Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-07-17
ECLI:NL:RBOVE:2026:4277
Bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk. Geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Afzien van horen in de bezwaarfase. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/2479 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], hierna: [eiser], en het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen, hierna: het college, (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaarschrift van [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren. In dit bezwaarschrift stelt [eiser] dat zijn fiets niet meer bij het station van Dalfsen staat, dat hij denkt dat het college de fiets heeft meegenomen en dat hij te onrechte geen (bestuursdwang)besluit heeft ontvangen. Volgens het college heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zo’n besluit. Omdat het college geen besluit heeft genomen kon [eiser] ook geen bezwaarschrift indienen. Het college heeft het bezwaarschrift van [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaard. [eiser] is het niet eens met de beslissing op bezwaar. Hij voert daartoe verschillende gronden aan. Deze gronden gaan zowel over de processuele onderdelen van de beslissing op bezwaar (bevoegdheden) als over inhoudelijke aspecten van de door [eiser] vermoede bestuursdwang. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat aan de beslissing op bezwaar geen formeel gebrek kleeft en dat het college het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarom behandelt de rechtbank de inhoudelijke beroepsgronden niet. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en procesverloop 2. [eiser] heeft bij brief van 29 april 2025 een bezwaarschrift ingediend bij het college. In dit bezwaarschrift stelt [eiser] dat zijn fiets niet meer bij het station van Dalfsen staat. [eiser] denkt dat zijn fiets door het college is verwijderd, maar heeft daarvan geen (bestuursdwang)besluit ontvangen. Daarom heeft hij een bezwaarschrift ingediend. 2.1. Het college heeft op 31 juli 2025 op het bezwaarschrift beslist. Daarbij heeft het college, onder verwijzing naar een advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Dalfsen, het bezwaarschrift van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit). [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de fiets door de gemeente van het station is verwijderd. Daarom is volgens het college niet komen vast te staan dat sprake is van een besluit. 2.2. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. Het college heeft op 9 juni 2026 aanvullende stukken ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college. 2.6. [eiser] heeft op de zitting een aanvullend stuk ingediend. Beoordeling door de rechtbank De omvang van het geding 3. De rechtbank moet beoordelen of het college het bezwaarschrift van [eiser] niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. De rechtbank zal deze vragen beantwoorden aan de hand van de beroepsgronden van [eiser]. Daarbij betrekt de rechtbank het door [eiser] op de zitting ingediende stuk voor zover dat relevant is voor de beoordeling van die beroepsgronden. De beoordeling van de beroepsgronden Is het bestreden besluit bevoegd genomen? 4. [eiser] stelt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Het college heeft niet op de datum van het bestreden besluit vergaderd en ook in de besluitenlijst van het college staat het bestreden besluit niet genoemd. Verder voorziet het mandaatbesluit niet in de juiste mandaatregeling. 4.1. Het college heeft op de zitting aangevoerd dat het mandaatbesluit op de juiste manier geregeld is. Uit dit mandaatbesluit volgt dat de teamleider bevoegd is om het bestreden besluit te ondertekenen. 4.2. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is ondertekend door een teamleider. Verder stelt de rechtbank vast dat op 31 juli 2025, de datum waarop het bestreden besluit is genomen, het mandaat-, volmacht-, en machtigingsbesluit gemeente Dalfsen 2024 van kracht was. In dit mandaatbesluit is onder het kopje ‘bezwaar- en beroepschriften’ een algemene mandaatregeling opgenomen over het nemen van een beslissing op bezwaar. Noch gesteld noch gebleken is dat in deze zaak een bijzondere mandaatregeling aan de orde is. 4.3. Op grond van de algemene mandaatregeling is het nemen van beslissingen op bezwaar gemandateerd aan de teamleider mits 1) het besluit in overeenstemming is met het advies van de bezwaarschriftencommissie en 2) het een bezwaarschift van ondergeschikt belang betreft. De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor het gegeven mandaat is voldaan en dat de teamleider gemandateerd is voor het ondertekenen van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. De beroepsgrond slaagt niet. Is de bezwaarschriftencommissie bevoegd? 5. [eiser] stelt dat de bezwaarschriftencommissie niet bevoegd was om zijn bezwaarschrift te behandelen. De bezwaarschriftencommissie is op basis van een verordening ingesteld. Het college is niet bevoegd om die verordening vast te stellen. 5.1. Het college heeft geen standpunt ingenomen over de bevoegdheid van de bezwaarschriftencommissie bij het adviseren over bezwaarschriften. 5.2. De rechtbank stelt vast dat op 31 juli 2025 de Verordening commissie bezwaarschriften 2022 van kracht was. Anders dan [eiser] stelt, heeft de gemeenteraad van de gemeente Dalfsen deze verordening vastgesteld op 24 oktober 2022, zo blijkt uit de ondertekening van de verordening. De gemeenteraad heeft met de verordening een bezwaarschriftencommissie ingesteld zoals bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), die belast is met het horen en adviseren over de volledige heroverweging van bestreden besluiten. De bezwaarschriftencommissie van de gemeente Dalfsen was daarmee bevoegd om te adviseren over het bezwaarschrift van [eiser]. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard? 6. De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of het college het bestreden besluit heeft kunnen nemen het van essentieel belang is dat vast komt te staan dat sprake is (geweest) van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het maken van bezwaar is, voor zover hier van belang, alleen mogelijk als het college zo’n besluit heeft genomen. Dit volgt uit artikel 1:5, eerste lid, van de Awb. 6.1. [eiser] stelt dat hij denkt dat zijn fiets is verwijderd door het college door toepassing van bestuursdwang. Hij heeft daarvan geen besluit ontvangen. 6.2. Het college stelt dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een besluit. Het college heeft geprobeerd om met [eiser] in contact te komen over de fiets en te onderzoeken of die inderdaad door het college is verwijderd. [eiser] heeft niet op die verzoeken gereageerd. [eiser] heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zijn fiets is verwijderd en dat sprake is van een besluit, aldus het college. 6.3. De rechtbank overweegt dat uit het beroepschrift volgt dat [eiser] vermoedt dat zijn fiets is verwijderd door het college. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het college na ontvangst van het bezwaarschrift heeft geprobeerd om in contact te komen met [eiser] om te onderzoeken of dat inderdaad het geval is. Het college heeft [eiser] in een brief van 13 mei 2025 concrete vragen gesteld over de stalling van de fiets bij het station en de uiterlijke kenmerken van de fiets. Ook is [eiser] in die brief uitgenodigd bij het gemeentelijk fietsendepot om te kijken of zijn fiets daar stond. Het college stelt dat [eiser] niet op deze brief heeft gereageerd. [eiser] heeft op de zitting ook bevestigd dat hij niet op deze brief heeft gereageerd, waarbij hij te kennen heeft gegeven dat hij geen medewerking wil verlenen (de rechtbank begrijpt: door informatie te geven) aan de in zijn ogen mogelijk toegepaste bestuursdwang.