Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-01-29
ECLI:NL:RBOVE:2026:396
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/781 Einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB (gemachtigde: E.M. Mulder). Samenvatting In deze zaak oordeelt de rechtbank dat de SVB bij de toekenning van kinderbijslag voor volgende kinderen, door toepassing van het tegenwettelijke beleid SB1401, een onderscheid maakt tussen twee verschillende categorieën rechthebbenden, dat in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 van het Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze einduitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5397. Procesverloop In de tussenuitspraak van 2 september 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de SVB in de gelegenheid gesteld om zich binnen één maand uit te laten als in rechtsoverweging 4.11 van die tussenuitspraak is overwogen, met bepaling dat eiser vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld om binnen één maand te reageren op het standpunt van de SVB. De SVB heeft zich bij brief van 30 september 2025 uitgelaten als in de tussenuitspraak bepaald. Eiser heeft vervolgens op 27 oktober 2025 gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen 2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de SVB bij de toepassing van artikel 14 Algemene Kinderbijslagwet (AKW), ingevolge haar tegenwettelijk beleid SB1401, een onderscheid maakt tussen twee categorieën, te weten: (1) eerstgeborenen en/of kinderen waarvan buiten Nederland aangifte van geboorte is gedaan en (2) volgende kinderen waarvan aangifte van geboorte is gedaan in Nederland. De rechtbank heeft voorts overwogen dat dit onderscheid tot gevolg heeft dat er verschil bestaat voor wat betreft de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag tussen kinderen die géén eerstgeborenen zijn, namelijk: (a) voor kinderen die behoren tot de eerste groep (geboorteaangifte buiten Nederland) gaat het recht op kinderbijslag in beginsel in vanaf de geboorte, maar in geen geval eerder dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is gedaan en (b) voor volgende kinderen die behoren tot de tweede groep (geboorteaangifte in Nederland) gaat het recht op kinderbijslag automatisch in vanaf de geboorte (behoudens fouten in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP), onafhankelijk van de vraag of de ouders een aanvraag hebben gedaan. Een gevolg hiervan is dat ouders van kinderen in de eerste groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, pas recht krijgen op kinderbijslag met ingang van een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin zij alsnog een aanvraag indienen. De ouders van kinderen in de tweede groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, krijgen daarentegen altijd vanaf de geboorte een recht op kinderbijslag, omdat de SVB daarin dan automatisch voorziet (tenzij sprake is van een fout in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP). De rechtbank heeft vervolgens de vraag aan de orde gesteld of dit onderscheid geoorloofd is in de zin van artikel 1 van Protocol 12 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). 3. In de tussenuitspraak van 2 september 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de SVB gelegenheid gegeven om zich alsnog over deze rechtsvraag uit te laten en te motiveren (a) welk objectief en redelijk (=legitiem) doel wordt gediend met het door haar in het beleid SB 1401 gehanteerde onderscheid en (b) dat het om een redelijk en proportioneel onderscheid gaat in relatie tot het daarmee beoogde doel. Voor h Ouders hoeven dan geen kinderbijslag aan te vragen, ondanks dat in artikel 14 AKW is voorgeschreven dat kinderbijslag alleen op aanvraag wordt toegekend. De SVB kan deze kinderbijslag zonder aanvraag toekennen, dankzij een automatische gegevensuitwisseling tussen de BRP en de SVB. Bij de SVB zijn immers de gegevens van de rechthebbenden op kinderbijslag bekend vanaf de toekenning van kinderbijslag voor een eerste kind. Dit beleid geldt niet ten aanzien van volgende kinderen als er geboorteaangifte is gedaan buiten Nederland, omdat er geen automatische gegevensuitwisseling bestaat tussen de SVB en de geboorteregisters in het buitenland. Daardoor is een onderscheid ontstaan tussen rechthebbenden op kinderbijslag als in Nederland geboorteaangifte is gedaan en rechthebbenden op kinderbijslag als buiten Nederland geboorteaangifte is gedaan. De SVB maakt hiermee een onderscheid tussen in beginsel gelijke gevallen, namelijk tussen ingezetenen die in beginsel op grond van de artikelen 6 en 14 AKW op gelijke wijze in aanmerking zouden moeten komen voor kinderbijslag. Het onderscheid bestaat erin, dat de SVB enerzijds, voor volgende kinderen van wie in Nederland geboorteaangifte is gedaan, automatisch kinderbijslag toekent zonder dat de rechthebbenden daarvoor een aanvraag hoeven te doen en dat de SVB anderzijds, voor volgende kinderen van wie buiten Nederland geboorteaangifte is gedaan, slechts kinderbijslag toekent als de rechthebbenden daarvoor een aanvraag hebben ingediend overeenkomstig artikel 14 AKW. 6.2. Als de laatste categorie rechthebbenden (geboorteaangifte in het buitenland) om welke reden dan ook nalaat een aanvraag te doen (bijvoorbeeld omdat zij het vergeten), dan kent de SVB niet eerder kinderbijslag toe dan met ingang van één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Terwijl bij de eerste categorie rechthebbenden (geboorteaangifte in Nederland) van “vergeten” geen sprake kan zijn, omdat de kinderbijslag immers automatisch wordt toegekend, en de SVB kinderbijslag bovendien toekent met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar, als er sprake is van fouten in de gegevensuitwisseling tussen de BRP en de SVB. Die termijn van vijf jaar terugwerkende kracht begint dan te lopen vanaf het moment waarop de SVB ofwel de fout in de gegevensuitwisseling constateert, ofwel van betrokkene hoort dat hij/zij geen kinderbijslag voor het volgende kind heeft ontvangen. 6.3.De SVB maakt hiermee een onderscheid op basis van de plaats waar aangifte van geboorte is gedaan, te weten in Nederland of buiten Nederland. De SVB maakt daarmee een onderscheid op basis van een identificeerbaar kenmerk. 6.4. De rechtbank volgt de SVB niet in haar standpunt dat zij met dit onderscheid een legitiem doel dient, namelijk de bescherming van burgers tegen een fout in de beloofde gegevensuitwisseling tussen de BRP en de SVB. De SVB verliest hier uit het oog dat het verschil in behandeling vooral gemaakt wordt door de automatische toekenning van kinderbijslag aan rechthebbenden uit de eerste categorie (geboorteaangifte in Nederland) en dat alleen de terugwerkende kracht van 5 jaar, in gevallen waarin fouten zijn gemaakt in de gegevensuitwisseling, dient ter bescherming van deze categorie rechthebbenden. Als de SVB geen onderscheid zou maken tussen automatische toekenning van kinderbijslag bij kinderen waarvan geboorteaangifte in Nederland is gedaan, en toekenning op aanvraag bij kinderen waarvan geboorteaangifte buiten Nederland is gedaan, dan zou de bescherming tegen fouten in de gegevensuitwisseling ook niet nodig zijn. Deze beschermingsgedachte kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet dienen als rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. 6.5. De rechtbank begrijpt wel, dat dit onderscheid is ontstaan doordat er automatische gegevensuitwisseling mogelijk werd tussen de BRP en de SVB, terwijl een dergelijke gegevensuitwisseling niet mogelijk is met geboorteregisters in h