Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-07-30
ECLI:NL:RBOVE:2026:4651
Deze einduitspraak gaat over een aan eiser opgelegde last onder dwangsom. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze last aan eiser opgelegd, omdat het van mening is dat op zijn perceel een boot en een verkoopunit staan die daar op grond van het bestemmingsplan niet mogen staan. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 23 april 2026 een aantal gebreken vastgesteld in het besluit op bezwaar en heeft het college de gelegenheid gegeven om deze gebreken te herstellen. Naar aanleiding daarvan heeft het college op 20 mei 2026 een nieuw besluit op bezwaar genomen. In deze einduitspraak oordeelt de rechtbank dat het college hiermee de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken heeft hersteld. Ook oordeelt de rechtbank dat de aanwezigheid van de unit op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan en het omgevingsplan en dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1475 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser en het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (hierna: het college), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze einduitspraak gaat over een aan [eiser] opgelegde last onder dwangsom. Het college heeft deze last aan [eiser] opgelegd, omdat het van mening is dat op zijn perceel een boot en een verkoopunit (hierna: de unit) staan die daar op grond van het bestemmingsplan niet mogen staan. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 23 april 2026 (hierna: de tussenuitspraak) een aantal gebreken vastgesteld in het besluit op bezwaar en heeft het college de gelegenheid gegeven om deze gebreken te herstellen. Naar aanleiding daarvan heeft het college op 20 mei 2026 een nieuw besluit op bezwaar genomen. In deze einduitspraak oordeelt de rechtbank dat het college hiermee de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken heeft hersteld. Ook oordeelt de rechtbank dat de aanwezigheid van de unit op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan en het omgevingsplan en dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.1. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met een besluit van 16 januari 2024 (hierna: het dwangsombesluit) heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd om een boot en een unit te verwijderen en verwijderd te houden. Met een besluit van 15 april 2025 (hierna: het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard en is het bij de last gebleven. 2.1. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. Met een besluit van 30 juni 2025 heeft het college het dwangsombesluit ingetrokken op de grond dat de boot en de unit inmiddels zijn verwijderd. [eiser] heeft desgevraagd aangegeven dat dit voor hem geen aanleiding is om het beroep in te trekken. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. [eiser] is op de zitting verschenen, vergezeld van [naam], de eigenaar van de boot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2.4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit I te herstellen. 2.5. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 20 mei 2026 het bestreden besluit I ingetrokken en een nieuw besluit genomen op het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit (hierna: het bestreden besluit II). In het bestreden besluit II heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit opnieuw ongegrond verklaard. 2.6. [eiser] heeft schriftelijk gereageerd op het bestreden besluit II. 2.7. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek (opnieuw) gesloten. Overwegingen Hoe is het bestreden besluit I tot stand gekomen? 3. Voor een uitgebreide beschrijving van de manier waarop het bestreden besluit I tot stand is gekomen verwijst de rechtbank naar de overwegingen 3 tot en met 8 van de tussenuitspraak. Hierna volgt een weergave van de belangrijkste feiten en omstandigheden. 3.1. [eiser] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V. en deze rechtspersoon is op haar beurt de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. [bedrijf 2] B.V. is eigenaar van een perceel aan de [adres] naast het treinstation van [plaats], kadastraal bekend als gemeente [locatie] (hierna: het perceel). Toezichthouders van de gemeente hebben geconstateerd dat op het perceel onder meer een boot en een unit stonden. 3.2. In het dwangsombesluit heeft het college [eiser] gelast om de overtreding van het omgevingsplan te beëindigen door de boot en de unit te verwijderen en verwijderd te houden. Met het bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard en is het bij dat besluit gebleven. Op 11 juni 2025 heeft het college geconstateerd dat de boot en de unit van het perceel zijn verwijderd. Wat heeft de rechtbank geoordeeld in de tussenuitspraak? 4. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. 4.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het overgangsrecht van de Omgevingswet (hierna: de Ow) het oude recht, onder meer bestaande uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en de vóór 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen, van toepassing blijven. Omdat het bestuursdwangbesluit is genomen na 1 januari 2024 moest het college niet alleen beoordelen of onder oud recht sprake was van een overtreding, maar ook of onder nieuw recht, onder meer bestaande uit de Ow en het op 1 januari 2024 in werking getreden omgevingsplan, (nog) sprake is van een overtreding. 4.2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat het college in het dwangsombesluit en het bestreden besluit I alleen is ingegaan op de vraag of sprake is van een overtreding op grond van het nieuwe recht. Zij heeft geoordeeld dat het college in het bestreden besluit I ten onrechte niet heeft beoordeeld of de aanwezigheid van de unit en de boot op het perceel in strijd zijn met oud recht. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank deze beoordeling ten aanzien van de boot zelf uitgevoerd. Ten aanzien van de unit heeft zij het college de gelegenheid gegeven om dit gebrek (hierna: het eerste gebrek) te herstellen. 4.3. Daarnaast heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college ten aanzien van de unit de verkeerde planologische regels heeft toegepast en dat het bestreden besluit I daarom op dit punt niet zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. Dit geldt zowel voor de situatie onder oud recht als de situatie onder nieuw recht. De rechtbank heeft het college de gelegenheid gegeven om dit gebrek (hierna: het tweede gebrek) te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat het college om het eerste en het tweede gebrek te herstellen moet vaststellen welk bestemmingsplan van toepassing was op het moment van versturen van het voornemen van 16 augustus 2023, of dit bestemmingsplan ook nog gold op 1 januari 2024 en of de aanwezigheid van de unit op het perceel in strijd is met oud recht en ook in strijd is met nieuw recht. 4.4. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat het stallen van de boot op het perceel in strijd is met zowel oud recht als nieuw recht, dat daarom zowel onder oud recht als onder nieuw recht sprake was van een overtreding, dat het college bevoegd was om daartegen handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom en dat er geen reden was om de last onder dwangsom voor de boot per 1 januari 2024 te herroepen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] ten aanzien van het stallen van de boot kan worden aangemerkt als overtreder, dat het dwangsombesluit is genomen door een daartoe bevoegde ambtenaar en dat zij in wat [eiser] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college hem tegenwerkt en bevooroordeeld was bij de behandeling van zijn bezwaarschrift. 4.5. Ook heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat het beroep van [eiser] op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt voor zover het gaat om vijf van de zes door hem genoemde situaties. Ten aanzien van de zesde door [eiser] genoemde situatie (het stallen van keten en materiaal op het perceel door [bedrijf 3]) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet goed heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een vergelijkbaar geval. De rechtbank heeft het college de gelegenheid gegeven om dit gebrek (hierna: het derde gebrek) te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat het college het derde gebrek kan herstellen door te motiveren waarom het stallen van keten en ander materiaal op het perceel door [bedrijf 3] niet vergelijkbaar is met het stallen van een boot en unit op het perceel. Wat heeft het college besloten in het bestreden besluit II? 5. Het college heeft gebruik gemaakt van de geboden herstelmogelijkheid. Het college heeft op 20 mei 2026 het bestreden besluit I ingetrokken en heeft op diezelfde dag het bestreden besluit II genomen. In dit besluit heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit opnieuw ongegrond verklaard met een (deels) gewijzigde motivering. Het college heeft overwogen dat op het deel van het perceel waarop de unit stond het op 4 maart 1982 vastgestelde bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kanaaldijk-West’ (hierna: het bestemmingsplan van 1982) van toepassing was. Volgens het college heeft dat deel van het perceel op grond van dit bestemmingsplan de bestemming ‘weg’ en is het stallen van een unit op het perceel zowel in strijd met oud recht als met nieuw recht. Verder heeft het college in het bestreden besluit II gemotiveerd waarom de situatie van het stallen van bouwketen en ander materiaal op het perceel door [bedrijf 3] niet leidt tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens het college was ook dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan, is daar nooit een omgevingsvergunning voor verleend, is deze overtreding nooit geconstateerd en zou daar handhavend tegen zijn opgetreden als dit wel was geconstateerd. Het college overweegt dat het een eventueel in het verleden begane overtreding niet meer kan vaststellen en daar ook niet meer handhavend tegen kan optreden. Volgens het college betekent dit echter niet dat hierdoor moet worden afgezien van handhavend optreden tegen de overtredingen waar het in deze zaak om gaat. Heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit II? 6. [eiser] heeft in de schriftelijke reactie op het bestreden besluit II aangegeven dat hij het ook niet eens is met dit besluit. Daarom heeft het beroep van [eiser] tegen het bestreden besluit I op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II. Daarom beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak of dat besluit in stand kan blijven. Had het college de bezwaaradviescommissie opnieuw om advies moeten vragen? 7. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat het college opnieuw advies had moeten vragen aan de bezwaaradviescommissie voordat het een nieuw besluit nam op zijn bezwaar tegen het dwangsombesluit. De bezwaaradviescommissie heeft [eiser] gehoord en heeft advies uitgebracht aan het college voorafgaand aan het bestreden besluit I. Naar het oordeel van de rechtbank gaf de tussenuitspraak geen aanleiding om [eiser] opnieuw te laten horen of om opnieuw advies te laten uitbrengen. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. Had de rechtbank [eiser] in de gelegenheid moeten stellen te reageren op de tussenuitspraak? 8. De rechtbank volgt [eiser] ook niet in zijn standpunt dat zij hem de gelegenheid had moeten geven om te reageren op de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank een aantal gebreken vastgesteld in het bestreden besluit I en heeft zij het college de gelegenheid gegeven deze te herstellen. Vervolgens heeft de rechtbank [eiser] de gelegenheid gegeven om te reageren op de herstelpoging van het college en daar heeft hij ook gebruik van gemaakt. Dit alles is in overeenstemming met de artikelen 8:51a tot en met 8:51c van de Awb. Als [eiser] het niet eens is met overwegingen of oordelen van de rechtbank in de tussenuitspraak kan hij dit aan de orde stellen in het kader van een eventueel hoger beroep tegen deze einduitspraak. Is de aanwezigheid van de unit in strijd met het bestemmingsplan en het omgevingsplan? 9. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het stallen van de unit op het perceel niet in strijd is met het bestemmingsplan en het omgevingsplan. In de beroepsgronden tegen het bestreden besluit I heeft [eiser] aangevoerd dat de unit op het perceel stond in verband met tijdelijke werkzaamheden. In de reactie op het bestreden besluit II heeft hij daaraan toegevoegd dat de unit geen bouwwerk is, omdat deze was dichtgetimmerd en daardoor niet toegankelijk was. 9.1. De rechtbank is van oordeel dat het stallen van de unit op het perceel in strijd is met zowel oud recht als nieuw recht. Zij zal dit hierna uitleggen. 9.2. Het college heeft de plankaart en de planregels van het bestemmingsplan van 1982 als bijlage bij het bestreden besluit II gevoegd. Omdat de plankaart en de bijbehorende legenda niet goed leesbaar waren, heeft de rechtbank het college telefonisch gevraagd om een nieuwe, leesbare versie. Daarop heeft het college de rechtbank per e-mail van 27 mei 2026 een uitsnede van het relevante deel van de plankaart en een vergroting van de legenda toegestuurd. De rechtbank heeft deze documenten diezelfde dag doorgestuurd naar [eiser]. 9.3. De rechtbank constateert aan de hand van de in 9.2 genoemde documenten dat op het deel van het perceel waar de unit stond tot 1 januari 2024 het bestemmingsplan van 1982 van toepassing was. Sinds 1 januari 2024 maakt dit bestemmingsplan deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hieruit volgt dat het bestemmingsplan van 1982 in de periode vanaf 1 januari 2024 nog steeds van toepassing was op dit deel van het perceel. Dit betekent dat – voor zover in deze zaak van belang – onder oud en nieuw recht voor de unit dezelfde planregels gelden. 9.4. Op grond van het bestemmingsplan van 1982 heeft het deel van het perceel waar de unit stond de bestemming ‘weg’. Op gronden met de bestemming ‘weg’ mogen uitsluitend worden gebouwd: andere-bouwwerken (met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstof) zoals lichtmasten en verwijsborden tot een maximumhoogte van 9 meter. Onder ‘ander-bouwwerk’ wordt verstaan: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde. Onder ‘bouwwerk’ wordt verstaan: ‘elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Onder ‘gebouw’ wordt verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Dit staat in de artikelen 1, tweede lid, en 11 van de planregels van het bestemmingsplan van 1982. 9.5. De rechtbank is van oordeel dat de unit moet worden aangemerkt als een ‘gebouw’ in de zin van de planregels. De unit is een constructie van enige omvang van hout en/of metaal en deze vindt steun op de grond. Verder vormt de unit een door wanden omsloten ruimte en kunnen in die ruimte mensen binnenkomen en verblijven. Dat (de toegang tot) de unit was dichtgetimmerd, doet hier niet aan af. Deze betimmering kon immers eenvoudig worden verwijderd. Uit de omstandigheid dat de unit moet worden aangemerkt als ‘gebouw’ volgt dat geen sprake is van een ‘ander-bouwwerk’ en dat het bouwen (of plaatsen) daarvan op het perceel op grond van artikel 11 van de planregels dus niet was toegestaan. Dit betekent dat de aanwezigheid van de unit op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan en dus ook met het omgevingsplan. 9.6. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat de unit op het perceel stond in verband met tijdelijke werkzaamheden en deze daar daarom vergunningvrij mocht staan. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat sprake was van een bouwkeet die functioneel was voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit en die was geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid werd (of binnenkort zou worden) uitgevoerd, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht en artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. [eiser] heeft zijn stelling dat op het perceel of de directe omgeving daarvan (bouw)werkzaamheden werden uitgevoerd of binnenkort zouden worden uitgevoerd niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat hij de unit zou gaan gebruiken in het kader van werkzaamheden ter verlegging van het gemeenteriool, het realiseren van woningen en het snoeien van bomen of struiken is daarvoor onvoldoende. Hierbij is mede van belang dat uit het dossier en wat op de zitting is besproken kan worden afgeleid dat de unit langer dan een jaar op het perceel heeft gestaan en in ieder geval in de beginfase was bedoeld voor het verkopen van auto’s. 9.7. Uit het voorgaande volgt dat zowel onder oud recht als onder nieuw recht sprake was van een overtreding. Het college was bevoegd om daartegen handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Dit volgt uit de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.3a, eerste lid, van de Wabo, de artikelen 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 5.6 van de Ow en artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet. Daarnaast volgt hieruit dat er geen reden was om de last onder dwangsom voor de unit per 1 januari 2024 te herroepen. Gelet op dit alles, heeft het college in het bestreden besluit II het eerste en tweede gebrek hersteld en slaagt deze beroepsgrond niet. Heeft het college gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel? 10. Naar aanleiding van de beroepsgrond van [eiser] dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel verwijst de rechtbank naar de overwegingen 18 tot en met 19.3 van de tussenuitspraak. Wat de rechtbank daar heeft overwogen ten aanzien van de boot geldt in hoofdlijnen ook voor de unit. De positie van [eiser] als eigenaar van het perceel is anders dan die van de eigenaar van de unit. [eiser] is ervoor verantwoordelijk dat op zijn perceel niet wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan. De in de tussenuitspraak in overweging 18, onder b), d), e) en f), genoemde situaties zijn niet vergelijkbaar met het voor lange tijd stallen van een unit op het perceel in strijd met het bestemmingsplan. Daarbij is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat op het perceel of de directe omgeving daarvan werkzaamheden werden uitgevoerd of binnenkort zouden worden uitgevoerd en de unit ten behoeve daarvan op het perceel is geplaatst. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college in het bestreden besluit II voldoende heeft gemotiveerd waarom ook de situatie rondom de keten en het materiaal van [bedrijf 3] niet leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Voor zover ten aanzien van deze keten en dit materiaal sprake was van een overtreding, is deze inmiddels ongedaan gemaakt en kan het college daartegen niet langer handhavend optreden. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver dat het college is gehouden om een (mogelijk in het verleden) gemaakte fout te herhalen. Gelet op dit alles, heeft het college in het bestreden besluit II ook het derde gebrek hersteld en slaagt deze beroepsgrond niet. Herhaling reeds besproken beroepsgronden en geheel nieuwe beroepsgronden 11. [eiser] heeft in zijn schriftelijke reactie van 18 juni 2026 – kort gezegd – aangevoerd dat de boot niet kan worden aangemerkt als een ‘gebouw’, dat het college hem ten aanzien van de boot ten onrechte in persoon heeft aangeschreven en dat het college ten onrechte niet ook de eigenaar van de boot heeft aangeschreven. De rechtbank stelt vast dat [eiser] hiermee, zij het in andere bewoordingen, heeft herhaald wat hij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank in de tussenuitspraak al zonder voorbehoud een oordeel gegeven. De rechtbank kan, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van zo’n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Uit wat [eiser] in dit verband heeft opgemerkt in zijn schriftelijke reactie volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet. Daarom slagen deze beroepsgronden niet en blijft de rechtbank bij wat zij hierover heeft geoordeeld in de tussenuitspraak. 12. [eiser] heeft in zijn schriftelijke reactie ook – kort gezegd – aangevoerd dat het stallen van de boot niet in strijd is met de Algemene Plaatselijke Verordening. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak aangekondigd dat zij het in beginsel in strijd met de goede procesorde zal achten als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten naar voren worden gebracht. Met deze beroepsgrond voert [eiser] juist wel zo'n geheel nieuwe grond aan. De reactie van het college op de tussenuitspraak geeft geen aanleiding voor het nu aanvoeren van deze nieuwe beroepsgrond. Ook verder ziet de rechtbank in wat [eiser] in zijn reactie heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van het in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. Daarom is het indienen van deze nieuwe beroepsgrond in strijd met de goede procesorde en gaat de rechtbank daar in deze uitspraak niet op in. Overige beroepsgronden 13. De rechtbank is van oordeel dat voor de overige beroepsgronden van [eiser] ten aanzien van de unit hetzelfde geldt als wat de rechtbank in de tussenuitspraak over die beroepsgronden heeft overwogen ten aanzien van de boot. Het gaat daarbij om de beroepsgronden dat de dwangsom ten onrechte is opgelegd aan [eiser] als privépersoon, dat het dwangsombesluit niet is genomen door een daartoe bevoegde ambtenaar en dat het college [eiser] heeft tegengewerkt en bevooroordeeld was bij de behandeling van zijn bezwaarschrift. De rechtbank verwijst in dit kader dan ook naar de overwegingen 15 tot en met 17 van de tussenuitspraak. Ten aanzien van de vraag of [eiser] kan worden aangemerkt als overtreder, voegt zij daar nog aan toe dat [eiser] zelf degene is geweest die destijds toestemming heeft gegeven om de unit op het perceel te stallen. Om diezelfde reden is de rechtbank het ook niet met [eiser] eens dat de unit moet worden aangemerkt als een gevonden voorwerp. De enkele – door [eiser] gestelde – omstandigheid dat de eigenaar van de unit niet meer te traceren is, zorgt er niet voor dat (alsnog) sprake is van een gevonden voorwerp. Het is de verantwoordelijkheid van [eiser] als middellijk eigenaar van het perceel om ervoor te zorgen dat de situatie op dit perceel in overeenstemming is met het daar geldende planologisch regime. Conclusie en gevolgen 14. Uit wat in de tussenuitspraak is overwogen en geoordeeld, volgt dat het bestreden besluit I niet zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Daarom is het beroep van [eiser] tegen het bestreden besluit I gegrond en moet dit besluit worden vernietigd. Het college hoeft geen nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit, omdat het dit al heeft gedaan met het bestreden besluit II. 15. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Dit betekent dat het dwangsombesluit in stand blijft. 16. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond is, moet het college het door [eiser] betaalde griffierecht van € 194 aan hem vergoeden. Om diezelfde reden moet het college ook de door [eiser] gemaakte proceskosten aan hem vergoeden. [eiser] heeft gevraagd om een vergoeding van € 25 aan reiskosten. De reiskosten van de woonplaats van [eiser] ([plaats]) naar Zwolle en terug worden vergoed op basis van de kosten voor deze reis met openbaar vervoer, tweede klasse, te weten € 23,34. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I gegrond; - vernietigt het bestreden besluit I; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194 aan [eiser] te vergoeden; - veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 23,34. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. artikel 5:1, tweede lid Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. artikel 6:19, eerste lid Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. artikel 7:12, eerste lid De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […] artikel 8:51a 1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld. 2 De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen. artikel 8:51b 1. Het bestuursorgaan deelt de bestuursrechter zo spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen. 2 Indien het bestuursorgaan overgaat tot herstel van het gebrek, deelt het de bestuursrechter zo spoedig mogelijk schriftelijk mede op welke wijze het gebrek is hersteld. 3 Partijen kunnen binnen vier weken na verzending van de mededeling bedoeld in het tweede lid, schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen. artikel 8:51c De bestuursrechter deelt partijen mede op welke wijze het beroep verder wordt behandeld binnen vier weken na: a. ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen; b. het ongebruikt verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 8:51a, tweede lid; c. ontvangst van de zienswijzen; of d. het ongebruikt verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 8:51b, derde lid. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) artikel 2.1, eerste lid Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, […]. artikel 2.3a, eerste lid Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten. Omgevingswet (Ow) artikel 5.1, eerste lid Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, […]. artikel 5.6 Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten. artikel 22.1 In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit: a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, […]. Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) artikel 4.5 Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt, b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. artikel 4.6, eerste lid Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden: […] g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, […]. Gemeentewet artikel 125 1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. 2 De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Besluit omgevingsrecht (Bor) artikel 2.3, tweede lid In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of c, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II. Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht artikel 2 Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: […]; 20. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd; […]. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) artikel 2.29 Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: […]; q. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand, terreininrichting of andere hulpconstructie die functioneel is voor bouw-, onderhouds- of sloopwerkzaamheden, tijdelijke werkzaamheden in de grond-, weg- of waterbouw of werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.322, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij plaatsing op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die werkzaamheden worden verricht; […]. Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kanaaldijk-West’ artikel 1, tweede lid In het plan wordt voorts verstaan onder: bouwwerk : elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; gebouw : elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; ander-bouwwerk : elke bouwwerk, geen gebouwd zijnde; […]. artikel 11 Op gronden met de bestemming ‘weg’ mogen uitsluitend worden gebouwd: andere-bouwwerken (met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstof) zoals lichtmasten en verwijsborden tot een maximum hoogte van 9 m.