei 2026 gereageerd. 1.9. De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van het college en MC Dalfsen, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] en vergezeld door ir. [naam 3] , deskundige werkzaam bij Peutz B.V. Overgangsrecht 2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval het oude recht van toepassing is, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals dat gold vóór 1 januari 2024. Toetsingskader milieu 3. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Wabo is het verboden om zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen van (de werking van) een inrichting. De beoordeling van zo’n omgevingsvergunning vindt plaats op grond van artikel 2.14 van de Wabo. Bij die beoordeling moet het bevoegd gezag onder andere in acht nemen dat de inrichting de beste beschikbare technieken toepast (lid 1). De omgevingsvergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd (lid 3). Bespreking van de beroepsgronden 4. [eiser] heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. Een aantal gronden slaagt, de andere niet. De rechtbank zal het bestreden besluit hierna aan de hand van de volgorde van de beroepsgronden bespreken. Moest MC Dalfsen een geheel nieuwe omgevingsvergunning aanvragen? 5. [eiser] stelt dat MC Dalfsen voor de gewenste wijzigingen een (geheel) nieuwe omgevingsvergunning had moeten aanvragen. Volgens hem volstaat een revisievergunning niet in deze situatie, omdat het verschil met de oude situatie te groot is. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet het bevoegd gezag beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend en is het aan de aanvrager zelf om te bepalen voor welke veranderingen van de inrichting hij een vergunning wil hebben. MC Dalfsen heeft een revisievergunning aangevraagd zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en artikel 2.6 van de Wabo. Naar het oordeel van de rechtbank kon dat, en hoefde geen nieuwe oprichtingsvergunning te worden aangevraagd, omdat er geen aanleiding is om aan te nemen dat een nieuwe inrichting wordt opgericht. Het gaat immers alleen om het uitbreiden van het aantal crossuren. Het college heeft de aanvraag daarom terecht als revisievergunning behandeld. Stikstof 6. [eiser] stelt dat de inrichting mogelijk aanzienlijke negatieve effecten heeft op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hij bekritiseert de AERIUS-berekening waarop het bestreden besluit is gebaseerd, omdat daarin volgens hem ten onrechte is uitgegaan van motorvoertuigen in normaal verkeer in plaats van crossmotoren. Volgens [eiser] is het gebruik van crossmotoren intensiever en leidt dit tot een hogere uitstoot van stikstofdioxide. Volgens hem is het niet uitgesloten dat de vergunde activiteiten op het motorcrossterrein tot een hogere stikstofdepositie leiden dan berekend, waardoor voor deze activiteiten een natuurvergunning nodig zou zijn. 6.1. Zoals de rechtbank ter zitting heeft aangekondigd, kan deze beroepsgrond vanwege het relativiteitsbeginsel niet slagen. [eiser] woont op meer dan twee kilometer afstand van het dichtstbijzijnde voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’. Hij woont te ver van dit gebied vandaan om een persoonlijk belang te hebben bij de bescherming daarvan. Hij kan daarom geen beroep doen op de bepalingen van de Wet natuurbescherming op dit vlak. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan in de weg. Totstandkoming besluit, gebrek aan participatie? 7. [eiser] stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het college heeft nagelaten om omwonenden te betrekken bij de vergunningverlening. Volgens [eiser] heeft een jurist van het college in twee e-mails toegezegd dat bewoners bij de besluitvorming zouden worden betrokken, maar is dit niet gebeurd. De betreffende e-mails heeft [eiser] niet overgelegd. 7.1. De rechtbank overweegt dat voor zover [eiser] bedoelt dat het college bij hem een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij als omwonende bij de vergunningverlening betrokken zou worden, dat standpunt onvoldoende onderbouwd is, omdat niet duidelijk is of sprake is van een concrete toezegging en of deze afkomstig is van een persoon die daartoe bevoegd is. Verder stelt de rechtbank vast dat de revisievergunning met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid en dat het college conform die regeling een ieder in de gelegenheid heeft gesteld om een zienswijze in te dienen. Het college heeft geen aanleiding hoeven zien om MC Dalfsen te verplichten om voorafgaand aan de aanvraag in overleg te treden met omwonenden. Hoewel participatie kan bijdragen aan een goede verstandhouding, was het in dit geval niet verplicht. Het bestreden besluit is daarom niet onzorgvuldig tot stand gekomen, zodat de beroepsgrond niet slaagt. Heeft het college een onjuiste gebiedstypering aangehouden? 8. Volgens [eiser] heeft het college ten onrechte aangenomen dat voor de woningen aan de Hessenweg de omgeving getypeerd wordt als een 'rustige woonwijk, weinig verkeer', waardoor volgens hem bij de bepaling van het omgevingsgeluid een te hoge geluidnorm is aangehouden. [eiser] stelt dat deze omgeving getypeerd moet worden als een ‘landelijke omgeving’, waarbij de richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk dag, avond en nacht horen. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet, al omdat ten aanzien van de woning van [eiser] wel de door hem beoogde typering is aangehouden. De rechtbank legt dat als volgt uit. 8.2. Bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting heeft het college de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) gehanteerd. In hoofdstuk 4 van de Handreiking wordt voor bestaande inrichtingen aanbevolen om de geluidbelasting vanwege de inrichting op de gevel van woningen te toetsen aan de richtwaarden van tabel 4. In deze tabel staan drie typeringen van de aard van de woonomgeving, te weten "landelijke omgeving", "rustige woonwijk, weinig verkeer" en "woonwijk in de stad". Het college heeft bij het vaststellen van de grenswaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de representatieve bedrijfssituatie aansluiting gezocht bij de richtwaarden die de Handreiking aanbeveelt. In het akoestisch onderzoek heeft het gemotiveerd dat op basis van deze karakterisering van de omgeving de woningen aan [adres 3] getypeerd worden als een ‘landelijke omgeving’ en de overige woningen als ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’. 8.3. Zoals hiervoor is opgemerkt, heeft het college de omgeving van de woning van [eiser] getypeerd als een ‘landelijke omgeving’. De beroepsgrond van [eiser] ziet op de (bescherming van de) belangen van de bewoners en eigenaren van de woningen aan de Hessenweg en niet op zijn eigen belang. Dit betekent dat artikel 8:69a van de Awb zich ook verzet tegen de vernietiging van het bestreden besluit op deze beroepsgrond. De rechtbank laat een verdere bespreking van deze beroepsgrond daarom achterwege. Grenswaarden 9. [eiser] betoogt dat het college bij het vaststellen van de grenswaarden ten onrechte is afgeweken van de richtwaarden uit de Handreiking. 9.1. Volgens het college zijn de richtwaarden het gewenste geluidsniveau in de omgeving en is de grenswaarde de maximale geluidwaarde die vergund kan worden wanneer de richtwaarden niet gehaald kunnen worden. Volgens het college kan niet aan de richtwaarden worden voldaan bij het vergunnen van de aangevraagde crossuren in de dag- en de avondperiode. Het overschrijden van de richtwaarden acht het college niet onredelijk omdat in de oprichtingsvergunning voor een groot deel van de omliggende woningen al een hogere geluidsbelasting dan de richtwaarde is opgenomen. Daarbij zou voor een niet-vergunningsplichtige inrichting op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een grenswaarde van 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avondperiode gelden. Deze grenswaarden worden voor de woning van [eiser] wel gehaald. 9.2. De rechtbank overweegt dat in beginsel bij het opstellen van geluidsvoorschriften de richtwaarden uit de Handreiking kunnen worden overschreden. Het college zal dan een bestuurlijke afweging moeten maken. De rechtbank controleert of het college hierbij alle relevante factoren heeft betrokken en in redelijkheid tot deze afweging heeft kunnen komen. 9.3. Ten aanzien van de woning van [eiser] is in de representatieve bedrijfssituatie (tijdens de crosstrainingen) op de gevel een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bepaald van 37 dB(A) voor de woensdagmiddag, 38 dB(A) voor de woensdagavond en 41 dB(A) voor de zaterdagmiddag. Voor de representatieve woensdagavond wordt de richtwaarde bij het omgevingstype ‘landelijke omgeving’ van 35 dB(A) overschreden. Voor de representatieve zaterdagmiddag wordt de richtwaarde van 40 dB(A) overschreden. 9.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de afweging voor deze afwijkingen niet voldoende gemotiveerd gemaakt. Het college volstaat in het bestreden besluit met de enkele opmerking dat de belangen van de inrichting en de bescherming van de woonomgeving zorgvuldig zijn afgewogen, en concludeert dat op basis van die afweging een hogere grenswaarde toelaatbaar wordt geacht zodat de inrichting daarmee passend is in haar omgeving. Het is de rechtbank echter niet gebleken of, en zo ja op welke wijze, het belang voor de bescherming van de woonomgeving van de omliggende woningen daadwerkelijk in deze afweging is betrokken. Dit volgt ook niet uit de toelichting die het college in beroep heeft gegeven. In beroep heeft het college toegelicht dat de kosten voor het treffen van aanvullende voorzieningen niet opwegen tegen het geluidsreducerende effect dat deze maatregelen zullen hebben. De rechtbank overweegt dat het college daarmee niet inzichtelijk heeft gemaakt welke maatregelen getroffen kunnen worden en welke geluidsreducerende effecten die maatregelen kunnen hebben op het geluid op de woning van [eiser] . Omdat de bestuurlijke afweging voor het vaststellen van een hogere grenswaarde niet voldoende is gemotiveerd, slaagt deze beroepsgrond en kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Heeft het college ten onrechte niet naar een alternatieve locatie gezocht? 10. [eiser] stelt dat in de zienswijze die namens verschillende omwonenden is ingediend het college is verzocht te onderzoeken of op het bedrijventerrein Hessenpoort een alternatieve locatie kan worden gevonden voor het motorcrossterrein. Volgens [eiser] heeft het college niet op dit punt uit de zienswijze gereageerd en is het bestreden besluit daarom onvoldoende gemotiveerd. 10.1. De rechtbank ziet verschillende redenen om het betoog van [eiser] niet te volgen. Ten eerste is van belang dat [eiser] de betreffende zienswijze niet zelf heeft ingediend, zodat hij zich daarop, of op de reactie van het college daarop, niet kan beroepen. Van belang is daarnaast evenwel dat het college niet hoeft te onderzoeken of een andere locatie geschikter is. Het exploiteren van een motorcrossterrein op het perceel [adres 1] is planologisch toegestaan. Het is namelijk als zodanig bestemd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dalfsen’. Het exploiteren van een motorcrossterrein op deze locatie wordt daarom niet geacht in strijd te zijn met een goede ruimtelijke ordening. Ook niet als, zoals [eiser] op zitting betoogde, het gebruik als motorcrossterrein wel in strijd zou zijn met de omgevingsvisite van de gemeente Dalfsen. Het college hoefde niet te beoordelen of voor de verwezenlijking van het motorcrossterrein op een andere locatie een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De beroepsgrond slaagt niet. Zijn de Best Beschikbare Technieken onvoldoende beschouwd? 11. [eiser] stelt dat het college ten aanzien van de beschouwing van de best beschikbare technieken (BBT) ten onrechte alleen is ingegaan op de aanleg van een (gedeeltelijke) geluidswal en daarbij niet de techniek van de motoren heeft betrokken. Volgens [eiser] zal met het hanteren van een ander uitlaatsysteem een aanzienlijke geluidsreductie bij de bron worden gerealiseerd. Daarnaast stelt [eiser] dat de elektrische aandrijving van motoren als BBT doorgevoerd kunnen worden. 11.1. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat het gebruik van elektrische crossmotoren wel in ontwikkeling is, maar nog niet voldoende doorontwikkeld is om als BBT beschouwd te kunnen worden. Alle motoren moeten voldoen aan de eisen zoals die zijn opgenomen in het convenant gesloten tussen de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Verenigingen (KNMV) en de Motorsport Organisatie Nederland (MON). Volgens het college zijn deze eisen ook gehanteerd in het akoestisch onderzoek dat MC Dalfsen heeft opgesteld. 11.2. Ter zitting heeft MC Dalfsen toegelicht dat zij aan de gebruikers van het motorcrossterrein strengere eisen stelt aan het gebruik van uitlaten dan de eisen die landelijk binnen de crossmotorsport gelden. Zij heeft aangegeven dat rijders worden gecontroleerd op het gebruik van een uitlaat met een lagere geluidsemissie dan de uitlaten die doorgaans worden gebruikt. Zij meent dat zij hierdoor meer doet dan van haar verwacht hoeft te worden. 11.3. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 1°, van de Wabo, het college bij het verlenen van een vergunning als hier aan de orde in acht moet nemen dat de voor de inrichting in aanmerking komende BBT moeten worden toegepast. Volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo moet een BBT haalbaar zijn binnen de betreffende bedrijfstak, toepasbaar en redelijkerwijs beschikbaar. Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), stelt het bevoegd gezag de BBT zelf vast als op een activiteit of type productieproces binnen een inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijn, of indien de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen. Voor crossmotoren zijn geen BBT-documenten aangewezen. Het is dan ook aan het college om de BBT te bepalen. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is. 11.4. De rechtbank begrijpt uit de toelichting die MC Dalfsen ter zitting heeft gegeven dat het uitlaatsysteem dat zij verplicht stelt aan haar gebruikers, een geluidsreductie bij de bron en op de omliggende woningen tot gevolg heeft. Nu het college hogere grenswaarden bepaalt om de revisievergunning te kunnen verlenen, had het college ook moeten overwegen of met de toepassing van het andere uitlaatsysteem als BBT een minder hoge grenswaarde vastgesteld kan worden. Het college heeft evenwel niet gemotiveerd waarom het dit uitlaatsysteem niet als BBT heeft bepaald en het gebruik van dit uitlaatsysteem niet in een vergunningvoorschrift verplicht heeft gesteld. Dit klemt temeer nu MC Dalfsen dit gebruik aan haar leden wel verplicht. Vanwege het gebrek aan kenbare afwegingen van het college op dit punt, slaagt de beroepsgrond. Vergunningvoorschrift geluidswal is gebrekkig 12. [eiser] meent dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom aan de hele oostzijde van de inrichting geen geluidswal wordt voorzien. Daarbij heeft het college volgens [eiser] ten onrechte niet onderzocht wat het effect is van een hogere geluidswal voor de geluidsreductie. De rechtbank begrijpt dit betoog zo, dat [eiser] vindt dat het voorschrift in de revisievergunning over de geluidswal gebrekkig is. 12.1. Het akoestisch onderzoek van Peutz B.V. van 14 juni 2023 (hierna: het akoestisch onderzoek) ligt aan de revisievergunning ten grondslag. In het akoestisch onderzoek staat dat langs het motorcrossterrein geluidwallen van 2,5 en 4 meter hoog zijn aangelegd om de geluidsoverlast richting woningen aan de oost- en noordzijde van het motorcrossterrein te verminderen. Deze wanden zorgen voor een geluidsreductie van ongeveer 1 dB bij de meest belaste woningen. MC Dalfsen heeft voor het beperken van geluidhinder een aanvullende voorziening beschouwd. Deze voorziening betreft het plaatsen van schuttingen met een hoogte van 2 meter op de reeds gerealiseerde wallen en het plaatsen van taluds met schuttingen (totale hoogte 2,5 m) aan de binnenzijde van het motorcrossterrein. Met deze maatregelen valt een aanvullende reductie van circa 1 dB op de hoogst belaste toetspunten te behalen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat een dergelijke marginale aanvullende reductie niet meetbaar is en dat dit in de praktijk ook niet zal leiden tot een vermindering van (mogelijke) geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek volgt verder dat ook met aanvullende afschermende voorzieningen de maximale geluidsniveaus in de incidentele bedrijfssituatie in de avond (tijdens wedstrijden) niet in voldoende mate worden gereduceerd om de grenswaarde van het maximale geluidsniveau van 65 dB(A) niet te overschrijden. 12.2. Het college heeft aan de revisievergunning voor het plaatsen van geluidswallen en geluidsschermen het onderstaande voorschrift verbonden: ‘ Binnen 3 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning moet de in het akoestisch onderzoek genoemde geluidsreducerende voorziening in de vorm van een aarden wal (lengte 65 m en hoogte 2,5 m) met daarop een schermachtige constructie (hoogte 1 m) met een minimale oppervlaktemassa van 15 kg/m2 gerealiseerd zijn. De schermachtige constructie mag geen kieren of gaten bevatten en moet naadloos op de ondergrond aansluiten’. 12.3. De rechtbank is van oordeel dat dit vergunningvoorschrift onvoldoende duidelijk is. Het voorschrift sluit namelijk niet aan op het akoestisch onderzoek. Waar het akoestisch onderzoek uitgaat van twee maatregelen om geluidhinder te beperken (schuttingen van 2 meter hoog op de bestaande geluidwallen en taluds met schuttingen met een totale hoogte van 2,5 meter), schrijft het voorschrift slechts één maatregel voor (een aarden wal met een scherm van 1 meter hoog). Bovendien is niet duidelijk of en waarom een scherm van 1 meter hoog volstaat, nu in het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan van een scherm van 2 meter hoog. Onduidelijk is of met dit voorschrift de berekende geluidreductie van 1 dB kan worden behaald. De beroepsgrond slaagt daarom. Vergunningvoorschrift wedstrijddagen ontbreekt 13. [eiser] stelt dat door de revisievergunning het aantal crossuren toeneemt en daardoor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) in de incidentele bedrijfssituatie in de dag- en avondperiode op zijn woning toeneemt en ook het maximale geluidsniveau (piekgeluid) op zijn woning toeneemt. Volgens [eiser] is de revisievergunning rechtsonzeker omdat daarin niet is vastgelegd hoeveel wedstrijddagen zijn toegestaan. 13.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het aantal wedstrijddagen dat is toegestaan inderdaad onvoldoende duidelijk in de vergunning bepaald. Het aantal wedstrijddagen is bepalend voor de incidentele bedrijfssituatie. In vergunningvoorschrift 2.3.1 is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in dB(A) bepaald voor de incidentele bedrijfssituatie. Daarin, of elders in de vergunningvoorschriften, staat niet om hoeveel wedstrijddagen het dan gaat. In de aanvraag is opgenomen dat uitgegaan wordt van drie wedstrijddagen op de woensdagavond en één wedstrijddag op de zaterdagmiddag. Bij het beoordelen van de geluidsimpact op de omgeving is het college van ook van dit aantal uitgegaan. Gelet hierop had in de vergunningvoorschriften ook het aantal wedstrijddagen opgenomen moeten worden. De beroepsgrond slaagt. Plaatsen permanente geluidsmeter 14. [eiser] heeft in beroep aangegeven dat het wenselijk is dat rond het perceel [adres 2] een permanent geluidsmeetpunt wordt gerealiseerd. Volgens [eiser] kan hierdoor op elk moment worden vastgesteld of de door het college vastgestelde geluidswaarden worden overschreden. Ter zitting heeft [eiser] de rechtbank verzocht om een permanent geluidsmeetpunt als voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. 14.1. Volgens het college kan de Omgevingsdienst IJsselland (hierna: de omgevingsdienst) een geluidsmeting verrichten als daartoe, bijvoorbeeld als gevolg van een handhavingsverzoek, aanleiding bestaat. Volgens het college is het plaatsen van een permanente geluidsmeter niet doelmatig omdat het analyseren van de geregistreerde gegevens een aanzienlijke personele inzet vergt en het doen en uitlezen van een meting op het moment dat overlast wordt gevreesd, efficiënter is. 14.2. De rechtbank overweegt dat in deze procedure alleen het bestreden besluit, waarbij de revisievergunning aan MC Dalfsen is verleend, kan worden getoetst. De rechtbank begrijpt dat het verzoek van [eiser] verband houdt met zijn stelling dat bij het exploiteren van de motorcrossbaan de door het college vastgestelde grenswaarden worden overschreden. Dat is evenwel een kwestie van handhaving en kan in deze procedure over de omgevingsvergunning niet aan de orde komen. De rechtbank komt aan het verzoek van [eiser] om een permanente geluidsmeter daarom niet toe. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb en artikel 2:14 van de Wabo. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om over te gaan tot finale geschilbeslechting. Het college dient te motiveren waarom het toelaatbaar wordt geacht om hogere grenswaarden vast te stellen. De rechtbank kan dat niet doen omdat hiervoor een bestuurlijke heroverweging nodig is. Vervolgens dient het college te bepalen welke voorschriften het voor de realisatie van de geluidswal en de wedstrijddagen aan de revisievergunning verbindt, en of een voorschrift nodig is met betrekking tot de uitlaten van de crossmotoren. Het college dient dus een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. 16. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan [eiser] vergoeden. Voor het veroordelen in een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding omdat [eiser] in persoon procedeert en geen professionele rechtsbijstand heeft ingeschakeld. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 3 juni 2025; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser] moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b van de Omgevingswet en artikelen 3.304 en 3.305 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:205, r.o. 6.4. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder c van de Wabo in combinatie met artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo. Thans deel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Dalfsen. Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1598, r.o. 4.1.