Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-01-20
ECLI:NL:RBOVE:2026:293
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/3529 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, hierna: [eiser] gemachtigde: mr. dr. T. van Kooten en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap , verweerder, hierna: de minister gemachtigde: mr. F. Fekkes Samenvatting [eiser] wenst studiefinanciering te ontvangen voor de periode dat hij een theologische opleiding in Duitsland heeft gevolgd. De minister heeft deze aanvraag om studiefinanciering afgewezen, omdat de betreffende opleiding in Duitsland niet erkend is door de Akkreditierungsrat. Volgens [eiser] heeft hij wel recht op studiefinanciering. Hij heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden geen studiefinanciering aan [eiser] heeft toegekend. Het beroep is ongegrond. Inleiding 1. Bij besluit van 21 mei 2024 heeft de minister [eiser] geen recht op studiefinanciering toegekend voor zijn opleiding Pastoral Track aan de onderwijsinstelling [onderwijsinstelling] (hierna: [onderwijsinstelling]) in [plaats] in de Bondsrepubliek Duitsland. 1.1. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2024 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij de afwijzing gebleven. 1.2. [eiser] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , vergezeld door zijn gemachtigde en [moeder] (de moeder van [eiser] ). Namens de minister is de gemachtigde verschenen. Beoordeling door de rechtbank Aanleiding 2. [eiser] heeft op 22 april 2024 bij de minister een aanvraag ingediend om hem studiefinanciering toe te kennen. In het aanvraagformulier heeft [eiser] vermeld dat hij met ingang van 1 oktober 2024 de mbo-opleiding Pastoral gaat volgen aan de onderwijsinstelling [onderwijsinstelling] in [plaats] in Duitsland. Deze opleiding wordt ook wel als Pastoral Track aangeduid. 2.1. De minister heeft de aanvraag om studiefinanciering in het primaire besluit van 21 mei 2024 afgewezen, omdat uit de aanwezige informatie niet blijkt dat er een door de Duitse overheid erkend diploma wordt behaald. 2.2. Nadat [eiser] bezwaar heeft gemaakt, heeft de minister op 23 juli 2024 advies gevraagd aan de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (hierna: SBB). 2.3. Met inachtneming van het advies van de SBB heeft de minister in het bestreden besluit van 23 augustus 2024 het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Volgens de SBB voldoet de opleiding niet aan het criterium 'erkende opleiding', onder meer omdat de opleiding niet is erkend door de daarvoor bevoegde instantie. 2.4. Op 26 augustus 2024 is [eiser] met de opleiding Pastoral Track aan de [onderwijsinstelling] begonnen. 2.5. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tijdens de beroepsprocedure heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat de [onderwijsinstelling] gelijk te stellen is met een hbo-instelling en dat de opleiding Pastoral Track als hbo-opleiding aangemerkt zou moeten worden. 2.6. Naar aanleiding van dit standpunt heeft de minister advies gevraagd aan de Nuffic. Op 23 januari 2025 heeft de Nuffic advies aan de minister uitgebracht. Volgens de Nuffic is de instelling [onderwijsinstelling] niet erkend en leidt de opleiding niet tot een nationaal erkend diploma, nu de Akkreditierungsrat geen accreditatie heeft verleend. 2.7. Met inachtneming van het beoordelingskader voor hbo-opleidingen en op basis van het advies van de Nuffic is de minister (nog steeds) van mening dat de grondslag ontbreekt om studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) aan [eiser] toe te kennen. Standpunt van de minister 3. Er zijn twee routes voor studiefinanciering in het buitenland. Voor een mbo-opleiding is het kader neergelegd in artikel 2.13a van de Wsf 2000 en Dit betekent dat eerst, en alleen dan, wanneer de buitenlandse opleiding waarvoor studiefinanciering wordt aangevraagd onderdeel uitmaakt van het hoger onderwijs in dat land, aan de hand van de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria zal worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding voldoet aan de criteria, gesteld in (het destijds geldende) artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. 7.1. De rechtbank leidt hieruit af dat allereerst moet worden bezien of de opleiding Pastoral Track aan de [onderwijsinstelling] tot het hoger onderwijs behoort. Pas als dat het geval is, komt de inhoudelijke beoordeling en vergelijkbaarheid met een Nederlandse opleiding in beeld. 7.2. De Nuffic heeft in het advies van 23 januari 2025 beschreven dat in Duitsland de enige instantie die accreditaties mag verlenen de Akkreditierungsrat is. Deze instantie beheert een openbare database met alle erkende Master- en Bacheloropleidingen. Daarnaast zijn alle Diplom-opleidingen in Duitsland erkend, zolang ze worden aangeboden door een erkende instelling. Erkende instellingen staan zowel vermeld in de database van de Akkreditierungsrat als in het Hochschulkompass-register. De Nuffic heeft vastgesteld dat de [onderwijsinstelling] niet voorkomt op de websites van de Akkreditierungsrat en het Hochschulkompass-register. In het advies heeft de Nuffic geconcludeerd dat de [onderwijsinstelling] een niet-erkende/geaccrediteerde instelling is en dat de opleiding Pastoral Track geen nationaal erkend diploma oplevert. 7.3. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de minister op basis van het ontbreken van een erkenning door de Akkreditierungsrat heeft mogen concluderen dat de opleiding Pastoral Track aan de [onderwijsinstelling] in Duitsland niet tot het hoger onderwijs behoort. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en kent hierbij veel gewicht toe aan het advies van de Nuffic. De Nuffic wordt bij uitstek geacht deskundig te zijn in het beoordelen van buitenlandse opleidingen op het terrein van het hoger onderwijs en heeft geconcludeerd dat de [onderwijsinstelling] een niet-erkende/geaccrediteerde instelling is en de opleiding geen nationaal erkend diploma oplevert. Ter zitting heeft de minister hierbij toegelicht dat de opleiding tot het hoger onderwijs moet behoren en dus erkend moet zijn als hoger onderwijs opleiding. Gelet op deze toelichting en de door de Nuffic verstrekte informatie staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat de door [eiser] gevolgde opleiding aan de [onderwijsinstelling] niet behoort tot het hoger onderwijs in Duitsland. De door [eiser] overgelegde erkenning van het Ministerium für Kultus, Jugend und Sport in Baden-Württemberg, maakt dit niet anders nu deze erkenning enkel gericht is op de mogelijkheid tot het verkrijgen van Duitse studiefinanciering. De stelling van [eiser] dat de minister het European Qualifications Framework (hierna: EQF) als leidraad had moeten nemen bij de beoordeling, volgt de rechtbank evenmin. Het EQF-niveau van een opleiding is namelijk niet doorslaggevend voor de vraag of een opleiding tot het hoger onderwijs behoort. Zoals ook door de minister is aangegeven, is het EQF een vergelijkingsinstrument dat de transparantie tussen verschillende onderwijssystemen bevordert, maar doet dit niet af aan de nationale classificatie van opleidingen. Ook de samenwerking met de Lee University in de Verenigde Staten bij de opleiding Pastoral Track is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend voor de vraag of een opleiding tot het hoger onderwijs behoort. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat niet voldaan wordt aan de criteria uit artikel 2.14 van de Wsf 2000. Hardheidsclausule 8. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen en heeft hierbij gewezen op het feit dat het om een ambtsopleiding voor een geestelijke gaat. Ook heeft hij in dit kader gewezen op de uniciteit van de o Beide artikelen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen maar alleen die als discriminatie moet worden beschouwd. Hiervan is sprake indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt. 10.3. Aan verdragspartijen bij het EVRM komt op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. 10.4. De rechtbank is van oordeel dat de gevallen waar [eiser] zich mee vergelijkt geen vergelijkbare gevallen zijn. Het aanwezig zijn van een erkenning door de Akkreditierungsrat van een opleiding maakt dat hiervan geen sprake is. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. Voor zover de beroepsgrond zo moet worden begrepen dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen Nederlandse studenten van Duitse interne kerkelijke opleidingen en Nederlandse studenten van andere Duitse (al dan niet theologische) opleidingen, omdat gelet op het Duitse recht geen overheidserkenning mogelijk is voor interne kerkelijke opleidingen zoals de Pastoral Track, overweegt de rechtbank dat [eiser] die beroepsgrond onvoldoende heeft onderbouwd. Vrij verkeer van personen 11. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de Wsf 2000 hem belemmert in zijn rechten op vrij verkeer van personen en heeft hierbij gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 23 oktober 2007, zaken C-11/06 en C-12/06. 12. Zoals ook door de CRvB is overwogen in de uitspraak van 20 juni 2008 , is in het door [eiser] aangehaalde arrest - kort samengevat - geoordeeld dat in het geval studiefinanciering wordt verleend voor opleidingen in een andere lidstaat, ervoor moet worden zorg gedragen dat de modaliteiten waaronder wordt toegekend er niet toe leiden dat studenten worden ontmoedigd om gebruik te maken van dat recht. Van een situatie als in dit arrest bedoeld is geen sprake nu voor de opleiding die [eiser] heeft gevolgd geen studiefinanciering is verstrekt. Ter zitting heeft [eiser] weliswaar gewezen op de zich verder ontwikkelde regelgeving en de Wet NLQF , maar dit maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de uitspraak van de CRvB van 20 juni 2008 hier niet langer gevolgd zou moeten worden. Conclusie en gevolgen 13. Het voorgaande betekent dat het beroep niet slaagt en het bestreden besluit in stand blijft. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank geen aanleiding. 13.1. Het beroep is ongegrond. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter, mr. M. Eikelenboom en mr. R.J. Ouderdorp, leden, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:CRVB:2020:2973 Zie de uitspraak van 25 november 2020 van CRvB,