Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-07-16
ECLI:NL:RBOVE:2026:4281
Wet wapens en munitie; intrekking verlof voor het voorhanden hebben van munitie. Beroep ongegrond. Het verlof is op goede gronden ingetrokken. Eiser heeft zich niet gehouden aan de voorwaarden van het verlof. Aan eiser kan het voorhanden hebben van munitie niet worden toevertrouwd. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/2623 uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser], (gemachtigde: mr. S.E. de Vries-van der Veldt), en De minister van Justitie en Veiligheid, verweerder, hierna: de minister, (gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het aan [eiser] verleende verlof voor het voorhanden hebben van munitie. [eiser] is het niet eens met de intrekking van dat verlof. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het aan [eiser] verleende verlof voor het voorhanden hebben van munitie op goede gronden is ingetrokken. Aan hem kan het voorhanden hebben van munitie niet worden toevertrouwd. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2 Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 bespreekt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Bij besluit van 24 maart 2025 heeft de korpschef van politie het aan [eiser] verleende verzamelverlof ingetrokken. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 heeft de minister het administratief beroep van [eiser] ongegrond verklaard en het besluit van de korpschef in stand gelaten. 2.1. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De minister heeft de rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen. Ten aanzien van een deel van deze stukken heeft de minister zich bij brief van 4 mei 2026, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op het standpunt gesteld dat alleen de bestuursrechter kennis mag nemen van die stukken. [eiser] mag kennisnemen van een versie van deze stukken waarin bepaalde gegevens zijn weggelakt. De rechtbank heeft de beoordeling van het verzoek om beperkte kennisneming opgedragen aan een andere kamer dan de kamer die het beroep beoordeelt (hierna: de geheimhoudingskamer). Bij beslissing van 3 juni 2026 heeft de geheimhoudingskamer geoordeeld dat de beperking van de kennisneming van de weggelakte informatie gerechtvaardigd is. Bij brief van 3 juni 2026 heeft de rechtbank [eiser] gevraagd of hij toestemming verleent voor het gebruik van de stukken ten aanzien waarvan de geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat de beperking van de kennisneming van de weggelakte informatie gerechtvaardigd is. Op deze brief is niet gereageerd. De rechtbank heeft deze stukken dan ook niet bij de beoordeling van het beroep betrokken. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [eiser], bijgestaan door mr. De Vries-van der Veldt en namens de minister mr. P. Stehouwer. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid 3.1. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit dateert van 21 augustus 2025. Op 3 oktober 2025 is beroep ingesteld tegen dat besluit. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn op dat moment één dag was overschreden. Het beroep is dan ook niet tijdig ingediend. 3.2. De rechtbank heeft de gemachtigde van [eiser] gevraagd waarom niet tijdig beroep is ingesteld. Bij e-mail van 19 december 2025 heeft de gemachtigde gewezen op piekbelasting veroorzaakt door een burn-out van een kantoorgenoot in combinatie met een fout van een collega. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden gelet op de gegeven toelichting voldoende waren om redelijkerwijs te kunnen oordelen dat [eiser] niet in verzuim is geweest. Het beroep is dan ook ontvankelijk. De feiten 4.1. [eiser] is sinds vele jaren verzamelaar van munitie en van oude wapens en onderdelen daarvan. Aan hem is verlof verleend voor het voorhanden hebben van munitie. [eiser] bewaarde zijn wapenverzameling in de kelder van zijn woning. 4.2. Op 24 oktober 2024 heeft een controle bij [eiser] thuis plaatsgevonden. Bij deze controle zijn wapens en onderdelen daarvan aangetroffen die volgens het naar aanleiding van deze controle opgemaakte proces-verbaal niet bekend waren bij de korpschef. 4.3. Bij besluit van de korpschef van 24 maart 2025 heeft de korpschef het aan [eiser] verleende verzamelverlof ingetrokken. Op 2 mei 2025 heeft [eiser] een administratief beroepschrift ingediend bij de minister. Bij besluit van 21 augustus 2025 is het administratief beroep ongegrond verklaard en het besluit van de korpschef in stand gelaten. Inhoudelijke beoordeling 5.1. De rechtbank zal eerst nagaan wat het aan [eiser] verleende verlof inhield. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een overtreding. Daarna zal de rechtbank beoordelen of de intrekking van het aan verleende verlof op goede gronden is gehandhaafd. 5.2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de korpschef aan [eiser] verlof heeft verleend ten behoeve van het verzamelen van munitie (privé) die op de bijlage is vermeld. Op de bijlage is vermeld: Nadere omschrijving van de verzameling: Specialiteit. Bodemstempels en coderingen tussen 1933 en 1945. Uit deze omschrijving leidt de rechtbank af dat het aan [eiser] verleende verlof betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie uit de periode van 1933 tot 1945. Ter zitting is deze lezing door partijen bevestigd. 5.3. Volgens een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, van 25 oktober 2025, zijn tijdens een controle bij [eiser] thuis, op 24 oktober 2025, vuurwapens en onderdelen daarvan zijn aangetroffen die niet bekend waren bij de korpschef. Ook is een trainingsgeweer aangetroffen. Alle bij [eiser] aangetroffen wapens en onderdelen daarvan zijn afkomstig uit de periode van 1890 tot en met 1945. De aangetroffen wapens zijn onderzocht door daartoe opgeleide politieambtenaren. Naar aanleiding hiervan zijn diverse op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, gedateerd in de periode van 7 tot en met 15 januari 2025, opgemaakt. Uit deze processen-verbaal blijkt dat 14 van de aangetroffen vuurwapens niet op de juiste wijze onklaar waren gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij het nemen van de beslissing op het administratief beroep van [eiser] mocht afgaan op de inhoud van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud daarvan onjuist is. Hiervan uitgaande oordeelt de rechtbank dat moet worden aangenomen dat [eiser] in strijd met het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) wapens in de categorieën II en III bij de Wwm voorhanden heeft gehad. Dat veel van de bij [eiser] aangetroffen vuurwapens in slechte staat verkeerden en niet langer geschikt waren om mee te vuren, doet er niet aan af dat deze wapens niet op de wijze zoals voorgeschreven in EU-verordening 2015/2403 onklaar waren gemaakt. Het was [eiser] op basis van het aan hem verleende verlof voor het voorhanden hebben van munitie niet toegestaan om deze wapens voorhanden te hebben. Hierbij komt dat bij [eiser] ook een exercitiegeweer uit 1944 is aangetroffen, waarmee weliswaar niet kan worden gevuurd, maar wat er volgens het proces-verbaal van onderzoek wel echt uitziet. Een dergelijk exercitiewapen valt onder categorie I, sub 7⁰, van de Wwm. Het is op grond van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Wwm verboden om een dergelijk wapen voorhanden te hebben.