Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-07-29
ECLI:NL:RBOVE:2026:4642
Uit vaste rechtspraak volgt dat de Dienst Toeslagen in beginsel mag vertrouwen op informatie die is doorgegeven door de kinderopvanginstelling (KOI), tenzij sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan de Dienst in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van die gegevens. De rechtbank is van oordeel dat gelet op een verdubbeling van het aantal uren per 1 februari 2022, waarmee het aantal opvanguren per dag 15 werd, hetgeen ongekend hoog is, in combinatie met de omstandigheid dat een gewijzigd inkomen was opgegeven van € 0,00 alsook de omstandigheid dat over de periode vanaf 1 juli 2012 in het geheel geen gegevens meer waren ingevoerd, de Dienst Toeslagen in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer en de combinatie van gewijzigde gegevens in de KOI-viewer aanleiding had moeten zijn om, alvorens de KOT over 2012 definitief vast te stellen, bij belanghebbende navraag te doen wat blijkens de stukken niet is gebeurd. Door geen navraag te doen bij bel RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1711 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende (gemachtigde: mr. P. Salim) en de Dienst Toeslagen (gemachtigde: mr. H.A.W. Oude Lenferink). Inleiding Belanghebbende heeft op 16 april 2021 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) verzocht om integrale herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2011, 2012 en 2013. De Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van het verzoek twee besluiten genomen: het besluit van 28 juli 2022 (kenmerk UHT-DC IA) waarin is geoordeeld dat ten aanzien van de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 geen fouten zijn gemaakt en dat geen compensatie wordt toegekend (primair besluit) en een besluit van 29 juli 2022, waarmee aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld wordt toegekend van in totaal € 4.120,-. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend. Met het besluit van 13 mei 2025 heeft de Dienst Toeslagen onder verwijzing naar het bijgevoegde advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Belanghebbende heeft beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (gemachtigde) en namens de Dienst Toeslagen: mr. H.A.W. Oude Lenferink. Samenvatting 1. Belanghebbende is het niet eens met het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op haar verzoek om compensatie voor het toeslagjaar 2012 en de afwijzende beslissing daarop. De Dienst Toeslagen heeft volgens belanghebbende over 2012 te weinig kinderopvanguren geteld en te veel geld teruggevorderd. Daarbij is gehandeld vanuit institutionele vooringenomenheid. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen ten onrechte compensatie voor het toeslagjaar 2012 heeft afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft bij de herberekening van de kinderopvangtoeslag over 2012 gehandeld vanuit institutionele vooringenomenheid. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Afbakening van het geschil 3. Tussen partijen is slechts in geschil de afwijzende beslissing van de Dienst Toeslagen met betrekking tot het verzoek om compensatie wat betreft de kinderopvangtoeslag over 2012 . Feiten 4. Belanghebbende heeft voor 2011 tot en met 2013 kinderopvangtoeslag (KOT) aangevraagd voor de kinderopvang van haar kind, geboren op [geboortedatum] 2009. KOT wordt uitbetaald op basis van een voorschot. De Dienst Toeslagen berekent pas later het definitief toe te kennen bedrag. Als achteraf blijkt dat het door de instelling of de gastouder opgegeven aantal uren kinderopvang lager is dan het aantal uren waarop het voorschot is berekend of als het inkomen is veranderd, vindt een lagere vaststelling en terugvordering plaats. 5. Met een besluit van 21 maart 2012 is aan belanghebbende aan KOT voor 2012 voorlopig toegekend: € 12.720,-. 6. De Dienst Toeslagen heeft met een besluit van 10 oktober 2014 het voorlopig toegekende bedrag neerwaarts bijgesteld naar € 6.159,- en later een bedrag van € 6.561,- teruggevorderd. Beoordeling Toetsingskader 7. Met ingang van 5 november 2022 is de Wht van kracht. Een aantal compensatieregelingen zijn met ingang van die datum in deze wet ondergebracht. Op grond van het overgangsrecht van artikel 8.6 van de Wht worden compensatie-beschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht. 8. In artikel 2.1, eerste lid, van de Wht is bepaald dat de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. 9. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; ‘zero-tolerance’-onderzoek naar fouten; het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Daarnaast kan sprake zijn van aanvullende aanwijzingen van institutionele vooringenomenheid . Voorwaarde voor toekenning van compensatie is, dat de gedupeerde schade heeft geleden. Wanneer institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade . De regels van de Wht zijn niet bedoeld om definitieve KOT-beschikkingen te herzien; die beoordeling valt buiten de reikwijdte van de Wht. Standpunt belanghebbende 10. De gemachtigde voert aan dat de Dienst Toeslagen bij de herberekening over toeslagjaar 2012 heeft gehandeld vanuit institutionele vooringenomenheid. Het bestreden besluit is daarom tevens in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair-play. 10.1. De gemachtigde voert ter onderbouwing aan dat belanghebbende blijkens de gegevens in de KOI-viewer in 2012 voor een bedrag van in totaal € 9.000,- gebruik heeft gemaakt van kinderopvang terwijl slechts € 6.500,- is toegekend. Uitgaande van de gegevens in de KOI-viewer heeft belanghebbende in de periode januari – juni 2012 meer dan 15 uur per dag gebruik gemaakt van kinderopvang, wat onlogisch en/of onaannemelijk is. Die gegevens hebben dan ook niet alleen betrekking op de eerste helft van 2012 maar op heel 2012. De (evident abusievelijk onjuist) ingevoerde gegevens hadden bij de Dienst Toeslagen vragen moeten oproepen en men had eerst navraag moeten doen bij belanghebbende alvorens te beslissen. Nu tijdens de besluitvorming op geen enkel moment navraag is gedaan bij belanghebbende, is sprake geweest van institutionele vooringenomenheid. Standpunt van de Dienst Toeslagen. 11. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de KOT over 2012 op juiste wijze is herberekend en dat van handelen met institutionele vooringenomenheid geen sprake is geweest. Ten tijde van de herberekening bleek uit gegevens in de KOI-viewer dat alleen in het eerste halfjaar van 2012 gebruik was gemaakt van kinderopvang. Die opvang was in de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 afgenomen bij een kindcentrum (KC) en van 1 februari 2012 tot en met 1 juli 2012 bij een gastouder. 11.1. Volgens de Dienst Toeslagen volgt uit vaste rechtspraak dat zij in beginsel mag vertrouwen op gegevens uit de KOI-viewer. Bovendien waren er geen aanwijzingen dat de gegevens in de KOI-viewer mogelijk onjuist waren. 11.2. Toekenning van KOT is bovendien op grond van artikel 1.7, vierde lid, van de Wet kinderopvang (Wko) gemaximeerd, tot 230 uren per maand. Aan belanghebbende is voor 1 januari 2012 tot en met juni 2012 de maximale KOT toegekend. Een en ander is tijdens de hoorzitting op 22 april 2025 besproken. 12. De rechtbank overweegt als volgt. 12.1. Op grond van de Regeling Wet kinderopvang is het aan het KC en/of het gastouderbureau om aan de Dienst Toeslagen tijdig de gegevens of inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor aanspraak van een ouder op en de hoogte van de kinderopvangtoeslag of het voorschot daarop . 12.2. Ter zitting is komen vast te staan dat de gegevens in de KOI-viewer door het betrokken KC en door de gastouder zijn ingevoerd. De gastouder is de moeder van belanghebbende. 12.3. De Dienst Toeslagen heeft als bijlage bij het verweerschrift een overzicht van gegevens uit de KOI-viewer met betrekking tot 2012 overgelegd. Daaruit blijkt dat de KOT voor 2012 eerst op 29 december 2011 automatisch werd gecontinueerd met een voorschot van € 7.954,-. Dat voorschot is op 21 maart 2012 opwaarts gecorrigeerd naar € 12.720,-, nadat was doorgegeven dat niet alleen sprake was van kinderopvang door een KC maar ook door een gastouder. De gegevens over het toetsingsinkomen waren gewijzigd naar € 0,-. Over de periode vanaf 1 juli 2012 waren geen gegevens meer ingevoerd. 12.4. De Dienst Toeslagen is op 25 juli 2014 digitaal ervan op de hoogte gesteld dat belanghebbende volgens de KOI-viewer van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 maandelijks voor 137 uren (afgerond) gebruik had gemaakt van kinderopvang bij het Kindcentrum en van 1 februari 2012 tot en met 1 juli 2012 maandelijks voor 139 uren (afgerond) bij de gastouder. De Dienst Toeslagen heeft wegens overschrijding van het maandelijks maximaal aantal uren waarvoor KOT wordt verstrekt (230 uur per maand) bij de berekening het aantal uren van de gastouder gemaximeerd naar 93. Met het besluit van 10 oktober 2014 is op basis van genoemde gegevens het voorlopig toegekende bedrag van € 12.720,- neerwaarts gecorrigeerd naar € 6.159,-. 13. Uit vaste rechtspraak volgt dat de Dienst Toeslagen in beginsel mag vertrouwen op informatie die is doorgegeven door de kinderopvanginstelling (KOI), tenzij sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan de Dienst in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van die gegevens . 14. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van feiten en omstandigheden op grond waarvan de Dienst Toeslagen in redelijkheid aan de juistheid van de in de KOI-viewer opgegeven gegevens had moeten twijfelen. 14.1. In tegenstelling tot het voorgaande jaar waren alleen voor het eerste half jaar gegevens ingevoerd in de KOI-viewer met betrekking tot de kinderopvang. Volgens die gegevens had bovendien met ingang van 1 februari 2012 een dubbeling plaatsgevonden wat betreft het aantal uren kinderopvang, door toevoeging van gastouderopvang, waardoor het totaal aantal uren uitkwam op meer dan 15 uur per dag. Bovendien was het inkomen gewijzigd naar € 0,00 en waren over de periode vanaf 1 juli 2012 geen gegevens meer ingevoerd of bekend. 15. De rechtbank is van oordeel dat gelet op genoemde verdubbeling van het aantal uren per 1 februari 2022, waarmee het aantal opvanguren per dag 15 werd, hetgeen ongekend hoog is, in combinatie met de omstandigheid dat een gewijzigd inkomen was opgegeven van € 0,00 alsook de omstandigheid dat over de periode vanaf 1 juli 2012 in het geheel geen gegevens meer waren ingevoerd, de Dienst Toeslagen in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer en de combinatie van gewijzigde gegevens in de KOI-viewer aanleiding had moeten zijn om, alvorens de KOT over 2012 definitief vast te stellen, bij belanghebbende navraag te doen wat blijkens de stukken niet is gebeurd. Door geen navraag te doen bij belanghebbende alvorens de KOT over 2012 neerwaarts bij te stellen heeft de Dienst Toeslagen gehandeld met institutionele vooringenomenheid. 16. Dat geen bezwaarschrift is ingediend tegen het terugvorderingsbesluit over de kinderopvangtoeslag over 2012 leidt niet tot een ander oordeel omdat dit geen afbreuk doet aan de overwegingen van de rechtbank onder 13 tot en met 15. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd en kan niet in stand blijven. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen voor zover het betreft de beslissing over compensatie met betrekking tot het toeslagjaar 2012. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat de Dienst Toeslagen met inachtneming van deze uitspraak eerst nader onderzoek/navraag moet doen bij belanghebbende met betrekking tot de kinderopvang in 2012 en berekening van het bedrag van eventueel toe te kennen compensatie te ingewikkeld is. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen daarom opdragen om ten aanzien van het verzoek om compensatie met betrekking tot 2012 een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van drie maanden. 18. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht (à € 53,-) aan belanghebbende vergoeden. 19. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen daarnaast in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding van de kosten van professionele rechtsbijstand vast op € 1.868,- op basis van: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit maar alleen voor zover dit betrekking heeft op de beslissing over een eventueel recht op compensatie met betrekking tot toeslagjaar 2012 en de berekening daarvan; draagt de Dienst Toeslagen op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht (à € 53,-) aan belanghebbende vergoedt; veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van belanghebbende in beroep tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71. Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, r.o. 10.